Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:4273

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
09-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_2767AWB-12_02767
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2079, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieaanvraag gedeeltelijk toegewezen. Subsidieaanvraag afgewezen voor de kosten die zijn verbonden aan de wachtgelden.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2007 (LJN: BA9276) volgt dat artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in beginsel niet zover strekt dat op het subsidiërend orgaan de plicht rust een garantie te verstrekken voor wachtgeldverplichtingen die voortvloeien uit de beëindiging van de subsidierelatie. Dit zou anders kunnen zijn indien de subsidieverstrekker invloed heeft gehad op de aanstelling van personeel en daarmee de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de wachtgeldverplichtingen. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat sprake was van een dermate grote invloed op de aanstelling van personeel bij eiseres dat verweerder verantwoordelijkheid is gaan dragen voor de wachtgeldverplichtingen van eiseres. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/2767

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juni 2013 in de zaak tussen

[naam] , te[plaats], eiseres,

gemachtigde:[naam],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres van 25 november 2011 voor een bijdrage in de afbouwkosten ter hoogte van

[bedrag](bestaande uit [bedrag] loonkosten gedurende de wettelijke opzegtermijn en wachtgeldkosten van [bedrag]) gehonoreerd tot een bedrag van [bedrag]maximaal.

Bij besluit van 16 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard ten aanzien van de subsidie voor loonkosten gedurende de opzegtermijn en het primaire besluit in zoverre gewijzigd dat de subsidieverlening met [bedrag] wordt verhoogd. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door E. Kentie-Verbakel.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De langdurige structurele subsidierelatie die sinds de jaren ’70 bestond tussen verweerder en de afdeling van eiseres te Rotterdam wordt met ingang van het jaar 2013 beëindigd. Per 1 mei 2012 heeft de afdeling in dat kader een doorstart gemaakt van een door betaalde stafmedewerkers ondersteunde organisatie naar een vrijwilligersorganisatie. Drie stafmedewerkers, die respectievelijk 25, 21 en 11 jaar in dienst waren van eiseres, zijn per 1 april en 1 mei 2012 ontslagen. Zij zullen gebruik maken van een wachtgeldregeling op grond van de toepasselijke CAO Welzijn, waarbij de WW-uitkering wordt aangevuld. De twee oudste medewerkers krijgen aansluitend een overbruggingsuitkering tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

Eiseres heeft voor het jaar 2012 bij verweerder een subsidie voor loonkosten gevraagd over de opzegtermijnen van de stafmedewerkers alsmede een subsidie voor de kosten die zijn verbonden aan de wachtgelden. Deze aanvraag is door verweerder slechts gedeeltelijk toegewezen, namelijk niet voor zover deze kosten de wachtgeldregeling betreffen.

2.

Verweerder is van opvatting dat op grond van de jurisprudentie er voor hem geen verplichting bestaat wachtgelden te financieren. In beginsel is de werkgever/subsidie-ontvanger en niet de subsidieverstrekker verantwoordelijk voor wachtgelden en andere uit de CAO voortvloeiende verplichtingen. Dit zou slechts anders zijn als de subsidieverstrekker invloed heeft gehad op de aanstelling van personeel en daarmee de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de wachtgeldverplichtingen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen invloed heeft gehad op de aanstelling van de thans ontslagen personeelsleden en derhalve op de hier aan de orde zijnde wachtgeldverplichtingen. Sinds 1991 wordt eiseres gesubsidieerd met een budgetsubsidie en heeft verweerder geen invloed meer (als dat in het verleden al wel het geval is geweest) op de arbeidsvoorwaarden van eiseres. Dat in 1991 en ook daarna arbeidsvoorwaarden werden vastgesteld en gesubsidieerd aan de hand van bindende collectieve regelingen blijkt niet uit de stukken. De afhankelijkheid van subsidies om beroepskrachten in dienst te houden vormt geen grond tot een verplichting om wachtgeldverplichtingen te subsidiëren. Eiseres had volgens verweerder reserveringen kunnen aanleggen om eventuele werkgeversverplichtingen te kunnen voldoen.

3.

Eiseres kan zich met dit standpunt niet verenigen. Zij meent dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet berust op een redelijke afweging van belangen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Op de stelling van eiseres dat verweerder tot in 1991 beslissende invloed heeft gehad op de arbeidsvoorwaarden, heeft verweerder niet gereageerd. Verweerder heeft niet onderzocht welke voorwaarden in de voorgaande jaren voor de subsidieverlening op dit punt golden en of hieruit enige gehoudenheid tot het vergoeden van wachtgeldaanspraken zou kunnen zijn ontstaan. Het belang van eiseres om na het ontslag van de medewerkers een omschakeling te kunnen maken naar een vrijwilligersorganisatie zonder langlopende zeer aanzienlijke personeelslasten uit het verleden, is niet meegewogen. Eiseres acht de beslissing innerlijk tegenstrijdig, omdat enerzijds elke aanspraak op vergoeding van wachtgeldverplichtingen wordt afgewezen, maar anderzijds wel wordt voorgesteld om de ontstane problemen gezamenlijk op te lossen.

Aan artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de van toepassing zijnde jurisprudentie wordt een onjuiste uitleg gegeven. Ten onrechte wordt overwogen dat een verplichting tot het vergoeden van wachtgelden alleen zou kunnen ontstaan indien de subsidiegever beslissende invloed heeft gehad op de feitelijke aanstelling van de betreffende personeelsleden. Van eiseres kon niet worden verwacht dat zij reserveringen aanlegde voor eventuele toekomstige wachtgeldverplichtingen. Tot 2011 was onvoorspelbaar dat dergelijke verplichtingen zouden ontstaan en welke omvang die zouden hebben. Daarbij zou een dergelijke reservering een onevenredig groot beslag hebben gelegd op de middelen die bestemd waren voor de activiteiten van eiseres. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres een aantal brieven overgelegd.

4.

De rechtbank constateert dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de afwijzing van de subsidie voor de wachtgeldkosten. De rechtbank zal zich in haar beoordeling hiertoe beperken.

5.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2007 (LJN: BA9276) volgt dat artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in beginsel niet zover strekt dat op het subsidiërend orgaan de plicht rust een garantie te verstrekken voor wachtgeldverplichtingen die voortvloeien uit de beëindiging van de subsidierelatie. Dit zou anders kunnen zijn indien de subsidieverstrekker invloed heeft gehad op de aanstelling van personeel en daarmee de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de wachtgeldverplichtingen.

Op grond van artikel 11, eerste lid, onder c, van de Verordening algemene subsidievoorwaarden (geldig met ingang van 1 januari 1980 en geldend ten tijde van de indiensttreding van de werknemer met de langste dienstjaren) geldt, als een meerjarige subsidie mede aan de hand van de personeelslasten wordt berekend, voor de instelling de voorwaarde dat de goedkeuring van burgemeester en wethouders is vereist voor arbeidsvoorwaardenregelingen voor het personeel of groepen van het personeel, behalve indien deze regelingen zijn vastgesteld in een collectieve arbeidsovereenkomst of krachtens de artikelen 5 en 6 van de Wet op de loonvorming, dan wel zijn goedgekeurd of vastgesteld door de Rijksoverheid.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat[eiseres] in de tachtiger jaren van de vorige eeuw de arbeidsvoorwaarden heeft voorgelegd aan verweerder, zodat aangenomen kan worden dat verweerder daarop enige invloed kan hebben gehad. Uit de stukken kan echter niet worden afgeleid dat verweerder besliste over de aanstelling van personeel bij eiseres. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat verweerder een dermate grote invloed had op de aanstelling van personeel bij eiseres, dat hij verantwoordelijkheid is gaan dragen voor de wachtgeldverplichtingen van eiseres. In dit verband komt mede betekenis toe aan het feit dat verweerder op grond van de destijds geldende subsidieverordening arbeidsvoorwaardenregelingen niet behoefde goed te keuren voor zover deze in een collectieve arbeidsovereenkomst waren vastgelegd.

Uit de stukken komt voorts niet naar voren dat verweerder als subsidieverstrekker heeft toegezegd eventuele wachtgeldverplichtingen voor zijn rekening te nemen, dan wel dat hij anderszins verwachtingen heeft gewekt dat hij dit zou doen.

6.

Voor het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig of deugdelijk gemotiveerd zou zijn acht de rechtbank geen grond aanwezig. Ook hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd kan niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

7.

Op grond van het hiervoor overwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.