Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:4653

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
CIV-342230_26062013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beperking van aansprakelijkheid. LLMC 1976. Uitzondering voor wrakopruimingskosten. Welke vorderingen vallen daaronder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Haven en handel

Zaak-/rolnummer: C / 10 / 342230 / HA ZA 09-3206

VONNIS van 26 juni 2013

in de zaak van:

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ELG HANIEL TRADING GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

HENRIC FERROCHROME (PTY) LTD,

gevestigd te Brits, Zuid-Afrika,

3. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ALLIANZ INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Johannesburg, Zuid-Afrika,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY AG,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseressen tot verificatie,

advocaat mr T. van der Valk,

- en -

1 de vennootschap onder firma RIAD V.O.F.,

gevestigd te Maasbracht,

2. [gevoegde partij 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gevoegde partij 3],

wonende te [woonplaats],

4. de onderlinge waarborgmaatschappij

EFM ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.

gevestigd te Meppel,

gevoegde partijen aan de zijde van eiseressen tot verificatie,

advocaat mr T. Roos,

- tegen -

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHEEPVAARTBEDRIJF MS. AMASUS 2 B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

2. de commanditaire vennootschap

SCHEEPVAARTBEDRIJF MS. AMASUS 2 C.V.

gevestigd te Farmsum,

verweersters,

advocaat mr E.A. Bik.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk "ELG c.s.", "Riad c.s." en

"Amasus c.s.".

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Na het in deze zaak gewezen vonnis van 5 september 2012 heeft Amasus c.s. verzocht te bepalen dat hoger beroep tegen dat vonnis kan worden ingesteld. Nadat ELG c.s. en Riad c.s. daartegen bezwaar hadden gemaakt, heeft de rechtbank bij vonnis van 17 oktober 2012 het verzoek afgewezen.

1.2

De in het vonnis van 5 september 2012 bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De door partijen tevoren toegezonden brieven en producties behoren tot de processtukken.

1.3

Vervolgens heeft ELG c.s. een akte na tussenvonnis genomen en Amasus c.s. een tweetal aktes, bij welke aktes telkens producties waren gevoegd.

1.4

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het vonnis van 5 september 2012 is onder meer het volgende vermeld.

(1) Amasus c.s. is als enige aansprakelijk voor de aanvaring op 13 oktober 2008 op de Oude Maas tussen het aan Amasus c.s. in eigendom toebehorende zeeschip Wisdom en het aan Riad v.o.f. toebehorende binnenschip Riad, als gevolg van welke aanvaring de Riad met haar lading ferrochroom is gezonken. ELG c.s. is gerechtigd om als eigenaar van de lading ferrochroom dan wel als diens rechtsopvolger Amasus c.s. aan te spreken uit aanvaring.

(2) De Staat heeft als beheerder van het vaarwater de Riad op 14 oktober 2008 onder de werking van de wrakkenwet geplaatst. In opdracht van de Staat heeft bergingsbedrijf GPS Marine Service B.V. de Riad en haar lading geborgen. De Riad is aan een sloopbedrijf verkocht. De lading is afgevoerd naar een terrein van Rijkswaterstaat.

(3) Op verzoek van de Staat - die zich beriep op een retentierecht en aankondigde de geborgen lading te willen verkopen - heeft ELG c.s. voor de bergingskosten een garantie doen stellen. Op 7 april 2009 heeft de Staat onder deze garantie betaling verkregen van

€ 560.790,72.

(4) ELG c.s. heeft Amasus c.s. aansprakelijk gesteld voor de bergingskosten en alle andere kosten die zij als gevolg van de aanvaring heeft moeten maken. Daarop heeft Amasus c.s. in een door haar bij deze rechtbank begonnen beperkingsprocedure (320568/HARK 08-294) een wrakkenfonds gesteld van SDR 612.361,- (en tevens een zakenfonds).

(5) In die procedure tot verdeling van het wrakkenfonds heeft ELG c.s. een vordering ingediend van € 697.131,61. Op 7 oktober 2009 heeft de rechter-commissaris ELG c.s. en Amasus c.s. verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure, onder meer terzake van de vraag of de vordering van ELG c.s. thuishoort in het wrakkenfonds en wat de geldelijke omvang van deze vordering is.

(6) De regresvording van ELG c.s. terzake van door haar aan de Staat betaalde opruimingskosten is een vordering als bedoeld in art. 8:752 lid 1 sub d en e BW, zowel voor zover het daarbij gaat om het opruimen van de Riad als voor zover het gaat om het verwijderen van de lading ferrochroom. Deze vordering hoort als zodanig thuis en kan worden ingediend in het wrakkenfonds.

(7) Deze regresvordering ten bedrage van € 560.790,72 wegens door de Staat opgevoerde kosten wordt door de rechtbank in beginsel voldoende aannemelijk en redelijk geacht en deze kosten worden beschouwd als kosten zoals bedoeld in art. 8:752 lid 1 sub d en e BW, waarvoor Amasus c.s. aansprakelijk is. Op een aantal punten is nadere opheldering nodig. Het gaat met name om informatie over wat er op welk moment is gebeurd met de geborgen lading, het scheepswrak en de andere zaken (auto, luiken, roeiboot) en welke kosten daarmee waren gemoeid, dit in verband met de vraag in hoeverre die kosten nog redelijkerwijs als opruimingskosten kunnen worden aangemerkt. Ook is een toelichting nodig op de door [X] in rekening gebrachte werkzaamheden.

(8) Ten aanzien van de vordering van ELG c.s. terzake van andere, eigen kosten, ten bedrage van € 141.065,14 is het vooralsnog niet of onvoldoende duidelijk dat deze verband houden met de opruiming van schip en lading, dat deze kosten redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt en dat deze daarom thuishoren in het wrakkenfonds.

2.2

Tussen partijen is in geschil wat de reikwijdte is van het door Nederland gemaakte voorbehoud genoemd in art. 18 lid 1 van het Beperkingsverdrag 1976 (Londen, 19.11.1976; Trb. 1980, 23; LLMC 1976) en welke kostenposten vallen onder de vorderingen als bedoeld in art. 8:752 lid 1 aanhef en onder d en e BW.

2.3

Voor een oordeel hierover is het navolgende van belang.

(1) Ingevolge het verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (23 mei 1969; Trb. 1985, 79 en Trb. 1996, 89; artt. 31 ev.) moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag. Daarbij kan worden gelet op latere overeenstemming tussen de partijen over de uitleg of op een later gebruik in de toepassing. Ook kan een beroep worden gedaan op de voorbereidende werkzaamheden.

Elke authentieke taal van het verdrag heeft rechtskracht.

(2) Het Beperkingsverdrag 1976 heeft rechtstreekse werking in Nederland.

Art. 18 lid 1 van dit verdrag luidt in de Engelse authentieke tekst:

"Any State may [..] reserve the right to exclude the application of Article 2, paragraph 1

( d) and (e). No other reservations shall be admissable to the substantive provisions of this Convention."

Nederland heeft gebruik gemaakt van deze uitsluitingsmogelijkheid en heeft vervolgens de mogelijkheid van een apart wrakkenfonds in zijn wetgeving opgenomen.

(3) Art. 2 lid 1 aanhef en onder (d) en (e) van dat verdrag luidt in de Engelse authentieke tekst:

" [..] the following claims, whatever the basis of liability may be, shall be subject to limitation of liability:

  • -

    d) claims in respect of the raising, removal, destruction or the rendering harmless of a ship which is sunk, wrecked, stranded or abandoned, including anything that is or has been on board such ship;

  • -

    e) claims in respect of the removal, destruction or the rendering harmless of the cargo of the ship";

en in de Franse authentieke tekst:

"[..] les créances suivantes, quel que soit le fondement de la responsabilité, sont soumises à la limitation de la responsabilité:

d) créances pour avoir renfloué, enlevé, détruit ou rendu inoffensif un navire coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve ou s'est trouvé à bord;

e) créances pour avoir enlevé, détruit ou rendu inoffensive la cargaison du navire".

(4) In de Nederlandse vertaling staat:

"[..] de volgende vorderingen [zijn], ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid, vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid:

d. vorderingen met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord daarvan bevindt of heeft bevonden;

e. vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het schip".

(5) In de overgelegde gedeeltes van de Travaux Préparatoires bij het Beperkingsverdrag 1976 leest de rechtbank geen duidelijke aanwijzingen voor de uitleg en reikwijdte van deze vorderingen en van het voorbehoud om de toepassing van het verdrag daarvoor uit te sluiten.[Y], die nauw betrokken was bij de totstandkoming van dit verdrag, merkt op (in: De beperkte aansprakelijkheid van de scheepseigenaar, 2e dr., p. 62) dat het toestaan van het voorbehoud en de mogelijkheid van een apart wrakkenfonds een compromis vormen; het opruimen van wrakken, waarvan de kosten zeer hoog kunnen oplopen, is een overheidstaak die echter in belangrijke mate het belang van de scheepvaart dient, zodat het niet aangaat de belastingbetaler voor een deel daarvan te laten opdraaien; onbeperkte aansprakelijkheid zou een nadelige invloed kunnen hebben op de verzekerbaarheid van de redersaansprakelijkheid, wat zijn weerslag kan hebben op de positie van andere schuldeisers.

(6) In de MvT bij het wetsvoorstel 19 769 tot goedkeuring van het Beperkingsverdrag 1976 staat - verkort weergegeven - dat de regering het gewenst acht dat bij de toetreding tot het verdrag het recht wordt voorbehouden de toepassing van de verdragsregeling uit te sluiten ten aanzien van vorderingen terzake van het opruimen van een wrak of van de lading als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d en e. De uitvoeringswet voorziet in de mogelijkheid dat de aansprakelijkheid voor deze vorderingen kan worden beperkt door de vorming van een afzonderlijk wrakkenfonds met hogere limieten. Onder de verdragsregeling zouden de opbrengst van het geborgene en de beperkte aansprakelijkheid veelal slechts een klein deel van de hoge opruimingskosten dekken. Aangezien het obstakelvrij houden van vaarwegen primair van belang is voor de reder zelf, is er reden de kosten van de vaarwegbeheerder in grotere mate ten laste van het schip te laten komen, terwijl de risico's verzekerbaar zouden blijven.

(7) Ter uitvoering daarvan is in art. 740c, lid 1 onder d en e K j˚ art. 740f K en later in

art. 8:752, lid 1 onder d en e BW j˚ art. 8:755 BW een wrakkenfonds mogelijk gemaakt voor - kort gezegd - "vorderingen terzake van" het verwijderen van het betreffende schip en zijn lading.

(8) In de MvT bij het betreffende wetsvoorstel 19 768 staat - kort weergegeven - bij

art. 740c, lid 1 onder d en e K dat deze bepaling overeenstemt met art. 2, eerste lid onder d en e van het Beperkingsverdrag 1976 en dat deze, evenals art. 1, lid 1 onder c van het Beperkingsverdrag 1957, bepaalt dat de aansprakelijkheid voor vorderingen terzake van wrakopruiming in de meest algemene zin kan worden beperkt.

In de MvT bij art. 740f, lid 1-3 K staat dat de aansprakelijkheid voor vorderingen terzake van wrakopruiming kan worden beperkt door de vorming van een wrakkenfonds en dat het hierbij gaat om alle vorderingen die zijn ontstaan terzake van het vlotbrengen etc. van een gezonken schip, alsmede alle vorderingen terzake van het verwijderen etc. van de lading. Uit de antwoorden van de ministers op vragen vanuit de vaste Commissie voor Justitie blijkt dat de beperking op grond van art. 740c, lid 1 onder d en e niet alleen ziet op vorderingen op grond van art. 10 Wrakkenwet maar op alle vorderingen terzake van wrakopruiming.

(9) In de toelichting bij de wijziging van art. 8:755 BW (wetsvoorstel 31 425 nr. 6) staat dat vorderingen van art. 2, lid 1 onder d en e van het Beperkingsverdrag zien op vorderingen uit het lokaliseren, markeren of opruimen van een wrak, bunkerolie of lading.

(10) In het Beperkingsverdrag 1957 (Brussel 10.10.1957, Trb. 1958, 46) stond in art. 1, lid 1 aanhef en onder (c): "The owner of a sea-going ship may limit his liability [..] in respect of claims arising from any of the following occurrences [..]:

( c) Any obligation or liability imposed by any law relating to the removal of wreck and arising from or in connection with the raising, removal or destruction of any ship which is sunk, stranded or abandoned (including anything which may be on board of such ship) [..]".

Het Beperkingsverdrag 1976 was de opvolger van dit eerdere verdrag en bouwde daarop voort.

(11) Duitsland heeft eveneens het voorbehoud van art. 18 Beperkingsverdrag 1976 gemaakt en in § 487 HGB de mogelijkheid van een wrakkenfonds ingevoerd voor "Ansprüche aus Hebung" en "Beseitigung" etc. Volgens Rabe (Seehandelsrecht, 4. Aufl., p. 98) geldt de uitsluiting van toepassing van art. 2 lid 1 sub d en e "auch für Schadensersatzansprüche, die anläßlich der Bergung eises Wracks oder Ladung entstehen" en "[ist] für eine auch nur eingeschränkte Anwendung von Abs. II d, e kein Raum, da von dem Vorbehalt des Art. 18, wie § 487 zeigt, umfassend Gebrauch gemacht worden ist."

2.4

De omschrijving van de vorderingen wegens opruimingskosten in de Engelse tekst van het Beperkingsverdrag 1976 "claims in respect of" geeft geen aanleiding tot een beperkte uitleg van de betreffende kosten en kan worden vertaald als "vorderingen met betrekking tot". Dit is in lijn met de ruime formulering van het eerdere Beperkingsverdrag 1957 "liability in respect of claims arising [..] from or in connection with".

De Franse tekst is neutraal en wijst niet in andere richting dan de Engelse tekst.

2.5

De kennelijke strekking van het voorbehoud voor opruimingskosten is dat (in elk geval) de aansprakelijkheid van een reder terzake van de kosten die door een vaarwegbeheerder worden gemaakt om een in de vaarweg gezonken schip en zijn lading op te ruimen niet door het stellen van een zakenfonds kan worden beperkt. Niet blijkt dat ten aanzien van die kosten een beperkte reikwijdte is beoogd. Een ruime uitleg door de wetgever van een land dat dit voorbehoud heeft gemaakt is niet in strijd met het doel van de verdragsregeling. Blijkbaar wordt in Duitsland een ruime uitleg gehuldigd.

2.6

De Nederlandse wetgever heeft kennelijk een ruime uitleg voor ogen gehad van de opruimingskosten waarvoor het voorbehoud werd gemaakt en waarvoor de aansprakelijkheid door het stellen van een wrakkenfonds kon worden beperkt: "vorderingen terzake van wrakopruiming in de meest algemene zin" en "alle vorderingen die zijn ontstaan terzake van ..". Deze ruime uitleg was, gezien het voorgaande, toelaatbaar.

2.7

Het buiten toepassing verklaren van het verdrag voor deze opruimingskosten gaf niet alleen de Nederlandse wetgever de mogelijkheid om ter beperking daarvan een wrakkenfonds in te stellen, maar betekende tevens dat ook andere bepalingen van nationaal recht op die betreffende vorderingen konden worden toegepast, zoals die ten aanzien van de kosten bedoeld in art. 6:96, lid 2 BW: redelijke kosten ter voorkoming of beperking van de schade, die ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en die ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

2.8

De kosten die zijn verbonden aan het - in het kader van de opruiming van schip en lading - nemen van redelijke maatregelen ter voorkoming of vermindering van schade, zoals door uitstromende olie, moeten op één lijn worden gesteld met kosten van de opruiming van schip, zaken aan boord en lading en deze behoren derhalve tot de wrakopruimingskosten. De rechtbank acht dit niet in strijd met het Beperkingsverdrag 1976.

2.9

Zoals is vermeld in het proces-verbaal van de comparitie van partijen, zijn partijen het eens over de relevante data, in het kort:

13.10.2008 aanvaring en zinken Riad met lading, 14.10 plaatsing onder de Wrakkenwet, 16.10 deel lading overgeslagen in bak VOS10, 17.10 afmeren VOS10 bij Duivelseiland, Dordrecht, 19.10 lichten wrak en plaatsen op ponton Zeevang en overslag rest lading in VOS10, 20-23.10 diverse controles en opruimingswerk, 30.10 vervoer VOS10 naar Vulcaanhaven, Vlaardingen en aldaar wegen en lossen lading op terrein Vulcaanhaven, waarna opslag bij Vulcaanhaven met beroep Staat op retentierecht,

13.3.2009 zekerheidstelling door ELG, 16.3 afgeven lading aan ELG in opdracht Staat, wegen en overslag lading in binnenschip, gevolgd door vervoer lading naar Duisburg.

Verder heeft ELG c.s. beslagen doen leggen op de lading, op de Wisdom en op de Riad.

Er zijn twee kort gedingen gevoerd: tussen ELG c.s. en de Staat en tussen Amasus c.s. en ELG c.s. Op 7.4.2009 heeft de Staat betaling verkregen onder de garantie. De garantie is pas op 15.5.2009 door de Staat geretourneerd.

2.10

Ter toelichting is op de comparitie door haar advocate namens ELG c.s. nog meegedeeld:

De VOS10 met de lading heeft nog enige tijd op de tijdelijke locatie bij het Duivelseiland gelegen, naar ik begrijp omdat de Staat zocht naar een geschikte locatie om de lading op te slaan. Op het moment van de berging was de opslaglocatie bij Vulcaanhaven nog niet geregeld. Waarschijnlijk speelde een rol dat men niet wist in welke staat de lading verkeerde en of deze beschadigd was. Dat moest eerst nog worden bekeken door experts. Daar was tijd mee gemoeid. Na lossing van de lading is de VOS10 teruggebracht naar waar deze vandaan kwam en schoongemaakt. Het wrak van de Riad is op 10 november 2008 verkocht en afgeleverd, nadat op 6 november een bod was uitgebracht.

De juistheid van deze mededelingen van de advocate is niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

2.11

Wat betreft de kosten van [X] die voor een bedrag van

€ 22.825,69 zijn opgenomen in de kostenopgave van de Staat, heeft ELG c.s. een verklaring overgelegd van [Z], coördinator operationeel beheer bij Rijkswaterstaat en een verklaring van [Q], manager bij [X] (prods. 29 en 30). In onderling verband bezien, blijkt daaruit - samengevat - het volgende: de wrakopruiming van de Riad en haar lading was een omvangrijke en complexe operatie, waarbij vele partijen betrokken waren en die te groot was om alleen met begeleiding van Rijkswaterstaat te doen plaatsvinden. Rijkswaterstaat heeft zelf niet de specialistische kennis in huis voor een dergelijke wrakopruiming, zodat deze specialistische kennis moest worden ingehuurd. Rijkswaterstaat heeft [X] verzocht deze wrakopruiming te begeleiden, nu deze beschikte over de vereiste kennis op de relevante gebieden. Deze experts hebben overlegd met het bergingsbedrijf GPS en andere betrokken partijen over de meest efficiënte en veilige werkwijze en hebben Rijkswaterstaat geadviseerd over de werkwijze en de te nemen maatregelen. Tevens hebben zij Rijkswaterstaat geadviseerd over de opslag van de lading op een beveiligde locatie met voldoende capaciteit. De conclusie is dat het inschakelen van [X] noodzakelijk was om de wrakopruiming verantwoord, veilig en efficiënt te laten verlopen en om kosten te besparen. Als productie 9 bij repliek zijn stukken betreffende deze opdracht overgelegd en als productie 24 ter comparitie stukken betreffende de ter uitvoering daarvan verrichte werkzaamheden.

2.12

De rechtbank acht deze verklaringen, waartegen geen concrete bezwaren zijn ingebracht, overtuigend en de in rekening gebrachte bedragen voldoende aannemelijk, zodat de kosten van [X] kunnen worden beschouwd als redelijke en in redelijkheid gemaakte opruimingskosten.

2.13

Uit de feitelijke gegevens volgt dat de geborgen lading eerst, in twee etappes, is gedeponeerd en opgeslagen in een daartoe gehuurde bak VOS10, die enige tijd bij het Duivelseiland bij Dordrecht heeft gelegen en dat - toen een geschikte locatie was gevonden - de beladen bak is vervoerd naar Vulcaanhaven B.V. in Vlaardingen, waar de lading uit de bak is gelost en gewogen en aldaar is opgeslagen, zulks naar valt aan te nemen in opdracht van de Staat (zie prod. 11 bij repliek).

2.14

De Staat heeft zich jegens ELG c.s. beroepen op haar retentierecht en haar bevoegdheid om de geborgen lading te verkopen om zich daarop voor de opruimingskosten te verhalen, overeenkomstig de bepalingen van de Wrakkenwet (vgl. artt. 5-7). De Staat verlangde zekerheid voor alle bergingskosten. ELG c.s. wilde aanvankelijk alleen zekerheid stellen voor de kosten van het bergen van de lading. Daarover is een kort geding gevoerd, waarin is geoordeeld dat de Staat zekerheid kon vragen voor de totale bergingskosten. Die zekerheid is vervolgens verschaft. De periode van opslag heeft geduurd van 31 oktober 2008 t/m 16 maart 2009, op welke datum door ELG c.s. de verlangde garantie was afgegeven en de lading aan ELG c.s. werd vrijgegeven. De kosten van deze opslag zijn door de Staat ook onder de garantie geïncasseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook deze kosten van Vulcaanhaven B.V. van

in totaal € 7.237,08 nog worden gerekend tot de opruimingskosten in de zin van het verdrag en de Nederlandse regeling volgens de hiervoor beschreven ruime uitleg.

2.15

Op het voetspoor van het vonnis van 5 september 2012 onder 6.17 - 6.21 betekent dit dat de door ELG c.s. voldane kosten van de Staat van € 560.790,72 volledig kunnen worden aangemerkt als opruimingskosten waarvoor het wrakkenfonds is gesteld.

2.16

Vervolgens komen de overige door ELG c.s. opgevoerde kosten aan de orde.

2.17

Terzake van expertisekosten van Interlloyd Averij B.V. en [W] zijn bedragen opgevoerd van in totaal € 19.724,25 (zie facturen prod. 12 bij repliek van ELG c.s.). ELG c.s. heeft deze kosten toegelicht ter comparitie en in haar akte na tussenvonnis (onder 36-45). Dat komt erop neer dat ladingbelanghebbenden na de aanvaring Interlloyd hebben ingeschakeld, die zich als ladingexpert ten tijde van de wrakopruiming heeft bezig gehouden met de conditie van de lading en heeft geadviseerd over de eigenschappen daarvan en hoe met de lading om te gaan bij de berging; op 16 en 17 oktober 2008 werd de wrakopruiming bijgewoond. Inclusief kosten van het reizen en van gemaakte foto's, is daarvoor € 1.844,25 in rekening gebracht. Daarnaast heeft Interlloyd tot 20 mei 2009 contacten onderhouden met ladingbelanghebbenden, alle andere partijen en autoriteiten betreffende (de toedracht van) de aanvaring en de wrakopruiming, waarvoor

€ 9.750,- in rekening is gebracht. Zelf op dat gebied niet deskundig zijnde, heeft Interlloyd tevens [W] ingeschakeld als casco-deskundige, die de wrakopruiming op een aantal dagen heeft bijgewoond en die heeft geadviseerd over de omstandigheden en oorzaak van de aanvaring, over de wijze van wrakopruiming en over de wrakopruimingskosten, de toestand van de Riad en haar inboedel, de reparatiekosten en de waarde van het wrak. Daarvoor is € 7.180,- in rekening gebracht.

Dat de experts de genoemde activiteiten hebben verricht, is niet bestreden.

2.18

De rechtbank acht het redelijk dat ladingbelanghebbenden eigen experts hebben ingeschakeld voor het adviseren over en het bijwonen van de opruiming van wrak en lading. Aannemelijk is dat bij deze werkzaamheden het opruimingsaspect overheersend was, zodat de kosten daarvan behoren te worden gerekend tot de opruimingskosten. De daarvoor in rekening gebrachte kosten van € 1.844,25 en € 7.180,-, samen € 9.024,25 komen redelijk voor.

Ten aanzien van de overige door Interlloyd in rekening gebrachte kosten - "75,00 office hours" - is onvoldoende toegelicht op welke werkzaamheden deze betrekking hadden en waarom daarbij het opruimingsaspect overheersend was, zodat niet aannemelijk is geworden dat deze redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de wrakopruiming. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de opruiming van de lading op 16 maart 2009 ten einde was, op welke dag de lading aan ELG c.s. werd afgegeven, terwijl de bemoeienissen van Interlloyd nog doorliepen tot 20 mei 2008. Dit deel van de kosten kan derhalve niet in het wrakkenfonds worden ingediend.

2.19

De bemoeienis van de Staat met het opruimen van het wrak en de lading ferrochroom eindigde met het afgeven van de geborgen lading aan ELG c.s. op 16 maart 2009. De opruiming van de lading was toen ten einde, ook al was deze lading nog niet op haar eindbestemming. Anders dan ELG c.s. en Riad c.s. menen, behoren de kosten van de garantie, de overslag door Vulcaanhaven van de lading ferrochroom in het ms. Tamara, de supervisie door RC Inspection bij de overslag en het transport van de lading met de Tamara naar Duisburg door Global Bulk Logistic niet meer tot de kosten van het opruimen van de gezonken lading. Deze kosten horen daarom niet thuis in het wrakkenfonds.

2.20

Ten aanzien van de advocaatkosten van € 84.094,42 zijn twee declaraties overgelegd die geen enkele specificatie bevatten (bijlage 8 van prod. 3 bij eis tot verificatie).

De toelichting daarop van de zijde van ELG c.s. is zeer summier, ook nadat ELG c.s. daartoe opnieuw in de gelegenheid was gesteld. Zie de brief vóór de comparitie d.d. 6 november 2012. Ter comparitie is nog meegedeeld dat de advocaten niet aanwezig zijn geweest bij de berging zelf, maar wel volop hebben gediscussieerd met Amasus c.s. en de Staat. Niet blijkt dat - en eventueel: welk deel van - de advocaatkosten betrekking hebben op de opruiming van wrak en lading.

2.21

Voor zover de advocaatkosten betrekking hebben op het dispuut met de Staat over de afgifte van de geborgen lading en de daarvoor te stellen zekerheid, inclusief het leggen van een beslag tot afgifte en het voeren van een kort geding, kunnen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als kosten met betrekking tot de opruiming van wrak en lading. Dat geldt in nog sterkere mate voor activiteiten in verband met het aansprakelijk stellen van Amasus c.s. en Riad c.s. voor de aanvaring en de schadelijke gevolgen daarvan en het terzake verkrijgen van zekerheid. Werkzaamheden in het kader van het stellen van een wrakkenfonds, de beperkingsprocedure en de onderhavige renvooiprocedure zijn geen opruimingskosten die kunnen worden ingediend in het wrakkenfonds.

De advocaatkosten dienen daarom in hun geheel buiten het wrakkenfonds te blijven.

2.22

De slotsom is dat ELG c.s. als schuldeiser in het wrakkenfonds moet worden toegelaten tot een bedrag van in totaal € 569.814,97 (560.790,72 + 9.024,25).

Amasus c.s. zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van ELG c.s., tot op deze uitspraak begroot op € 12.900,-

(5 pnt. à € 2.580,-) aan advocaatkosten, alsmede in de kosten van Riad c.s., tot op deze uitspraak begroot op € 5.160 (2 pnt. à € 2.580,-) aan advocaatkosten.

3 De beslissing

De rechtbank,

bepaalt dat ELG c.s. als schuldeiser in het wrakkenfonds moet worden toegelaten tot een bedrag van € 569.814,97;

veroordeelt Amasus c.s. in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van ELG c.s begroot op € 12.900,-;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik en in het openbaar uitgesproken op

26 juni 2013.

10/32