Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
ROT 13/5227
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3712, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres bij een grondige vergelijking tussen de vreemdeling 2 en de foto op het Franse paspoort tot de conclusie had moeten komen dat de vreemdeling die voor haar stond, niet dezelfde persoon was als op de foto in het Franse paspoort. De rechtbank neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat sprake is van een “look alike” paspoort, hetgeen impliceert dat de op de foto in het paspoort afgebeelde persoon en de vreemdeling erg op elkaar moeten lijken. In de tweede plaats hecht de rechtbank betekenis aan de omstandigheid dat meerdere personen en instanties de documenten van de vreemdeling 2 hebben gecontroleerd en geen van hen heeft geconstateerd dat de op de foto in het paspoort afgebeelde persoon en de vreemdeling niet dezelfde persoon zijn. De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat het in al die gevallen ging om louter administratieve controles. Met name bij de controles die voorafgaande aan de diverse tewerkstellingen en door een medewerker van het UWV in het kader van de WW-aanvraag door de vreemdeling 2 zijn uitgevoerd is het aannemelijk dat dit gebeurd is aan de hand van vergelijking van (de foto op) het paspoort met de vreemdeling in persoon. Dat de inspecteurs, die getraind zijn om onrechtmatigheden op te sporen en bovendien van te voren een signaal hadden gekregen dat er meerdere personen gebruik maakte van het BSN-nummer van E, wel hebben ontdekt dat vreemdeling 2 niet degene was voor wie hij zich uitgaf, maakt dit niet anders. Uit vorenstaande feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de verschillen niet dermate evident waren, dat eiseres dienaangaande volledig verwijtbaar is geweest. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ten aanzien van de vreemdeling 2 opgelegde boete voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav te matigen met 50% tot een bedrag van € 4.000,-.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de totale hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 13.500,- (één maal € 8.000,- en één maal

€ 4.000,- vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav en één maal € 1.500,- vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen, geldigheid: 2014-03-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/49

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 13/5227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2013 in de zaak tussen

[bedrijf 1] B.V., te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.A. Huisman.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van in totaal € 17.500,- (twee maal € 8.000,- vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en één maal € 1.500,- vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav).

Bij besluit van 22 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 15 november 2013 en 2 december 2013 nadere reacties ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. Namens eiseres zijn Y.S. [naam directeur] en E. [D.] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Volgens een op 25 januari 2013 gedateerd boeterapport hebben vier

arbeidsinspecteurs ten aanzien van eiseres het volgende geconstateerd.

Op 23 mei 2012 hebben de arbeidsinspecteurs een administratief onderzoek ingesteld bij eiseres, waaruit is gebleken dat eiseres de vreemdeling van Turkse nationaliteit [naam] (hierna: de vreemdeling 1) op dat moment uitzond als werknemer. Tevens troffen de arbeidsinspecteurs in de administratie een kopie aan van een Frans paspoort, op naam van J.B. [E.] (hierna: [E.]). Op het veiligheidspaspoort op naam van [E.] zagen zij een foto van een persoon, waarvan het gezicht niet overeenkwam met het gezicht van de persoon op de foto in het Franse paspoort. “[E.]” was op dat moment aan [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) uitgeleend.

Uit onderzoek door de vreemdelingenpolitie is gebleken dat “[E.]” in werkelijkheid A.A. [O.] (hierna: de vreemdeling 2) heet en de Kameroense nationaliteit bezit. Uit het administratieve onderzoek bleek verder dat de vreemdeling 2, onder de valse naam [E.], gedurende de periode van 4 november 2011 tot en met 25 mei 2012 als uitzendkracht in loondienst is geweest bij eiseres en dat hij in die periode is uitgezonden naar verschillende opdrachtgevers. Tevens is uit dit onderzoek gebleken dat de vreemdeling 1 per 23 januari 2012 in dienst was getreden bij [zusterbedrijf] B.V. (hierna: [zusterbedrijf]) en in de weken 4 tot en met 18 van 2012 was uitgeleend aan eiseres.

Op 25 mei 2012 hebben de arbeidsinspecteurs een bezoek afgelegd aan de onderneming [bedrijf 3] B.V. De vreemdeling 2 is op die datum gehoord als getuige. De vreemdeling 1 is niet gehoord als getuige.

Van de vreemdelingen zijn geen afschriften van identiteitsdocumenten in de administratie van eiseres aangetroffen. Er is niet gebleken dat door eiseres onverwijld afschriften van geldige identiteitsdocumenten van de vreemdelingen zijn verzonden naar [bedrijf 2]. Uit navraag bij het UWV WERKbedrijf is gebleken dat eiseres niet in het bezit was van de vereiste tewerkstellingsvergunningen.

Op 10 juli 2012 is [naam directeur] (hierna: [naam directeur]), directeur en enig aandeelhouder van [moederbedrijf] B.V. (bestuurder van [zusterbedrijf] en van eiseres), gehoord als overtreder. Hij heeft, nadat de arbeidsinspecteurs hem hadden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, in tegenwoordigheid van bedrijfsleider E. [D.], onder meer het volgende verklaard. Identiteitscontrole vindt plaats aan de hand van originele identiteitsbewijzen, door te kijken naar de geldigheidsdatum en de opmerkingen op een verblijfsvergunning. Buiten het identiteitsbewijs wordt gevraagd om een sofinummer en het veiligheidspaspoort. Het personeel heeft geen opleidingen gehad ten behoeve van het controleren van de identiteitsbewijzen op echtheid en heeft geen blauwe lamp of andere hulpmiddelen ter beschikking om een controle van identiteitsbewijzen uit te voeren. De blauwe lamp is inmiddels besteld en een boek waarin alle voorkomende identiteitsbewijzen als voorbeeld staan afgebeeld (het WID-boek) zal ook worden besteld. [naam directeur] is bekend met de Wav. De vreemdeling1 heeft de Turkse nationaliteit, een Belgische verblijfsvergunning en een Nederlands sofinummer. Of hij mocht werken is nagevraagd bij het UWV, de Belastingdienst en de IND. De Belastingdienst gaf uiteindelijk aan dat de vreemdeling mocht werken, omdat hij een Nederlands sofinummer had en een sticker in zijn paspoort had waarop stond dat arbeid vrij was. Nadat de vreemdeling 1 voor de eerste keer in dienst kwam - van 1 juni 2010 tot 11 juli 2010 bij eiseres - is niet meer gelet op de geldigheidsduur van de sticker in zijn paspoort (28 augustus 2010). De tweede keer kwam hij op 21 maart 2011 in dienst van eiseres, tot 22 januari 2012. Op 23 januari 2012 is de vreemdeling 1 in dienst gekomen van [zusterbedrijf], tot 6 mei 2012, waarna hij weer in dienst is gekomen van eiseres. [zusterbedrijf] heeft eiseres gefactureerd voor de werkzaamheden die de vreemdeling 1 in de weken 4 tot en met 18 van 2012 heeft verricht. Het was bij de inschrijving van de vreemdeling 2 niet opgevallen dat de foto op het veiligheidspaspoort verschilde van de foto op het Franse paspoort. Hij toonde alle noodzakelijke documenten. Van hem is een kopie van het Franse paspoort, het sofi-nummer, het VCA-certificaat en het veiligheidspaspoort naar opdrachtgever [bedrijf 2] verzonden. Eiseres heeft geen extra voordeel gehad van de arbeid van de vreemdelingen. Zij hebben een goed loon gehad en alle belastingen en premies zijn afgedragen. Eiseres heeft te goeder trouw gehandeld en had niet de opzet overtredingen te begaan, aldus [naam directeur].

Op 17 augustus 2012 hebben de arbeidsinspecteurs een administratief onderzoek ingesteld bij [bedrijf 2] en hebben zij P. [B.], directeur van [bedrijf 2], gehoord als getuige. Hij heeft onder meer verklaard dat [bedrijf 2] gebruik maakt van het uitzendbureau van eiseres. In het kader van de identiteitscontrole bij van een uitzendbureau ingeleende werknemers wil [bedrijf 2] voor aanvang van het werk kopieën van identiteitsbewijzen, verblijfsdocumenten, VCA-certificaten en, indien noodzakelijk, tewerkstellingsvergunningen op kantoor hebben. De werknemers komen volgens [B.] niet op kantoor voor een identiteitscontrole. Zij melden zich op de eerste dag op de werklocatie en daar wordt door de klant van [bedrijf 2] een identiteitscontrole uitgevoerd. Dit gebeurt door gespecialiseerd beveiligingspersoneel. De vreemdeling 1 heeft voor [bedrijf 2] gewerkt als constructieschilder. Binnen [bedrijf 2] was de vreemdeling 2 bekend onder de naam [E.], niet als [O.], en hij heeft werkzaamheden als constructieschilder uitgevoerd, aldus [B.].

1.2.

Bij brief van 3 april 2013 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het voornemen om eiseres een boete op te leggen van in totaal € 20.500,- (€ 16.000,- vanwege twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav, € 3.000,- vanwege twee overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav en € 1.500,- vanwege overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav). Eiseres heeft bij brief van 15 april 2013 haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen en daarin overwogen dat, in afwijking van het voornemen, ten aanzien van de vreemdeling 1 geen boete zal worden opgelegd vanwege overtreding van artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wav.

1.3.

Eiseres heeft bij brief van 14 mei 2013 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 1 juli 2013 is eiseres op haar bezwaar gehoord. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2.1.

Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Op grond van het derde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, kunnen overtredingen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Op grond van artikel 5:41 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

Op grond van het tweede lid van dat artikel stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

2.2.

Op grond van artikel 1, aanhef, sub b, onder 1˚, en sub c, van de Wav wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

b. werkgever:

1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;

c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Op grond van het tweede lid van dat artikel is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wav draagt de werkgever, indien hij door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk wordt verricht bij een andere werkgever, er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav, voor zover thans van belang, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15.

Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wav wordt namens verweerder de bestuurlijke boete opgelegd aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.

Op grond van artikel 19d, derde lid, van de Wav - zoals dat luidde tot

1 januari 2013 en voor zover thans van belang - stelt verweerder beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld.

2.3.

Op grond van artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 - geldig ten tijde van de overtredingen - wordt bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Blijkens de Tarieflijst hanteerde verweerder ten tijde van belang voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav een boetebedrag van telkens € 8.000,- en voor overtreding van artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wav een boetebedrag van telkens
€ 1.500,-.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 kan waar sprake is van een overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen, de bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid.

Op grond van het tweede lid wordt geen boete opgelegd indien de werkgever heeft aangetoond dat hem geen enkel verwijt gemaakt kan worden voor de geconstateerde overtreding.

3.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld.

Eiseres betwist niet dat zij de vreemdelingen 1 en 2 te werk heeft gesteld. Eiseres betwist ook niet dat zij heeft nagelaten om er voor aanvang van de arbeid door de vreemdeling 2 zorg voor te dragen dat de opdrachtgevers een afschrift van een geldig identiteitsdocument van de vreemdeling 2 zouden ontvangen. De overtredingen staan daarmee vast. Het is volgens vaste jurisprudentie de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van de Wav worden nageleefd. Op het verblijfsdocument van de vreemdeling 1 staat duidelijk vermeld dat hij de Turkse nationaliteit heeft en de verblijfsaantekening in zijn paspoort was geldig tot 28 augustus 2010. Eiseres wist dat de verblijfaantekening beperkt geldig was, maar heeft desondanks geen maatregelen genomen om te voorkomen dat de vreemdeling 1 tewerk zou worden gesteld zonder de juiste verblijfsaantekening dan wel tewerkstellingsvergunning. Niet is gebleken dat eiseres al het mogelijke heeft gedaan om overtreding van de Wav te voorkomen. Dat eiseres voorafgaand aan de tewerkstelling informatie heeft ingewonnen bij de Belastingdienst en de vreemdeling 1 heeft ontslagen op het moment dat zij vernam dat hij niet mocht werken, doet niet af aan de gepleegde overtreding. Bij een grondige vergelijking tussen de vreemdeling 2 en de foto op het Franse paspoort had eiseres tot de conclusie moeten komen dat de vreemdeling die voor haar stond, niet dezelfde persoon was als op de foto in het Franse paspoort, waarna het op haar weg had gelegen om nader onderzoek te doen. De omstandigheid dat eiseres voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit onder meer de belastingwetgeving, doet niet af aan de ernst en verwijtbaarheid van de overtredingen. Uit het boeterapport blijkt dat de vreemdelingen meer dan acht uur hebben gewerkt, zodat geen sprake was van kortdurende arbeid. De omstandigheid dat eiseres de boetes van haar ketenpartners doorbelast krijgt, noopt niet tot matiging van de boete. [zusterbedrijf] en eiseres zijn terecht als twee verschillende ondernemingen aangemerkt. Gelet op de door eiseres overgelegde stukken is verweerder van mening dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en dat eiseres daarom niet onevenredig hard geraakt wordt. Er zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd of ingetrokken, aldus verweerder.

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de vreemdelingen 1 en 2 te werk heeft gesteld zonder daarbij te beschikken over de vereiste tewerkstellingsvergunningen. Daarmee staat vast dat sprake is van twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav, waarvoor verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav gelezen in verbinding met artikel 19a, eerste lid, van de Wav bevoegd was een bestuurlijke boete op te leggen. Conform de Tarieflijst bedraagt de hoogte van de bestuurlijke boete € 16.000,-.

4.2.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat eiseres heeft nagelaten om er voor aanvang van de arbeid door de vreemdeling 2 zorg voor te dragen dat de opdrachtgevers een afschrift van een geldig identiteitsdocument van de vreemdeling 2 zouden ontvangen. Daarmee staat vast dat sprake is van een overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav, waarvoor verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav gelezen in verbinding met artikel 19a, eerste lid, van de Wav bevoegd was een bestuurlijke boete op te leggen. Conform de Tarieflijst bedraagt de hoogte van de bestuurlijke boete € 1.500,-.

4.3.

Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van dubbele beboeting, nu dezelfde boete is opgelegd aan [zusterbedrijf] en deze ondernemingen dezelfde bedrijfsomschrijving hebben, op hetzelfde adres zijn gevestigd en dezelfde bestuurder hebben. Gelet hierop is sprake van één onderneming. Verweerder focust volgens eiseres ten onrechte op de verschillende omschrijvingen van bedrijfsactiviteiten.

4.3.1.

In de uitspraak van 13 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4019) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) voor het antwoord op de vraag, of al dan niet sprake is van één en dezelfde onderneming, bepalend geacht of de vennootschappen volgens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel in verschillende jaren zijn opgericht en verschillende statutaire vestigingsplaatsen hebben, of zij verschillende handelsnamen voeren en of de ondernemingen verschillende bedrijfsomschrijvingen hebben. Dat de vennootschappen volgens de uittreksels dezelfde correspondentieadressen en daarmee ook dezelfde emailadressen hebben en sprake is van een bestuurlijke verwevenheid tussen de vennootschappen, vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om te oordelen, dat de vennootschappen als één bedrijf moeten worden beschouwd, aldus de Afdeling.

4.3.2.

De rechtbank stelt vast dat uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 23 mei 2012 volgt dat eiseres is opgericht op 15 februari 2006 en statutair is gevestigd in Rotterdam. Onder “activiteiten” staat vermeld dat het om een uitleenbureau gaat, dat zich bezighoudt met het detacheren van personeel. [moederbedrijf] B.V. is bestuurder en enig aandeelhouder.

Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 14 juni 2012 volgt dat [zusterbedrijf] is opgericht op 21 april 2010 en statutair is gevestigd in Rotterdam. Onder “activiteiten” staat vermeld “uitleenbureaus, arbeidsbemiddeling en niet-gespecialiseerde groothandel in niet-consumentenartikelen”. [zusterbedrijf] houdt zich bezig met het in- en uitlenen, detacheren, werven en selecteren van personeel, het aan- en onderaannemen van diverse projecten en de handel in diverse producten alsmede het im- en exporteren van deze producten. [moederbedrijf] B.V. is bestuurder en enig aandeelhouder.

4.3.3.

Nu alleen de statutaire zetel van beide ondernemingen en de bestuurder gelijk zijn, maar op de overige door de Afdeling van belang geachte punten significante verschillen bestaan, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van één en dezelfde onderneming. Van dubbele beboeting is daarom evenmin sprake. Verweerder was dan ook bevoegd zowel eiseres als [zusterbedrijf] een boete op te leggen.

4.4.

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de opgelegde boete evenredig is.

4.4.1.

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van verweerder. Verweerder moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, heeft verweerder beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient verweerder in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen als uitgangspunt.

4.4.2.

Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij bij de indiensttreding van de vreemdelingen 1 en 2 heeft voldaan aan haar zorgplicht door bij diverse instanties navraag te doen naar de vreemdeling en te onderzoeken of de vreemdelingen konden worden tewerkgesteld.

Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat het betoog van eiseres, dat zij voorafgaand aan de tewerkstelling van de vreemdelingen 1 en 2 informatie heeft ingewonnen bij de Belastingdienst, niet wordt gevolgd. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 14 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV8800), mag een werkgever niet afgaan op informatie van een instantie die niet verantwoordelijk is voor de afgifte van tewerkstellingsvergunningen en die controles verricht die niet zien op naleving van de Wav.

Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij heeft verklaard dat zij wist dat de verblijfsaantekening in het paspoort van de vreemdeling 1 maar geldig was tot 28 augustus 2010, maar desondanks geen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de vreemdeling te werk zou worden gesteld zonder de juiste verblijfsaantekening respectievelijk tewerkstellingsvergunning.

In zoverre heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien voor matiging van de boete.

4.4.3.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij door vreemdeling 2 vakkundig is misleid. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres bij een grondige vergelijking tussen de vreemdeling 2 en de foto op het Franse paspoort tot de conclusie had moeten komen dat de vreemdeling die voor haar stond, niet dezelfde persoon was als op de foto in het Franse paspoort.

De rechtbank neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat sprake is van een “look alike” paspoort, hetgeen impliceert dat de op de foto in het paspoort afgebeelde persoon en de vreemdeling erg op elkaar moeten lijken. In de tweede plaats hecht de rechtbank betekenis aan de omstandigheid dat meerdere personen en instanties de documenten van de vreemdeling 2 hebben gecontroleerd en geen van hen heeft geconstateerd dat de op de foto in het paspoort afgebeelde persoon en de vreemdeling niet dezelfde persoon zijn. De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat het in al die gevallen ging om louter administratieve controles. Met name bij de controles die voorafgaande aan de diverse tewerkstellingen en door een medewerker van het UWV in het kader van de WW-aanvraag door de vreemdeling 2 zijn uitgevoerd is het aannemelijk dat dit gebeurd is aan de hand van vergelijking van (de foto op) het paspoort met de vreemdeling in persoon. Dat de inspecteurs, die getraind zijn om onrechtmatigheden op te sporen en bovendien van te voren een signaal hadden gekregen dat er meerdere personen gebruik maakte van het BSN-nummer van [E.], wel hebben ontdekt dat vreemdeling 2 niet degene was voor wie hij zich uitgaf, maakt dit niet anders.

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de verschillen niet dermate evident waren, dat eiseres dienaangaande volledig verwijtbaar is geweest. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ten aanzien van de vreemdeling 2 opgelegde boete voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav te matigen met 50% tot een bedrag van € 4.000,-.

4.4.4.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat de dienstverbanden pas kort bestonden, alsmede dat zij door diverse bedrijven waar de vreemdelingen te werk zijn gesteld zal worden aangesproken voor eventuele opgelopen schade.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL3316), is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de opgelegde boete had dienen te worden gematigd omdat de werkzaamheden zodanig gering waren dat deze niet in verhouding staan tot de hoogte van de opgelegde boete, reeds omdat de vreemdelingen meerdere dagen werkzaamheden hebben verricht die behoren tot de normale bedrijfsvoering van eiseres dan wel haar opdrachtgever(s), alsmede dat de reden voor de beëindiging van de werkzaamheden door de vreemdeling 1 was gelegen in de controle die 23 mei 2012 plaatsvond.

In de uitspraak van 26 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:82) heeft de Afdeling overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 6, blz. 2-3) blijkt dat het, gelet op het ruime werkgeversbegrip in de Wav, mogelijk is om aan meer bedrijven in een keten boetes op te leggen. Dat de overige werkgevers de hun opgelegde boetes op eiseres zullen verhalen, noopt dan ook niet tot matiging van de aan eiseres opgelegde boete.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2554) oordeelt de rechtbank dat de omstandigheid dat eiseres de aan haar ketenpartner(s) opgelegde boete heeft voldaan of zal voldoen, geen aanleiding geeft de boete verder te matigen, omdat dat haar eigen keuze is (geweest) die voortvloeit uit zakelijke motieven passend binnen een normaal ondernemersrisico.

4.4.5.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 31 oktober 2012 (ECLI:NL: RVS:2012:BY1723) kan er reden bestaan voor matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.

De rechtbank stelt vast dat in beroep niet wordt opgekomen tegen de overweging in het bestreden besluit, dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Uit het vorenstaande volgt bovendien dat de keuze van eiseres om de aan haar ketenpartner(s) opgelegde boete te voldoen ook in dit verband geen rol kan spelen.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen onder 4.4.3 is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de totale hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 13.500,- (één maal € 8.000,- en één maal

€ 4.000,- vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav en één maal € 1.500,- vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav).

4.6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.888,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat de totale hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 13.500,-,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.888,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.