Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:4482

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_02406 - AWB-13_03654
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bevel tot stopzetting van de exploitatie is gebaseerd op artikel 1.65, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (de Wet). Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door de toezichthouder geconstateerde overtredingen, in onderlinge samenhang bezien en mede gelet op de in het inspectierapport beschreven bevindingen in de daaraan voorafgaande periode, een dusdanig gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de kinderen op dat zich een spoedeisende situatie voordoet waarin direct, zonder een handhavingstraject door het college af te wachten, maatregelen moeten worden getroffen. De rechtbank concludeert dat de directeur van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond (GGD) in redelijkheid zijn bevoegdheid om een bevel als bedoeld in artikel 1.65, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet te geven, heeft gebruikt en het bevel tot stopzetting van de exploitatie op goede gronden heeft gegeven. Van handhaving uitsluitend op grond van de Beleidsregels, zoals in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is in dit geval geen sprake, nu de directeur van de GGD zijn bevoegdheid tot handhaving rechtstreeks aan de wet heeft ontleend. Beroepen van eiseres zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 12/2406 en ROT 13/3654

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2013 in de zaak tussen

[eiseres], handelend onder de naam kinderdagverblijf [naam], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Pols,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het college), verweerder,

gemachtigde: mr. K.I. Siem.

en in de zaak tussen

[eiseres], handelend onder de naam kinderdagverblijf [naam], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Pols,

en

de directeur van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond (de directeur van de GGD), verweerder,

gemachtigde: mr. K.I. Siem.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2011 (primair besluit I) hebben de toezichthouders kinderopvang [naam] en [naam] namens de directeur van de GGD eiseres het bevel gegeven om de exploitatie van het kinderdagverblijf ‘[naam]’, gevestigd aan de [adres] (het kinderdagverblijf), per direct stop te zetten. Voorts is daarin aan eiseres meegedeeld dat het bevel eindigt op 22 september 2011.

Bij besluit van 4 mei 2012 (bestreden besluit I) heeft de directeur van de GGD het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 september 2011 (primair besluit II) heeft de directeur van de GGD namens het college de geldigheidsduur van het bevel met twee weken, tot en met 5 oktober 2011, verlengd.

Bij besluit van 4 mei 2012 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 1 juni 2012 beroep ingesteld. Bij brief van 3 juli 2012 heeft eiseres de beroepsgronden aangevuld.

Het college en de directeur van de GGD hebben een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nadere reactie toegezonden.

Het college en de directeur van de GGD hebben een nadere reactie ingezonden.

Beide zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 21 maart 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Zowel het college als de directeur van de GGD hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door de volgende medewerkers van de Afdeling Toezicht en Handhaving Kinderopvang van de GGD: N.W.M. Vlaar, hoofd, drs. S.A.J. ten Berge, juridisch adviseur, drs. S.M.V. Wilkens, toezichthouder en J.H.A.M. Akkermans, juridisch medewerker.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep tegen bestreden besluit I

1.1. Op grond van artikel 6:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd. Op grond van het eerste artikellid, aanhef en onder c, van de Awb wordt het bezwaar- en beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht.

1.2. Eiseres heeft bij het inleidend beroepschrift geen afschrift van bestreden besluit I overgelegd en dit besluit evenmin uitdrukkelijk omschreven. Het beroepschrift vermeldt enkel het kenmerk van bestreden besluit II (A.B.2011.4.12389MJ) en niet het kenmerk van bestreden besluit I (12.0717). Anders dan het college en de directeur van de GGD ziet de rechtbank hierin geen reden om het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de eis van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ertoe buiten twijfel te stellen tegen welk besluit of welke besluiten het bezwaar of beroep zich richt. In dit geval wordt in het inleidend beroepschrift verwezen naar zowel het primaire besluit I van 15 september 2011 strekkende tot stopzetting van de exploitatie (waarop het bestreden besluit I is gevolgd) als naar het primaire besluit II van 21 september 2011, strekkende tot verlenging van het exploitatieverbod (waarop het bestreden besluit II is gevolgd). Deze verwijzing naar beide primaire besluiten maakt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het inleidend beroepschrift van eiseres niet alleen is gericht tegen (de (handhaving van) het besluit tot verlenging van het bevel tot stopzetting bij bestreden besluit II, maar ook tegen (de handhaving van) het bevel tot stopzetting van de exploitatie bij bestreden besluit I. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de gronden van het beroep, hoewel deze pas na het verstrijken van de beroepstermijn zijn ingediend, ook enkel en alleen tegen de stopzetting van de exploitatie zijn gericht. Nu het inleidend beroepschrift tevens tegen bestreden besluit I is gericht, is dit tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk.

Het beroep tegen bestreden besluit I

2.1. Vanaf juni 2010 tot 1 februari 2012 was eiseres op de locatie [adres] houder van een kindercentrum in de zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (de Wet).

2.2. Op 25 augustus 2011 heeft de GGD tijdens een (incidentele) inspectie van het kinderdagverblijf diverse tekortkomingen geconstateerd, waarna een handhavingstraject is ingezet. In dit verband heeft verweerder eiseres op 25 augustus 2011 in de gelegenheid gesteld om binnen een week een plan van aanpak op te stellen waaruit blijkt op welke wijze eiseres de geconstateerde overtredingen heeft opgelost. Daarbij is eiseres erop gewezen dat zij er per direct voor dient te zorgen dat het kinderdagverblijf voldoet aan de zogenoemde beroepskracht-kind-ratio (de BKR) en is zij erop gewezen dat de GGD regelmatig inspectiebezoeken zal afleggen om te controleren of eiseres zich aan deze afspraken houdt. Op 26 augustus 2011 heeft eiseres een plan van aanpak bij de GGD ingediend. De GGD heeft in augustus en in september 2011 een achttal (onaangekondigde) inspecties op het kinderdagverblijf uitgevoerd.

2.3. De bevindingen van deze inspecties zijn neergelegd in een rapport van de GGD dat op 8 september 2011 in concept aan eiseres is toegezonden. Op 12 september 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres, de locatiemanager van het kinderdagverblijf, [naam], en [naam] en [naam] namens de Afdeling Toezicht en Handhaving Kinderopvang van de GGD (de toezichthouder). Tijdens dat gesprek is aangegeven dat de toezichthouder onvoldoende verbetering in de situatie zag en dat is afgesproken dat eiseres twee weken de tijd zou krijgen om een stabiel team te formeren.

2.4. Tijdens de inspectie van de toezichthouder op 15 september 2011, welke inspectie als doel had te controleren of er inmiddels werd voldaan aan de hiervoor vermelde afspraken, was volgens de toezichthouder sprake van overtredingen en leverde de aangetroffen situatie een zodanig gevaar voor de veiligheid en de gezondheid op dat het treffen van maatregelen geen uitstel kon lijden, reden waarom de directeur van de GGD bij primair besluit I de exploitatie van het kinderdagverblijf per direct (per 15 september 2011) heeft stopgezet. In dit besluit is tevens vermeld welke twee maatregelen (1. het bieden van een gezonde, veilige en pedagogisch verantwoorde omgeving en 2. het zorgdragen voor voldoende gekwalificeerd personeel en materieel en een zorgvuldige verantwoordelijkheidstoedeling) eiseres dient te treffen om ervoor te zorgen dat het bevel tot stopzetting wordt opgeheven.

2.5. Aan de verlenging van het bevel tot stopzetting tot en met 5 oktober 2011 bij primair besluit II heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat eiseres heeft voldaan aan alle in het bevel opgelegde maatregelen.

2.6. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres een extern adviseur, mevrouw L. Hecbert, ingeschakeld om het personeel te trainen en te begeleiden in de uitvoering van het pedagogisch beleid. Op 28 september 2011 heeft tussen eiseres en de toezichthouder een gesprek plaatsgevonden. Op 29 september 2011 heeft eiseres een plan van aanpak van de extern adviseur toegezonden aan de toezichthouder en voorts aanvullende informatie verstrekt.

2.7. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft de directeur van de GGD het bevel tot stopzetting met ingang van 3 oktober 2011 beëindigd en aan eiseres een schriftelijke aanwijzing gegeven.

2.8. Bij de bestreden besluiten zijn, conform het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam van 5 april 2012, de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten I en II in stand gelaten. Blijkens het advies van de commissie is daarbij in aanmerking genomen dat bij het opleggen van een exploitatieverbod beoordeeld dient te worden of uit het inspectierapport blijkt van ernstige overtredingen die een onmiddellijke sluiting rechtvaardigen en of de tekortkomingen niet op korte termijn kunnen worden hersteld. Het niet voldoen aan het vereiste van het hebben van een duidelijk pedagogisch beleid en aan de beroepskracht-kind-ratio betreffen zeer ernstige overtredingen die een risico vormden voor de veiligheid en de gezondheid van de in het kinderdagverblijf verblijvende kinderen. De gemachtigde van de directeur van de GGD heeft opgemerkt dat dit de eerste keer is dat de directeur een dergelijk bevel heeft gegeven. Zij heeft erop gewezen dat het een discretionaire bevoegdheid van de directeur van de GGD betreft, die mag worden gebruikt in situaties waarin volgens de directeur niet aan de in artikel 1.50, eerste lid, van de Wet neergelegde open norm is voldaan.

3.

In beroep stelt eiseres dat de directeur van de GGD niet op grond van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (de Beleidsregels) de bevoegdheid toekwam om te handhaven, omdat deze Beleidsregels niet zijn aan te merken als wettelijke voorschriften in de zin van de Awb. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2011 (LJN: BU8881). Verder stelt eiseres dat er onvoldoende concrete omstandigheden waren die een onmiddellijke sluiting van het kinderdagverblijf op grond van artikel 1.65, derde lid, van de Wet en de daarin neergelegde open normen rechtvaardigden. Eiseres verwijst in dit verband naar een notitie van L. Hecbert van 7 februari 2012, een verklaring van Vlaspolder-Van der Stap, I. Forsthovel en R. Voorn. Eiseres stelt dat er bij het kinderdagverblijf niet een dusdanig acute en voor de gezondheid en het welzijn van de kinderen ernstige situatie was dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kon lijden.

4.1.

Van toepassing is de Wet zoals deze luidt vanaf 1 augustus 2010.

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet wordt in dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen verstaan onder houder: de rechtspersoon of natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau exploiteert.

Artikel 1.49, eerste lid, van de Wet bepaalt dat een houder van een kindercentrum verantwoorde kinderopvang aanbiedt waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.

Op grond van artikel 1.50, eerste lid, van de Wet organiseert de houder van een kindercentrum de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen.

Op grond van het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

  1. . de veiligheid en de gezondheid;

  2. . de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen;

  3. . de inzet van beroepskrachten in opleiding;

  4. . het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;

  5. . de groepsgrootte;

  6. . het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;

  7. . de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;

  8. . de beschikbare ruimte voor kinderen.

Op grond van artikel 1.51 van de Wet voert de houder van een kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder van het kindercentrum legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich brengt.

Artikel 1.57a van de Wet bepaalt, voor zover van belang, dat onze minister beleidsregels kan stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49 en 1.50, eerste, derde, vierde, en vijfde lid.

Artikel 1.61, eerste lid, van de Wet bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders toeziet op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.

Op grond van artikel 1.65, derde lid, onder a, van de Wet, voor zover van belang, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven aan een kindercentrum indien hij oordeelt dat de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden.

4.2.

In de praktijk verrichten de ambtenaren van de GGD te Rotterdam de toezichthoudende taken. Deze gebruiken de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (Beleidsregels) bij de uitvoering van de toezichtwerkzaamheden alsmede de Nalevingsstrategie kwaliteit kinderopvang Gemeente Rotterdam 2011 (Nalevingsstrategie) van januari 2011. In hoofdstuk 4, pagina 7 en 8 van de Nalevingsstrategie, is vermeld dat het uitgangspunt bij overtredingen handhaving is en dat handhaving inhoudt eerst een juridische stap van het geven van een aanwijzing en daaraan voorafgaand in bijzondere gevallen een schriftelijke waarschuwing. Een bevel wordt aangemerkt als een herstellende sanctie die in spoedeisende gevallen door de toezichthouder (de GGD) direct tijdens een inspectie kan worden ingezet.

5.1.

Het bevel tot stopzetting van de exploitatie van het kinderdagverblijf van eiseres is gebaseerd op artikel 1.65, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet. Uit de Wet en de daarbij behorende wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 447, nr. 3, o.a. p. 31 tot en met 33 en p. 86 tot en met 89) volgt dat de wetgever het college van burgemeester en wethouders (het college) heeft aangewezen als het bestuursorgaan dat toeziet op de naleving van de voor kindercentra geldende kwaliteitseisen. In dat kader heeft de wetgever het college een aantal bevoegdheden gegeven, waaronder de bevoegdheid om aanwijzingen te geven, zoals bedoeld in artikel 1.65, eerste lid, van de Wet, en de bevoegdheid om te verbieden dat de exploitatie van een kindercentrum wordt voortgezet, zoals bedoeld in artikel 1.66, eerste lid, van de Wet. Daarnaast heeft de wetgever in artikel 1.65, derde lid, van de Wet de bevoegdheid gecreëerd om in spoedeisende gevallen een bevel te geven. Deze bevoegdheid is toegekend aan de directeur van de GGD. De directeur van de GGD kan op grond van artikel 1.65, derde lid, van de Wet enkel van deze bevoegdheid gebruik maken indien de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Uit de tekst van deze bepaling en uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2002, 28447, nr. 3, p. 89) leidt de rechtbank af dat deze bevoegdheid aan de directeur van de GGD is toegekend, zodat hij kan optreden indien hij bij een kindercentrum een zodanige situatie aantreft, bijvoorbeeld omdat de veiligheid of de gezondheid van de kinderen in het geding is, dat onmiddellijk optreden geboden is en niet kan worden gewacht totdat het college een handhavingsbesluit heeft genomen.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Daartoe acht zij de navolgende feiten en omstandigheden van belang. De toezichthouders [naam] en [naam] hebben namens de directeur van de GGD in primair besluit I geconcludeerd dat de door hen aangetroffen situatie in het kindercentrum van eiseres aan de [adres] een zodanig gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de opgevangen kinderen oplevert dat het treffen van maatregelen volgens hen geen uitstel kan lijden. Het gevaar wordt volgens hen veroorzaakt door:

“- Er is geen stabiel team van vaste pedagogisch medewerkers waardoor de kinderen met steeds wisselende gezichten te maken hebben. Dit speelt al vanaf eind juni 2011. De vaste medewerkers die nog wel aanwezig zijn, zijn overbelast en blijken niet meer in staat sturing te geven aan nieuwe collega’s en uitzendkrachten. Hierdoor ontstaan gevaarlijke situaties omdat aanwezige pedagogisch medewerkers onbekend zijn met de kinderen en het programma op het kinderdagverblijf. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van uitzendkrachten en er zijn vaak sollicitanten aanwezig die meedraaien op de groep. In de afgelopen 3 weken hebben er 2 medewerkers hun contract opgezegd en heeft 1 nieuw aangenomen medewerker afgezien van het contract voordat zij haar werkzaamheden aanving.

  • -

    De samenstelling van groepen is niet constant gedurende de dag, dit komt door het samenvoegen van de groepen aan het begin en het einde van de dag en vaak ook tussen de middag.

  • -

    In situaties waarbij er maar 1 pedagogisch medewerker op de box aanwezig is, worden de pedagogisch medewerkers op de Kroontjesgroep extra belast doordat zij regelmatig spullen of eten moeten gaan brengen naar de box. Tevens moeten zij de beroepskracht op de box afwisselen als deze naar het toilet moet omdat er geen volwassenen toilet op de box aanwezig is.

  • -

    Er is een basis dagschema echter in de praktijk is er geen tijd voor ontwikkelingsstimulerende activiteiten. De activiteiten zijn eenzijdig en bestrijken weinig ontwikkelingsgebieden. Tijdens de bezoeken is nooit gezien dat er een gerichte activiteit met de kinderen ondernomen werd. Bij navraag blijkt dat er uitsluitend vrij spel, boekje lezen, liedjes zingen en indien de samenstelling van de groep het toelaat, buiten spelen aan activiteiten geboden wordt.

  • -

    Het wordt de pedagogisch medewerkers onmogelijk gemaakt, vanwege het ontbreken van de benodigde randvoorwaarden, om uitvoering te geven aan het pedagogisch beleidsplan. Er wordt geen emotionele veiligheid geboden en de persoonlijke en sociale competenties worden niet gestimuleerd.

De volgende gevaren zijn aanwezig:

  • -

    In zowel de binnen- als de buitenruimte zijn diverse gevaarlijke situaties aangetroffen. Een aantal hiervan is reeds opgelost, maar dit geldt nog niet voor alles. Bijvoorbeeld de gevaarlijke trap, het speelhuisje en de scheef en los liggende tegels op het plein.

  • -

    De inrichting van de groepsruimte bij de Kroontjes: er zijn geen speelhoeken gedefinieerd en er is onvoldoende geschikt materiaal voor activiteiten. Er is weinig materiaal voor verschillende ontwikkelingsgebieden en het aanwezige materiaal is vaak in slechte conditie.

  • -

    Omdat er door de onstabiele situatie geen of weinig aandacht aan de kinderen kan worden besteed, is de kans op ongelukken of bijna ongelukken groot. Zie hiervoor de voorbeelden van de appel die in te grote stukken wordt gesneden of een kind dat aan de aandacht ontsnapt en van de trap afvalt.”

5.3.

Ter zitting heeft Vlaar namens de (directeur van de) toezichthouder desgevraagd verklaard dat volgens hem de kern van het probleem bij het kindercentrum aan de Boezemstraat 450 was dat er sturing ontbrak (“eiseres had het niet in de hand”), waardoor volgens hem de kans op ongelukken en op bijna-ongelukken dusdanig groot was dat het treffen van maatregelen geen uitstel kon lijden. Het samenspel aan aangetroffen incidenten en overtredingen was voor de toezichthouder de aanleiding om het onderhavige bevel tot stopzetting te geven. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de toezichthouder voor wat betreft de ernst van de op 15 september 2011 bij het kindercentrum aangetroffen overtredingen, zoals hiervoor weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze door de toezichthouder geconstateerde overtredingen, in onderlinge samenhang bezien en mede gelet op de in het inspectierapport beschreven bevindingen in de daaraan voorafgaande periode, een dusdanig gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de kinderen op dat zich een spoedeisende situatie voordoet waarin direct, zonder een handhavingtraject door het college af te wachten, maatregelen moeten worden getroffen.

6.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de directeur van de GGD in redelijkheid zijn bevoegdheid om een bevel als bedoeld in artikel 1.65, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet te geven, heeft gebruikt en het bevel tot stopzetting van de exploitatie op goede gronden heeft gegeven. Van handhaving uitsluitend op grond van de Beleidsregels, zoals in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is in dit geval geen sprake, nu de directeur van de GGD zijn bevoegdheid tot handhaving rechtstreeks aan de wet heeft ontleend.

7.

Voor zover eiseres, door verwijzing naar andere kinderdagverblijven in Rotterdam, zoals [naam], [naam] en [naam] waar maatregelen moesten worden getroffen maar waarbij volgens eiseres door de directeur van de GGD geen bevel tot stopzetting is gegeven, een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit niet. Verweerder heeft gesteld dat bij die andere kinderdagverblijven de betreffende houders direct na de eerste controlebezoeken door de toezichthouder effectieve maatregelen hebben getroffen, bijvoorbeeld door het inschakelen van professionele externe pedagogische adviseurs. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.

Het beroep tegen het bestreden besluit II

8.

Namens eiseres is ter zitting bevestigd dat haar gronden met name zijn gericht tegen het bestreden besluit I. Het bestreden besluit II kan volgens eiseres, nu het op dat besluit voortbouwt, evenmin in stand blijven. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen het bestreden besluit II aangevoerd. Nu eiseres niet heeft betwist dat zij ten tijde van het nemen van bestreden besluit II niet had voldaan aan alle in het bevel opgelegde maatregelen is de rechtbank van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit I is overwogen, dat het college in redelijkheid besluit II heeft kunnen nemen.

9.

De beroepen zijn ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. J.M.M. Bancken, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.