Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:3093

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
10-660439-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van ontvoering van een vrouw met als doel losgeld te vragen aan haar familie, voor verboden wapenbezit en voor witwassen. Om het slachtoffer schrik aan te jagen hebben verdachte en zijn mededader een vuurwapen, een demper en munitie gebruikt en is het slachtoffer met het vuurwapen in het gezicht geslagen. Daarnaast heeft verdachte door oplichting verkregen geldbedragen ten eigen bate aangewend en zo witgewassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Straf 3

parketnummer: 10/660439-12

[Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]

thans verblijvende: PI De Dordtse Poorten te Dordrecht,

hierna: verdachte.

Raadsman mr. A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 april 2013 waarbij de officier van justitie mr. G. Sannes, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden.

Feit 2: in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen een wapen voorhanden heeft gehad.

Feit 3: in de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen een geluiddemper en munitie voorhanden heeft gehad.

Feit 4: in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel althans in Nederland een zitbank, een dressoir, een salontafel, een eethoek, een bed, een auto, een hond, een tv-kast en/of een of meer geldbedragen van in totaal 17.350 euro in Nederland heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie acht verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verantwoordelijk voor het met geweld en onder bedreiging van geweld van de vrijheid beroven en beroofd houden van aangeefster[benadeelde partij] (hierna aangeefster).

Daarbij hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen met een demper en munitie gebruikt en aldus voorhanden gehad. Voorts heeft verdachte valselijk [medeverdachte 2] € 17.350,- afhandig gemaakt en vervolgens feitelijk over dat geld beschikt en dat geld deels omgezet in goederen.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 baseert de officier van justitie zich op de aangifte, de verklaring van getuige Zijlmans, de vijfde verklaring van verdachte, de eerste, tweede en vijfde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], de processen-verbaal van bevindingen met volgnummers 5, 7 en 41 en het wapenrapport.

Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op de vierde en vijfde verklaring van [medeverdachte 2], de vijfde verklaring van verdachte en de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 4 omdat uit het dossier niet valt te herleiden hoe het witwassen zou zijn gebeurd. Het geld dat is overgemaakt dan wel gegeven is, zou zijn gebruikt om de gokschuld van [medeverdachte 2] in te lossen. Daarbij komt, volgens de raadsman, dat de goederen deels eigendom zijn van [getuige 3].

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Motivering bewezenverklaarde

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De rechtbank volstaat met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 met een opsomming van de bewijsmiddelen, omdat verdachte dit feit heeft bekend en de situatie van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet. Dat verdachte stelt dat hij om andere redenen tot zijn handelen is gekomen, doet hier niet aan af.

Feit 1:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

  • -

    Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-1, opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende de verklaring van [benadeelde partij];

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 april 2013.

Feit 2:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

  • -

    Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-1, opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij];

  • -

    Een omschrijvingsproces-verbaal Wet Wapens en Munitie d.d. 10 oktober 2012 met proces-verbaalnummer 2012498720 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720, inhoudende het relaas van verbalisanten dan wel een van hen;

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 april 2013.

Feit 3:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

  • -

    Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-1, opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij];

  • -

    Een omschrijvingsproces-verbaal Wet Wapens en Munitie d.d. 10 oktober 2012 met proces-verbaalnummer 2012498720 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720, inhoudende het relaas van verbalisanten dan wel een van hen;

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 april 2013.

Feit 4:

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-37 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]:

[naam] bracht mij op een gegeven moment in contact met ene [verdachte] uit Rotterdam. Ik ben toen samen met [naam] naar [verdachte] gegaan. De jongens hadden het over dat zij geld nodig hadden om een kluis ergens open te kraken waar zwart geld in zou liggen. Als dat zou lukken zou ik mijn geld terug krijgen. Dat met die kluis was niet gelukt want die jongens waren opgepakt en daarom was ik mijn geld kwijt. Ik heb in die periode [verdachte] meerdere malen contant geld gegeven, dat waren verschillende bedragen. Ik kan nakijken op mijn rekening wanneer en hoeveel dat allemaal geweest is.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 30 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-57 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]:

Ik heb [naam] (de rechtbank begrijpt: [naam]) verteld dat ik geld geërfd had van mijn tante en iedereen binnen het gezin 20.000 euro had.

Ik heb [naam] gevraagd of we iets samen zouden kunnen gaan doen. Ik heb verteld dat ik geld had. Het idee kwam, als ik [naam] geld zou geven, zo’n 300-400 euro, dan zou [naam] pillen gaan halen. Ik heb hem geld gegeven. De pillen zijn ook allemaal verkocht. Maar ik heb er geen winst op gemaakt. Ik zou nog geld van [naam] terug krijgen. In de zomervakantie belde [naam] dat hij een oplossing had. Dan zou hij mijn geld terug geven. Hij vertelde dat hij 2600 euro nodig had van mij, er was een heel plan. Als ik dat geld aan [naam] zou geven, zou inleggen, dan zou ik aan het eind van de week mijn geld terugkrijgen. Ik heb 2600 gegeven. Daarna begon weer het gekloot. [naam] zei dat hij nog 350 euro extra nodig had. Het geld moest naar Rotterdam gebracht worden. Ik heb [naam] ook 350 euro gegeven. Ik ben toen met [naam] en een vriend van hem naar Capelle aan den IJssel gereden, eerst naar het station en daarna naar de wijk Schollevaar. [naam] heeft het geld aan [verdachte] gegeven, zij zijn gaan rondlopen en wij hebben een paar uur gewacht op het nieuws. [naam] werd gebeld met het bericht "Wat ze ook van plan waren, ze zijn opgepakt". Ongeveer een maand hierna belde [naam]: "ze zijn vrij, goed nieuws". Wat ze van plan waren, ze zouden kampers van een woonwagenkamp met contant geld overvallen. Ze hadden het er ook over dat het mislukt was. Ze waren opgepakt en hadden een maand gezeten. Het nieuwe plan was, dat er een huis in Capelle was waar kampers wonen en in dat huis stond een kluis. Het bedrag wat in die kluis zou liggen, zou 150.000 euro bedragen. Eigenlijk iedere keer als het plan was om het huis te overvallen, was er wel iets waarom het niet door ging. Ze hadden meer geld nodig en andere wapens. De persoon die daar binnen in zat, wilde geld vooraf hebben, als hij dan de kluis zou leeg halen. Er was steeds een reden, waarom het niet doorging maar er moest wel steeds meer geld naar hun toe. Geld van mij dan.

Om hoeveel geld gaat het?

Er is ongeveer 19000 euro van mijn bankrekening in twee a drie weken tijd van mij naar hun gegaan. Dat was voor dat project om dat huis te overvallen en wat daar voor nodig was. Ik heb toen ook naar anderen geld overgemaakt op rekening. Twee keer naar ene [getuige 1] en één keer naar ene [getuige 2]. Ik heb 13000 euro contant van de bank afgehaald en aan de jongens gegeven. Eerst dus aan [naam], die 2600 en 350 euro, de rest in contant heb ik aan [verdachte] in persoon afgegeven.

[verdachte] had mij overtuigd dat [naam] dingen moeilijker maakte en mij belazerd had. Vanaf dat moment was ik ervan overtuigd dat [naam] mij oplichtte.

Wanneer wist jij dat je met [verdachte] te maken had?

Die avond in Schollevaar denk ik, maar ik heb hem toen niet gesproken of een hand geschud. Ik heb hem pas gesproken na zijn vrijlating. Ik weet de datum niet meer. Toen ben ik weer met hem, via [naam], in contact gekomen. Ik ben toen ook bij [verdachte] thuis geweest. Althans we hebben rondjes gelopen in de omgeving van zijn huis. En toen werd ook dat plan besproken om die woning met die kluis te overvallen. Dit speelde zich in één week af. Op verzoek van [verdachte] ben ik een keer alleen naar Capelle aan den IJssel gegaan. Toen heeft [verdachte] mij overtuigd wat ik al zei dat [naam] mij belazerde en geld van mij achterhield. Ik vertrouwde [verdachte] en dat hij het goed met me voor had. Ik ben op een zaterdag bij [verdachte] geweest. Er was meer geld nodig voor wapens, maar ik zat met mijn rekening. Ik heb toen ook geld overgemaakt op rekening aan [getuige 1] en later ook op rekening naar [getuige 2].

Het geld naar [getuige 1] heb ik gestort op haar bankrekening. U zegt mij eenmaal 1700 euro en eenmaal 600 euro.

Dat klopt.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 26 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-55 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van [getuige 1]

Heb jij wel eens geld gestort gekregen op je bankrekening wat niet voor jou was?

Ja dat klopt. Ongeveer 2 maanden geleden zei [verdachte] tegen mij dat hij wat geld op mijn rekening had gestort. Hij vroeg mij of ik dit geld voor hem eraf wilde halen. Ik heb dit toen ook gedaan. Ik weet niet meer hoeveel geld dit was maar het was meer dan 1000 euro. Ik heb dit toen aan [verdachte] gegeven. Ik zag toen wel dat dit geld van ene van Dijk af kwam.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 30 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-54 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van [getuige 2]:

Je hebt een gunst verleend aan [verdachte] wat was dat?

Hij vroeg mij of hij op mijn rekening mocht storten omdat zijn rekening geblokkeerd was. Die [medeverdachte 2] waar hij mee opgepakt is, zou geld op mijn rekening storten en dat is dan ook gebeurd. Het was een geldbedrag van 5000 euro.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2012 met proces-verbaalnummer: PL17F0 201249872-0-58 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte:

[naam] had contact met [medeverdachte 2]. Ze hadden contact met elkaar vanuit school. [naam] wist op een gegeven moment dingen over [medeverdachte 2]. [naam] belde mij op.

(..)

Wat met dat meid en die jongen is gebeurd. Hij is afgegaan op verhalen die er niet waren, het was complete onzin. Hij is een andere dimensie beland. Ik heb [medeverdachte 2] gemanipuleerd.

[verdachte], hoeveel geld heb jij hier aan overgehouden? Hoe zit het met de meubels, de hond en de auto?

Die zijn daar van betaald. Dat geld is afkomstig van [medeverdachte 2]

De auto was 1250,-. De hond kostte 500,-. De meubels waren eethoek, de salontafel, tv kast, de banken en het bed waren bij elkaar ongeveer 3.150,- euro bij elkaar.

Het totale geld bij [medeverdachte 2] op zijn rekening was 22.000,- euro.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 29 oktober 2012 met proces-verbaalnummer PL17F0 2012498720-56 opgenomen als bijlage in het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond met proces-verbaalnummer 2012498720 inhoudende – zakelijk weergegeven - de verklaring van [getuige 3]:

Sinds wanneer hebben jullie de nieuw spullen zoals: het dressoir, de bank, de salontafel, eethoek en het bed wat er nog aankomt of inmiddels is?

Sinds 16 oktober; althans toen heb ik het dressoir, salontafel en de eettafel binnen gekregen. We hebben ze in september 2012 besteld.

Door wie zijn deze meubels gekocht?

Door [verdachte].

Hoe is dat gegaan?

Wij zaten op internet te kijken en toen vroeg [verdachte]: "vind je dit mooi?" Toen zei ik "ja" en later zei hij tegen mij dat hij het had gekocht.

Op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met anderen opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden en daarbij een vuurwapen met demper en munitie voorhanden heeft gehad. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meubels, een auto, een hond en geld heeft witgewassen.

Nadere bewijsmotivering witwassen

De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met een ander [medeverdachte 2] heeft opgelicht en dat hij aldus in totaal een bedrag van € 17.350,- heeft ontvangen. [medeverdachte 2] heeft namelijk € 10.050,- in contanten aan verdachte gegeven. Tevens heeft [medeverdachte 2] € 1.700,- en € 600,- op de bankrekening van [getuige 1] en € 5.000,- op de bankrekening van [getuige 2] gestort. Ook dat geld is naar verdachte gegaan. Wat er verder ook zij van de voorgestelde wijze waarop dit geld besteed zou worden, [medeverdachte 2] was in de veronderstelling dat hij op enig moment al zijn geld terug zou krijgen en dit is hem ook beloofd door verdachte en zijn mededader. Uit de verklaringen van verdachte en zijn partner [getuige 3] volgt echter dat verdachte van dit geld onder meer een eethoek, een salontafel, een dressoir, een tv-kast, een bank, een bed, een auto en een hond heeft gekocht. Door het kopen van genoemde voorwerpen heeft verdachte gebruik gemaakt van een gedeelte van het tenlastegelegde geld. Verdachte heeft tevens de genoemde voorwerpen omgezet, verworven en er gebruik van gemaakt. Het overige gedeelte van het geld heeft verdachte op enig moment voorhanden gehad. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Door verdachte en zijn raadsman is betoogd dat verdachte dit geld heeft ontvangen van [medeverdachte 2] om zijn speelschulden af te betalen. Hoewel verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting expliciet is gewezen op de omstandigheid dat deze voorstelling van zaken niet wordt ondersteund door het procesdossier, heeft verdachte volhard in zijn weigering om dit standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door te benoemen aan wie [medeverdachte 2] deze speelschulden zou hebben en hoe deze afbetaald moesten worden. In het licht van het procesdossier, in het bijzonder de sms-berichten tussen verdachte, [medeverdachte 2] en andere betrokkenen over contante opnames die [medeverdachte 2] van bestaande of daarvoor aangevraagde rekeningen moest doen en het aan verdachte afstaan van bankpassen en pincodes, gaat de rechtbank uit van de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd over de betalingen aan verdachte en passeert zij de lezing van verdachte als onaannemelijk. De verweren hieromtrent worden verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor onder 4.3.1 vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

-die[benadeelde partij] bij haar bovenarm beetgepakt en/of (vervolgens) die[benadeelde partij] meegetrokken en/of (vervolgens) die[benadeelde partij] laten instappen in een personenauto (Alfa Romeo, rood van kleur) en/of (vervolgens) met die personenauto rondgereden en/of (vervolgens) met die[benadeelde partij] gelopen en/of

-(daarbij) meermalen, althans eenmaal een vuurwapen gericht op, althans dreigend getoond aan die[benadeelde partij] en/of die[benadeelde partij] (met kracht) in haar gezicht geslagen en/of die[benadeelde partij] dreigende woorden toegevoegd,

en dusdoende die[benadeelde partij] gedurende enige tijd heeft hebben belet te gaan waarheen

die[benadeelde partij] wilde;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, model 70, kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten 5 kogelpatronen, kaliber 7,65 mm

voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2012 te

Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten

een zitbank en/of een dressoir en/of een salontafel en/of een eethoek en/of

een bed en/of een auto en/of een hond en/of een tv-kast en/of één of meer

geldbedrag(en) van in totaal 17.350 euro,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of van

dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat

bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK IEMAND WEDERRECHTELIJK VAN DE VRIJHEID BEROVEN EN BEROOFD HOUDEN;

2.

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

3.

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE:

EN

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

4 WITWASSEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

De rapport van de deskundige

Uit het door drs. J.J. van der Weele, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 22 januari 2013 komt- zakelijk weergegeven- onder meer naar voren:

In geval van betrokkene is geen sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Wel kan gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling, met daarbij een persoonlijkheid waarin tenminste antisociale trekken kunnen worden onderkend. Dit was ook het geval ten tijde van het tenlastegelegde.

Betrokkene heeft voldoende besef van wettelijke kaders. Zijn vermogen om zich ook conform dit besef te gedragen is echter duidelijk minder dan gemiddeld genomen het geval is. Hij heeft dit als kind ook nooit geleerd, integendeel.

Betrokkene kan als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Ondanks de beperkingen in zijn opvoeding is er voor hem wel nog steeds de keuze om al dan niet tot strafbare feiten over te gaan. De drempel om tot een verkeerde keuze te komen is in geval van verdachte evenwel aanmerkelijk lager dan gemiddeld genomen het geval is.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling bij het Dok of De Waag, zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte, hoewel hij verschillende verklaringen heeft afgelegd, eerlijk is geweest over zijn rol met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het vuurwapen met munitie en demper. Tevens heeft de raadsman naar voren gebracht dat er moet worden uitgegaan van het verhaal over de gokschuld, hetgeen de feiten 1, 2 en 3 iets minder ernstig maakt.

De raadsman heeft verzocht de duur van de gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist is, aanzienlijk te matigen. Daarbij heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de spijtbetuiging van verdachte, het rapport van de psychiater en het advies van de reclassering dat verdachte hulp nodig heeft bij zijn alcoholprobleem, de samenloop van de feiten, de verzochte vrijspraak van feit 4 en de strafeis in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2].

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering van een onschuldige vrouw met, naar het zich laat aanzien, als doel losgeld te vragen aan haar familie of op andere wijze geld aan haar ontvoering over te houden. Om het slachtoffer schrik aan te jagen hebben verdachte en zijn mededader een vuurwapen, een demper en munitie gebruikt en heeft verdachte het slachtoffer met het vuurwapen in het gezicht geslagen. Dat de ontvoering slechts één dag heeft geduurd, is niet aan verdachte te danken. Verdachte en een van zijn mededaders hadden al een kelderbox met tape afgeplakt zodat het slachtoffer daar kon verblijven.

Daarbij komt dat verdachte over langere periode heeft toegewerkt naar deze ontvoering. Hij heeft door listige manipulatie de stiefbroer van het slachtoffer grote geldbedragen afhandig gemaakt en hem zover gekregen dat hij mee heeft gewerkt aan de ontvoering van zijn stiefzus.

Blijkens haar slachtofferverklaring is deze gebeurtenis een zeer traumatische ervaring geweest voor het slachtoffer en heeft het gebeuren een enorme impact op haar en haar familie. Daarnaast mag worden aangenomen dat een dergelijk feit de samenleving schokt en heeft bijgedragen aan de in de samenleving levende onveiligheidsgevoelens.

Verdachte heeft diverse, niet met elkaar in overeenstemming te brengen verklaringen afgelegd over het motief en de details van de ontvoering. Daarmee geconfronteerd heeft verdachte ervoor gekozen te blijven bij een voorstelling van zaken die niet ondersteund wordt door het procesdossier en door hem niet onderbouwd is met enig controleerbare feitelijkheid. Nog daargelaten dat verdachte daarmee over zich heeft afgeroepen dat hij overkomt als een fantast, kan de rechtbank slechts constateren dat verdachte niet ten volle verantwoording heeft willen afleggen voor wat niet anders gezien kan worden dan een zeer ernstig feitencomplex. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren als uitgangspunt. Zij neemt in strafverzwarende zin mee dat verdachte een leidende rol heeft gehad in de ontvoering. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van meerdaadse samenloop.

Voor wat betreft de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 12 maart 2013, het voornoemde rapport van de psycholoog Van der Weele en het rapport van Reclassering Nederland d.d. 14 februari 2013.

Blijkens het strafblad van verdachte is hij in 2004 eerder veroordeeld voor een ontvoering. Nu dit langer is dan vijf jaar geleden, zal de rechtbank dit niet als strafverzwarende omstandigheid meetellen.

Zoals eerder overwogen in dit vonnis zullen de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal dit dan ook opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient om verdachte ertoe te zetten in de toekomst niet nog eens strafbare feiten te plegen.

De door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden zal de rechtbank niet opleggen, omdat zij geen verband ziet tussen de door de reclassering geconstateerde (alcohol)problematiek en het bewezenverklaarde. Wel zal zij, gelet op de oudere recidive, bepalen dat de proeftijd geldt voor de duur van drie jaren.

8 De vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [benadeelde partij]. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van totaal

€ 2.739,61 plus wettelijke rente, bestaande uit € 739,61 aan materiële schade en € 2000 aan immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel, al dan niet hoofdelijk, kan worden toegewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de hoogte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de materiële als de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit en acht verdachte en zijn medeverdachten aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op de onwenselijkheid dat verdachte en zijn medeverdachten contact met elkaar hebben omtrent de betaling van de schadevergoeding, zal de rechtbank, in afwijking van wat gebruikelijk is, het toe te wijzen bedrag van € 2.739,61 delen door het aantal verdachten dat veroordeeld wordt voor het betreffende incident.

Aan verdachte zal daarom een betalingsverplichting en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd voor een bedrag van (€ 2.739,61: 3 verdachten =) € 913,21. De vervangende hechtenis, bij niet voldoening van de schadevergoedinsgmaatregel, bedraagt 18 dagen.

Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

9 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwerpen genoemd onder de nummers 4 tot en met 9 op de beslaglijst verbeurd zullen worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen voorwerpen tevens van de partner van verdachte, [getuige 3], zijn en dat de inbeslaggenomen voorwerpen terug dienen te worden gegeven aan de rechthebbende.

De rechtbank overweegt dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven meubels (nummers 4 tot en met 9 op de beslaglijst) vatbaar zijn voor verbeurdverklaring nu het hier gaat om voorwerpen die door middel van het onder 4 bewezenverklaarde feit zijn verkregen.

De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het verweer van de raadsman en zal bepalen dat deze voorwerpen verbeurd worden verklaard. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de financiële draagkracht van verdachte en vastgesteld dat daarin geen belemmering voor verbeurdverklaring is gelegen.

10 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 282 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de 13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van € 913,21 (negenhonderddertien euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over laatstgemeld bedrag vanaf 8 oktober 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] een bedrag van € 913,21(negenhonderddertien euro en eenentwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart verbeurd de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 tot en met 9.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. G.J. Schiffers-Hanssen en mr. M. van Kuilenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2013.

BIJLAGE: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

-die[benadeelde partij] bij haar bovenarm beetgepakt en/of (vervolgens) die[benadeelde partij] meegetrokken en/of (vervolgens) die[benadeelde partij] laten instappen in een personenauto (Alfa Romeo, rood van kleur) en/of (vervolgens) met die personenauto rondgereden en/of (vervolgens) met die[benadeelde partij] gelopen en/of

-(daarbij) meermalen, althans eenmaal een vuurwapen gericht op, althans dreigend getoond aan die[benadeelde partij] en/of die[benadeelde partij] (met kracht) in haar gezicht geslagen en/of die[benadeelde partij] dreigende woorden toegevoegd,

en dusdoende die[benadeelde partij] gedurende enige tijd heeft belet te gaan waarheen

die[benadeelde partij] wilde;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2012 tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, model 70, kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober tot en met 9 oktober 2012 te Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten 5 kogelpatronen, kaliber 7,65 mm

voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2012 te

Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten

een zitbank en/of een dressoir en/of een salontafel en/of een eethoek en/of

een bed en/of een auto en/of een hond en/of een tv kast en/of één of meer

geldbedrag(en) van in totaal 17.350 euro,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of van

dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,terwijl hij wist dat

bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;