Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:473

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB_12-01857
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2015:4937, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontving vanaf 1 juli 2007 een uitkering op grond van de WWB. Verweerder heeft eisers bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 juli 2011. Verweerder heeft aan dit besluit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB en het daarbij behorende overgangsrecht ten grondslag gelegd. Volgens verweerder onttrekt eiser zich per 6 december 2008 aan de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Verweerder baseert dit standpunt op gegevens van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Verweerder heeft op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB het ten onrechte aan eiser over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 november 2011 verleende bedrag aan bijstand teruggevorderd.

Naar aanleiding van eisers bezwaar en beroep heeft verweerder nadere gegevens opgevraagd en ontvangen van het CJIB. Uit deze gegevens blijkt dat eiser bij op tegenspraak gewezen vonnis van 3 mei 2007 van de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uur, bij niet voldoen te vervangen door 20 dagen hechtenis. Blijkens de Rapportage reclassering van 8 april 2008 heeft eiser de werkstraf niet uitgevoerd.

Uit de stukken blijkt voorts dat het niet is gelukt de kennisgeving van deze omzetting, zoals vereist ingevolge artikel 22g, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvS), in persoon te betekenen, zodat deze ingevolge artikel 588, derde lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering bij de griffier van de rechtbank is betekend.

Voort zijn over deze omzetting twee aangetekende brieven naar eiser verzonden, die blijkens berichten van 12 september en 2 oktober 2008 niet zijn afgehaald. Vervolgens is op 14 oktober 2008 een arrestatiebevel uitgevaardigd, dat op 4 december 2008 door de politie is geretourneerd omdat eiser niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres waar hij ingeschreven stond. Op 6 december 2008 is eiser gesignaleerd in het opsporingsregister.

Het in artikel 22g, tweede lid, WvS neergelegde betekeningsvoorschrift waarborgt dat een veroordeelde op de hoogte raakt van de omzetting van de werkstraf in (vervangende) hechtenis. Indien de kennisgeving conform de daarvoor in het straf(proces)recht geldende voorschriften is betekend, moet de veroordeelde geacht worden hiervan op de hoogte te zijn en blijft eventuele onbekendheid met de omzetting voor rekening en risico van de veroordeelde. In geval van een veroordeelde die een aldus omgezette gevangenisstraf niet ondergaat, neemt verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aan dat sprake is van onttrekking – in geobjectiveerde zin – in de zin van voornoemde wetsbepaling.

In het geval van eiser is gesteld noch gebleken dat de kennisgeving omtrent de omzetting van de werkstraf in gevangenisstraf niet op de juiste wijze is betekend. Nu de veroordeelde gevangenisstraf in de periode na 7 december 2008 tot het nemen van het besluit van 30 november 2011 niet heeft ondergaan, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser zich aan zijn vrijheidsstraf heeft onttrokken. Verweerder was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, en het overgangsrecht, zoals neergelegd in het (inmiddels opgeheven) artikel 78p van de WWB, tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2011 over te gaan en heeft, anders dan eiser heeft betoogd, niet mogen volstaan met een verrekening van 20 dagen, een maatregel of een sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1857

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. R. Kuijer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Lunteren.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan eiser verstrekte bijstand met ingang van 1 juli 2011 ingetrokken en over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 november 2011 een bedrag van € 4.388,50 netto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 27 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer VI, van 29 februari 2012, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door J.L. Hermelink.

Overwegingen

1.

Eiser ontving vanaf 1 juli 2007 een uitkering op grond van de WWB. Verweerder heeft eisers bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 juli 2011. Verweerder heeft aan dit besluit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB en het daarbij behorende overgangsrecht ten grondslag gelegd. Volgens verweerder onttrekt eiser zich per 6 december 2008 aan de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Verweerder baseert dit standpunt op gegevens van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Verweerder heeft op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB het ten onrechte aan eiser over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 november 2011 verleende bedrag aan bijstand teruggevorderd.

2.

Volgens eiser heeft verweerder op grond van de aan hem verstrekte gegevens van het CJIB ten onrechte aangenomen dat hij zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Eiser wist niet dat de hem bij vonnis van 3 mei 2007 opgelegde taakstraf, die hij vanwege psychische problemen niet heeft uitgevoerd, was omgezet in een gevangenisstraf. Toen hij daarvan door het besluit van 30 november 2011 op de hoogte was geraakt, heeft hij zich direct gemeld en zijn straf van 12 tot en met 31 december 2011 uitgezeten. Verweerder had daarom kunnen en moeten volstaan met verrekening, dan wel oplegging van een maatregel of sanctie.

3.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Op grond van artikel 1, onder h, van de WWB wordt onder een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel verstaan: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge het (inmiddels vervallen) artikel 78p van de WWB wordt ten aanzien van de persoon wiens recht op bijstand voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel XX, onderdeel Aa, van de Verzamelwet SZW 2011 al is ingegaan en die zich op die dag onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, als eerste dag waarop hij zich aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel XX, onderdeel Aa, van de Verzamelwet SZW 2011 en eindigt het recht op bijstand, in afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, vanaf de dag dat het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zes maanden heeft geduurd. De Verzamelwet SZW 2011 is op 1 januari 2011 in werking getreden.


Ingevolge artikel 64, eerste lid en onder k, van de WWB is de minister van Justitie voor zover het de persoon betreft die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, verplicht inlichtingen aan verweerder te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WWB. Het twaalfde lid van deze bepaling bepaalt vervolgens dat het verstrekken van deze inlichtingen door tussenkomst van het Inlichtingenbureau geschiedt, waarbij gebruik gemaakt kan worden van het burgerservicenummer.

4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich onttrok aan een vrijheidsstraf. Verweerder heeft zich gebaseerd op informatie van het CJIB. Naar aanleiding van eisers bezwaar en beroep heeft verweerder nadere gegevens opgevraagd en ontvangen van het CJIB. Uit deze gegevens blijkt dat eiser bij op tegenspraak gewezen vonnis van 3 mei 2007 van de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uur, bij niet voldoen te vervangen door 20 dagen hechtenis. Blijkens de Rapportage reclassering van 8 april 2008 heeft eiser de werkstraf niet uitgevoerd. Tijdens het intakegesprek op 2 augustus 2007 bleek dat eiser kampte met psychische klachten en last had van hoofdpijnen. Eiser besloot ter plekke geen werkstraf te willen uitvoeren en er de voorkeur aan te geven zijn straf uit te zitten. In reactie hierop heeft de reclassering eiser de mogelijkheid geboden een verklaring te ondertekenen waarin vermeld stond dat hij de intentie had een vervangende hechtenis van 20 dagen uit te zitten in plaats van zijn werkstraf uit te voeren. Van de hem geboden termijn om voor 16 augustus 2007 op zijn beslissing terug te komen en de hem daartoe gezonden uitnodigingen voor een voortgangsgesprek op 2 november 2007 en 29 december 2007 heeft eiser geen gebruik gemaakt. Op 10 april 2008 heeft het openbaar ministerie de werkstraf omgezet n vervangende hechtenis. Niet weersproken is dat eiser hiertegen niet afzonderlijk is opgekomen. Derhalve staat vast dat eiser na de omzetting gehouden was een gevangenisstraf te ondergaan.

5.

Uit de stukken blijkt voorts dat het niet is gelukt de kennisgeving van deze omzetting, zoals vereist ingevolge artikel 22g, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvS), in persoon te betekenen, zodat deze ingevolge artikel 588, derde lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering bij de griffier van de rechtbank is betekend. Voort zijn over deze omzetting twee aangetekende brieven naar eiser verzonden, die blijkens berichten van 12 september en 2 oktober 2008 niet zijn afgehaald. Vervolgens is op 14 oktober 2008 een

arrestatiebevel uitgevaardigd, dat op 4 december 2008 door de politie is geretourneerd omdat eiser niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres waar hij ingeschreven stond. Op 6 december 2008 is eiser gesignaleerd in het opsporingsregister.

6.

Het in artikel 22g, tweede lid, WvS neergelegde betekeningsvoorschrift waarborgt dat een veroordeelde op de hoogte raakt van de omzetting van de werkstraf in (vervangende) hechtenis. Indien de kennisgeving conform de daarvoor in het straf(proces)recht geldende voorschriften is betekend, moet de veroordeelde geacht worden hiervan op de hoogte te zijn en blijft eventuele onbekendheid met de omzetting voor rekening en risico van de veroordeelde. In geval van een veroordeelde die een aldus omgezette gevangenisstraf niet ondergaat, neemt verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aan dat sprake is van onttrekking – in geobjectiveerde zin – in de zin van voornoemde wetsbepaling.

7.

In het geval van eiser is gesteld noch gebleken dat de kennisgeving omtrent de omzetting van de werkstraf in gevangenisstraf niet op de juiste wijze is betekend. Nu de veroordeelde gevangenisstraf in de periode na 7 december 2008 tot het nemen van het besluit van 30 november 2011 niet heeft ondergaan, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser zich aan zijn vrijheidsstraf heeft onttrokken. Verweerder was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, en het overgangsrecht, zoals neergelegd in het (inmiddels opgeheven) artikel 78p van de WWB, tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2011 over te gaan en heeft, anders dan eiser heeft betoogd, niet mogen volstaan met een verrekening van 20 dagen, een maatregel of een sanctie. De beroepsgrond faalt.

8.

Eiser heeft daarnaast nog naar voren gebracht dat zijn psychische toestand, waarmee de gemeente bekend was, voor verweerder een dringende reden had moeten vormen om van intrekking en terugvordering af te zien. Deze beroepsgrond faalt eveneens. Dat eiser vanwege zijn medische situatie in de periode van 11 mei 2010 tot 11 mei 2012 vanwege de gemeente is ontheven van een aantal arbeidsverplichtingen in het kader van de WWB, is op zichzelf geen dringende reden die ertoe noopt af te zien van intrekking en terugvordering. Eiser heeft niet met objectieve, medische, gegevens onderbouwd dat zijn ernstige psychische situatie intrekking en terugvordering van de bijstand in de weg stond, terwijl dat wel op zijn weg lag.

9.

Het beroep is ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, en mr. drs. C.H.M. Pastoors en

mr. dr. D. Brugman, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.