Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:4587

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
ROT_12-3267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afbouwsubsidie op grond van artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) na beëindiging van een langdurige subsidierelatie.

De subsidiegever heeft een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in acht genomen. Geen omstandigheden die maken dat in dit geval de subsidiegever gehouden was in de afbouwsubsidie mede een bedrag op te nemen voor de te betalen wachtgelden voor medewerkers van de subsidie-ontvanger die zijn ontslagen na het beëindigen van de subsidierelatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/3267

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2013 in de zaak tussen

[naam], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. J.A.C. Verheijden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft verweerder eiseres een prestatiesubsidie verleend van maximaal € 175.779,- voor het jaar 2012 (de prestatiesubsidie).

Bij besluit van 5 januari 2012 heeft verweerder eiseres een extra subsidie verleend van maximaal € 239.497,- voor de periode van 1 januari 2012 tot 1 september 2012 (de afbouwsubsidie).

Bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld.

Bij besluit van 2 augustus 2012 is de prestatiesubsidie gewijzigd doordat deze grotendeels mag worden ingezet ten behoeve van de doorstart van eiseres.

Bij brieven van 31 augustus 2012 en 19 oktober 2012 heeft eiseres nadere stukken ingediend.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft verweerder een verweerschrift en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2013.

Voor eiseres zijn verschenen I. Salman, directeur, en J. Heinsohn Huala, voorzitter, bijgestaan door de gemachtigde.

Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en drs. E. Kentie.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft vanaf 2000 een subsidierelatie met verweerder. Bij besluit van 3 januari 2011 heeft verweerder op grond van de Beleidsregel Participatie en Burgerschap 2007-2010 aan eiseres een incidentele prestatiesubsidie voor 2011 verleend. Deze bedroeg na latere wijzigingen maximaal € 535.925,-. In dit besluit is vermeld: “De Beleidsregel Participatie en Burgerschap 2007-2010 loopt eind dit jaar af. Subsidies die worden verstrekt op basis van deze beleidsregel worden met ingang van 2012 beëindigd. De betreffende organisaties kunnen op basis van een nieuwe beleidsregel subsidie aanvragen. Op voorhand is duidelijk dat niet alle instellingen die nu subsidie ontvangen deze zullen behouden. In de nieuwe beleidsregel worden de door de gemeente gewenste producten en diensten beschreven.”

2.

Op 15 maart 2011 is de nieuwe beleidsregel Burgerschapsbeleid vastgesteld. Deze is op 1 januari 2012 in werking getreden en op diezelfde datum is de Beleidsregel Participatie en Burgerschap 2007-2010 komen te vervallen.

Bij brief van 4 oktober 2011 heeft verweerder naar aanleiding van de subsidie-aanvraag

van eiseres voor 2012 onder verwijzing naar de nieuwe beleidsregel aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om haar 65% minder subsidie te verlenen dan over het jaar 2011.

Vervolgens heeft verweerder de prestatiesubsidie verleend.

3.

Aan de afbouwsubsidie heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder meer ten grondslag gelegd dat het eiseres in het kader van de beëindiging van haar werkzaamheden de gelegenheid biedt om lopende werkzaamheden af te wikkelen en om de personeelsformatie en andere doorlopende verplichtingen geleidelijk af te bouwen.

4.

In beroep heeft eiseres zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd met hieronder te bespreken gronden.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.

Met het besluit van 2 augustus 2012 is wijziging gebracht in de bestedingsmogelijkheden van de prestatiesubsidie. De rechtbank zal dit besluit, samen met het bestreden besluit, aanmerken als het resultaat van verweerders heroverweging in bezwaar en aanmerken als één besluit waartegen het beroep is gericht.

6.

Eiseres stelt dat verweerder voorbij is gegaan aan de positie van eiseres als een organisatie die bij een motie van de gemeenteraad in 2003 is voorzien van structurele subsidie. Voor zover eiseres wenst te betogen dat verweerder niet gerechtigd was om te besluiten tot verlaging of beëindiging van de subsidie, slaagt dit niet. Eiseres diende ieder jaar subsidie aan te vragen. Deze aanvragen werden door verweerder getoetst aan onder meer de Subsidieverordening Rotterdam 2005 en de terzake vastgestelde beleidsregels. Verweerder is bevoegd nieuwe beleidsregels vast te stellen en op grond daarvan te komen tot wijziging in de subsidieverlening.

Voor zover eiseres wenst te betogen dat verweerder geen rekening zou hebben gehouden met de langdurige subsidierelatie, slaagt dit ook niet. Verweerder heeft daarmee rekening gehouden nu de afbouwsubsidie zijn grondslag vindt in artikel 4:51 van de Awb.

7.

Artikel 4:51 van de Awb luidt:

“1. Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

2.

Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van artikel 4:25, tweede lid.”

8.

Niet in geschil is dat met de inwerkingtreding van de beleidsregel Burgerschapsbeleid sprake is van een gewijzigd inzicht over door verweerder te subsidiëren doelen. Daarmee is de grondslag voor de gedeeltelijke weigering van de prestatiesubsidie 2012 van eiseres als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb gegeven. De duur van de subsidierelatie kan daar niet aan afdoen.

9.

Eiseres betoogt dat beoordeling van de aanvraag om de prestatiesubsidie 2012 ten onrechte niet is overgelaten aan een onafhankelijke adviescommissie en dat verweerder heeft nagelaten de voor de beoordeling gebruikte formats vooraf openbaar te maken. Dit betoog slaagt niet.

Er is geen wettelijk voorschrift op grond waarvan beoordeling van een subsidieaanvraag is voorbehouden aan een onafhankelijke adviescommissie. Evenmin volgt uit enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat verweerder slechts op grond van een dergelijke beoordeling tot verlening van subsidie kon komen.

Gesteld noch gebleken is dat de voor de beoordeling gebruikte formats meer zijn geweest dan een intern hulpmiddel van verweerder om te komen tot een goede beoordeling van subsidieaanvragen. Verweerder was niet gehouden een dergelijk intern hulpmiddel voorafgaand aan de subsidieaanvraag openbaar te maken. Ook overigens is niet gebleken dat de beoordeling van de subsidieaanvraag onzorgvuldig is geweest.

10.

Eiseres betoogt dat verweerder niet een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in acht heeft genomen.

Bij brief van 4 oktober 2011 heeft verweerder eiseres het voornemen kenbaar gemaakt in 2012 minder subsidie te verstrekken, en wel 65% minder dan in het voorgaande jaar. Voor de beoordeling van de redelijkheid van de termijn acht de rechtbank voorts niet zonder belang dat verweerder in zijn besluit van 3 januari 2011 eiseres heeft geïnformeerd dat de Beleidsregel Participatie en Burgerschap 2007-2010 aan het eind van het jaar afloopt en dat subsidies op basis van deze beleidsregel met ingang van 2012 eindigen. Eiseres kon dus rekening houden met de mogelijkheid dat in 2012 minder subsidie zou worden verleend.

Ter zitting is voorts gebleken dat eiseres in de periode van 4 oktober 2011 tot 1 januari 2012 stappen heeft kunnen nemen om haar activiteiten aan te passen aan de voor 2012 te verlenen subsidie. Eiseres heeft verklaard dat zij arbeidsovereenkomsten tijdig heeft kunnen opzeggen en dat zij de huurovereenkomst voor het door haar gehuurde pand tijdig heeft kunnen beëindigen.

Eiseres heeft verweerder bericht dat zij aanleiding ziet om zich op te heffen per 1 januari 2013. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar verkenningen om tot een doorstart voor haar activiteiten te komen geen resultaat hebben opgeleverd, zodat zij daadwerkelijk tot opheffing zal overgaan. Verweerder heeft de afbouwsubsidie toegekend voor de afwikkeling van de activiteiten van eiseres in de periode van 1 januari 2012 tot 1 september 2012.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in acht heeft genomen. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

11.

Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte in de afbouwsubsidie niet mede een bedrag heeft opgenomen voor de door haar te betalen wachtgelden voor de ontslagen medewerkers. In dit verband heeft eiseres verwezen naar haar verplichtingen op grond van de CAO Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening.

12.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2003 (LJN: AF5004), kan worden afgeleid dat artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in beginsel niet zo ver uitstrekt dat op het subsidiërend orgaan de plicht rust een garantie te verstrekken voor wachtgeldverplichtingen die voortvloeien uit de beëindiging van de subsidierelatie.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dat in dit geval anders zou moeten zijn omdat verweerder verantwoordelijkheid op zich zou hebben genomen voor de wachtgeldverplichtingen van eiseres, bijvoorbeeld door invloed uit te oefenen op het aannamebeleid en de afgesloten arbeidsovereenkomsten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder bij eerdere subsidieverstrekkingen aan eiseres eisen heeft gesteld ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden van door eiseres aan te nemen personeel. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de betrokkenheid van de gemeente Rotterdam bij het aannemen van personeel voor haar organisatie, kan niet worden afgeleid dat verweerder verantwoordelijk kan worden gehouden voor wachtgeldverplichtingen. Uit de door eiseres overgelegde memo van 18 november 1999 blijkt slechts dat de heer M. Rensen, destijds senior medewerker bij de gemeente Rotterdam, advies heeft gegeven over een mogelijke invulling van de personele bezetting bij de oprichting van eiseres. Volgens de door eiseres overgelegde brief van 8 september 2012 van de heer A. van Trigt, destijds senior beleidsmedewerker bij de gemeente Rotterdam en thans penningmeester van eiseres, heeft de heer Rensen hem ten tijde van de oprichting van eiseres nadrukkelijk verzocht de gemeente Rotterdam te vertegenwoordigen bij de selectie en aanstelling van het personeel. Verweerder heeft dit weersproken, omdat hem uit onderzoek is gebleken dat de heer Van Trigt alleen op persoonlijke titel en niet namens de gemeente Rotterdam betrokken is geweest bij (alleen) de selectieprocedure van het personeel van eiseres ten tijde van de oprichting. Gelet hierop kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de heer Van Trigt de gemeente Rotterdam heeft vertegenwoordigd bij het aannamebeleid van eiseres. Voorts kan uit de brief van de heer Van Trigt niet worden afgeleid dat de gemeente Rotterdam betrokken was bij en verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de overeengekomen arbeidsvoorwaarden.

Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd over de wachtgeldverplichtingen heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

13.

Het beroep is ongegrond.

14.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. A.M.E.A. Neuwahl, rechters, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.