Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:11268

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
10/811112-12 en 10/812172-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met anderen ontuchtige handelingen gepleegd met aangeefster, een meisje van veertien jaar oud, (mede) bestaande uit het binnendringen van het lichaam.

(..)Onder deze omstandigheden, te weten het verrichten of ondergaan van seksuele handelingen met en door meerdere jongens in een park, terwijl die handelingen worden gefilmd en later wordt gedreigd die film openbaar te maken, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van ontuchtige handelingen. Daaraan doet niet af, dat aangeefster en de verdachten onderling niet zo veel in leeftijd verschillen en ook niet dat zij met de medeverdachte een affectieve relatie (heeft ge)had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummers: 10/811112-12 + 10/812172-13

Datum uitspraak: 17 december 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2013 (ten aanzien van de zaak met parketnummer 10/812172-13 zulks op de voet van artikel 499 juncto artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering).

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder de parketnummer 10/811112-12 en onder parketnummer

10/812172-13 primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 135 dagen met aftrek
van voorarrest, waarvan 90 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als

bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam,

afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- met betrekking tot parketnummer 10/811112-12: toewijzing van de immateriële schade van

de benadeelde partij [aangeefster] tot een bedrag van € 500,-- met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel met een vervangende jeugddetentie voor de duur van 10 dagen

en voor het overige niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering;

- met betrekking tot parketnummer 10/812172-13: toewijzing van de materiële schade van

de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 200,-- met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel met een vervangende jeugddetentie voor de duur van 4 dagen

en voor het overige niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

10/811112-12

hij in of omstreeks de periode van maart 2012 tot en met 9 mei 2012 te

Schiedam, op een of meerdere tijdstippen in het Beatrixpark,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1998),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, in elk geval eenmaal, [telkens]

- zichzelf [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] doen pijpen

en/of

- [ door [medeverdachte 1]] met die [aangeefster] anaal sex hebben en/of tegen die [aangeefster]

oprijden en/of

- in de nabijheid van die [aangeefster] zich aftrekken door die [medeverdachte 2];

10/812172-13

(primair)

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Schiedam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning, gelegen aan [adres], uit een

kluis heeft weggenomen een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet

voor gebruik door verdachte en/of zijn mededader(s) bestemde kluissleutel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

10/811112-12

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

Aangeefster, een meisje van veertien jaar oud, heeft op 14 mei 2012 bij de politie aangifte gedaan van verkrachting, gepleegd in het Beatrixpark te Schiedam waarbij meerdere jongens aanwezig zijn geweest. Zij zou zijn bedreigd met messen. Zij kende één van de jongens ([medeverdachte 2]). De andere twee jongens kende ze niet. [medeverdachte 2] en verdachte zouden seks met haar hebben gehad en [medeverdachte 1] zou het hebben gefilmd.

Deze verkrachting zou zijn gepleegd op 1 of 2 mei 2012.

Op 30 september 2013 heeft aangeefster in haar verklaring bij de rechter-commissaris herhaald dat er weliswaar sprake is geweest van seks met meerdere jongens in het Beatrixpark te Schiedam, maar dat er van verkrachting geen sprake is geweest. Ook is er geen sprake geweest van bedreiging met messen. In deze verklaring kent zij alle verdachten bij naam en zegt zij dat zij vaginale seks heeft gehad met [medeverdachte 1] en verdachte en juist niet met [medeverdachte 2]. Het filmpje zou gemaakt zijn door nog een andere jongen.

De rechtbank acht delen van de eerste verklaring (aangifte) onbetrouwbaar, nu aangeefster bij de rechter-commissaris zelf heeft aangegeven op belangrijke punten te hebben gelogen. De rechtbank acht delen van de rc-verklaring onbetrouwbaar, omdat zij daar – anders dan in haar aangifte – [medeverdachte 1] in plaats van haar vriendje [medeverdachte 2] beschuldigt van het hebben van seks. De rechtbank acht beide verklaringen wel betrouwbaar voor zover het ziet op haar verklaring dat zij in het Beatrixpark met en in het bijzijn van meerdere jongens op verschillende manieren (onder meer pijpen, vaginale seks) seks heeft gehad, welke handelingen zijn gefilmd. Immers, dat zij op verschillende wijze seks heeft gehad in het Beatrixpark in Schiedam met meerdere jongens en dat die seks is gefilmd hebben alle verdachten ook bevestigd. Uit de verklaring van de verdachten kan worden afgeleid, dat het niet éénmaal, maar meerdere keren is gebeurd.

Ontuchtig karakter

Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaar tegen het ondergaan van ernstige seksuele handelingen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, opzet of schuld daaromtrent is niet vereist. De bescherming van het slachtoffer staat centraal.

Onder omstandigheden kan aan zodanige handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken. Dat is het geval als het gaat om vrijwillig contact tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel een affectieve relatie hebben.

In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren waardoor het ontuchtig karakter aan de door de verdachte gepleegde handelingen is komen te vervallen. Daarbij is het volgende van belang.

De seks - die de verschillende verdachten in elkaars bijzijn met de aangeefster hebben gehad - bestaande onder meer uit zowel het zich laten pijpen, als het hebben van geslachtsgemeenschap, vond plaats in het Beatrixpark te Schiedam. Ten tijde van de seks waren de verdachten allen 15 jaar oud, de aangeefster 14 jaar.

Geen van de verdachten die toen seks met aangeefster hadden, had op dat moment een seksuele of affectieve relatie met de aangeefster. Aangeefster had met [medeverdachte 2] wel een affectieve relatie (gehad). Echter, uit de pingberichten, die zich in het dossier bevinden, blijkt dat [medeverdachte 2] haar aan de anderen aanbood voor het hebben van seks.

Er werden filmopnamen gemaakt van de door aangeefster verrichte seksuele handelingen en er werd mee gedreigd dat de filmpjes op You Tube zouden worden gezet.

Onder deze omstandigheden, te weten het verrichten of ondergaan van seksuele handelingen met en door meerdere jongens in een park, terwijl die handelingen worden gefilmd en later wordt gedreigd die film openbaar te maken, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van ontuchtige handelingen. Daaraan doet niet af, dat aangeefster en de verdachten onderling niet zo veel in leeftijd verschillen en ook niet dat zij met [medeverdachte 2] een affectieve relatie (heeft ge)had.

De rechtbank verwerpt daarom het door de raadsman gevoerde verweer omtrent (het ontbreken van) het ontuchtig karakter van de door de verdachte gepleegde handelingen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

10/811112-12

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd door twee of meer verenigde personen

10/812172-13

primair

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van valse sleutels, gepleegd door twee of meer verenigde personen

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING/MOTIVERING MAATREGEL

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen ontuchtige handelingen gepleegd met aangeefster, een meisje van veertien jaar oud, (mede) bestaande uit het binnendringen van het lichaam. Deze ontuchtige handelingen vonden plaats tussen de bosjes van het Beatrixpark te Schiedam waar aangeefster op meerdere tijdstippen en bij en met meerdere verdachten achter elkaar en zelfs gelijktijdig seksuele handelingen heeft verricht, bestaande uit pijpen en/of het hebben van anale en/of vaginale seks en/of aftrekken. Hiervan zijn bovendien filmopnamen gemaakt, welke filmopnamen medeverdachte [medeverdachte 2], waar aangeefster op dat moment een relatie mee had, gedreigd heeft openbaar te maken. Verdachte heeft zich daarbij slechts laten leiden door zijn eigen lusten, zonder zich te bekommeren om het meisje. Dit heeft een grote impact gehad op aangeefster, zoals ook blijkt uit het voegingsformulier benadeelde partij van aangeefster en het ‘terugkoppelformulier schriftelijke slachtofferverklaring en spreekrecht’ van 27 november 2013 waaruit blijkt dat aangeefster afziet van de gebruikmaking van het spreekrecht en de indiening van een schriftelijke slachtofferverklaring omdat aangeefster emotioneel niet in staat is om nogmaals over het gebeurde en de gevolgen daarvan voor haar te praten.

Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen hier nog jarenlang hinder van ondervinden.

Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander, [medeverdachte 3], een geldbedrag weggenomen uit de kluis van de stiefvader van [medeverdachte 3] waarna dit onder de andere aanwezigen is verdeeld. De verdachte is degene geweest die op zoek is gegaan naar de betreffende kluis en de sleutel van de kluis. Toen de kluis eenmaal open was, heeft hij samen met [medeverdachte 3] het geld uit de kluis gehaald en verdeeld. Dergelijke diefstallen leveren veel ergernis, overlast en materiële schade op voor de betrokken aangever en bovendien hebben de verdachte en [medeverdachte 3] het vertrouwen dat de stiefvader in zijn stiefdochter en in de door haar binnen gelaten vrienden mocht hebben, ernstig geschonden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 november 2013 reeds eerder is veroordeeld strafbare feiten.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen het rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 1 juni 2012, 1 maart 2013, 19 juni 2013, 8 juli 2013 en 14 november 2013 (inclusief het daarbij gevoegde Plan van Aanpak ondertoezichtstelling). De raad concludeert dat het civielrechtelijk ingrijpen dient te prevaleren boven het strafrechtelijk ingrijpen. Indien de rechtbank besluit een straf op te leggen, adviseert de raad de oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen en voorschriften van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte mee moet werken aan plaatsingen in residentiële settingen waar men ervaring heeft met autismespectrum problematiek en waar men een gedragsmatig georiënteerde vorm van behandeling kan bieden.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia van 17 november 2012 van drs. A.C.J. Schrama, GZ-psycholoog/orthopedagoog. Hierin rapporteert de psycholoog dat er bij de verdachte sprake is van een gedragsstoornis NAO en dat er symptomen zijn die duiden op een stoornis in het autismespectrum, zonder dat precies is aan te geven om welke stoornis dit gaat. De psycholoog adviseert de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Voorts adviseert de psycholoog de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met een proeftijd waarbij de verdachte – naar de rechtbank begrijpt in de vorm van een bijzondere voorwaarde – zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van de maatregel hulp en steun. Tevens adviseert de psycholoog Multi System Therapy (MST) als bijzondere voorwaarde op te leggen. In het verlengde van de MST kunnen eventueel nog specifieke trainingen worden opgelegd, afhankelijk van de resultaten van de behandeling. Hierbij valt te denken aan de training Slachtoffer in Beeld.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies en adviezen over in zoverre dat zij aanleiding ziet de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat hetgeen in de ruim een jaar oude psychologische rapportage staat vermeld inmiddels achterhaald zou zijn. Wel ziet zij in voornoemde conclusies en adviezen aanleiding een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaar. Aan deze proeftijd zal worden verbonden de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal het op te leggen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

10/811112-12

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangeefster], wonende te[adres]. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 535,-- en immateriële schade tot een bedrag van € 5.500,--. Tevens vordert de benadeelde partij de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schademaatregel.

Materiële schade

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de geleden materiële schade (afgeperste sieraden en geld) is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder parketnummer 10/811112-12 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de geleden immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit, dat door de verdachte is gepleegd. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op de algemene ervaringsregels worden vastgesteld op € 500,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 1 maart 2012. Ten aanzien van de overige € 5.000,-- zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard nu de rechtbank van oordeel is dat de beoordeling van de overige gevorderde immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10/812172-13

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangever], wonende te [adres]. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 13.061,76.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit, dat door de verdachte is gepleegd.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van € 150,-- voor de vervanging van de kluis is de rechtbank van oordeel dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde strafbare feit, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot de overige gevorderde vergoeding van de geleden materiële schade - € 111,76 voor nieuwe sloten en € 12.800,-- aan uit de kluis weggenomen contant geld - is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van deze overige gevorderde materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za 77aa, 77gg, 245, 248 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/811112-12 en onder parketnummer 10/812172-13 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 135 (honderdvijfendertig) dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde:

- zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen
van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarde en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

10/811112-12

wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], wonende te [adres] ten aanzien van de immateriële schade toe tot een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [aangeefster] te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [aangeefster] ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart de benadeelde partij [aangeefster] ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster] te betalen € 500,-- (vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

10/812172-13

wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te [adres], wonende te [adres], toe tot een bedrag van € 150,-- (honderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [aangever] te betalen;

verklaart de benadeelde partij [aangever], wonende te [adres], ten aanzien van de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever] te betalen € 150,-- (honderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. van Driel en A.A.J. de Nijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2013.

Bijlage bij vonnis van 17 december 2013:

TEKST TENLASTELEGGINGEN.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

10/811112-12

hij in of omstreeks de periode van maart 2012 tot en met 9 mei 2012 te

Schiedam, op een of meerdere tijdstippen in het Beatrixpark,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1998),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, in elk geval eenmaal, [telkens]

- zichzelf [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] doen pijpen

en/of

- [ door [medeverdachte 1]] met die [aangeefster] anaal sex hebben en/of tegen die [aangeefster]

oprijden en/of

- in de nabijheid van die [aangeefster] zich aftrekken door die [medeverdachte 2];

art 242 Wetboek van Strafrecht

10/812172-13

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Schiedam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres], uit een

kluis heeft weggenomen een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet

voor gebruik door verdachte en/of zijn mededader(s) bestemde kluissleutel;

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Schiedam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een groot geldbedrag, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf,

te weten door het uitgedeeld krijgen van (een gedeelte van) dat geldbedrag,

onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Schiedam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een groot

geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) kunnen vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

(Artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht