Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10886

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
ROT 13/4254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden die de vreemdeling heeft verricht wel zijn aan te merken als arbeid van marginale omvang. Uit de verklaring van de vreemdeling valt op te maken dat hij vier of vijf keer in de bakkerij heeft geholpen. Met uitzondering van 16 november 2012 is echter onduidelijk of dit is gebeurd terwijl eisers eigenaar waren van de bakkerij, of onder de oude eigenaar. In dit verband is van belang dat eisers nadrukkelijk hebben ontkend dat zij de vreemdeling kenden en dat een medewerker ter zitting heeft verklaard dat hij de vreemdeling al kende uit de periode dat de bakkerij in andere handen was. Voorts heeft de vreemdeling weliswaar “echte” bakkerswerkzaamheden uitgevoerd, maar niet kan worden vastgesteld dat deze structureel van aard waren. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om aan te sluiten bij jurisprudentie van de Afdeling, waarin sprake was van een eenmalige, incidentele, kortdurende, vriendendienst, die bestond uit marginale werkzaamheden waar geen vergoeding tegenover stond, met dien verstande dat de vreemdeling wel een vergoeding heeft ontvangen, te weten in de vorm van gratis brood. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de boete te matigen tot € 2.000,- maar tot € 4.000,-.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen, geldigheid: 2014-03-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/51

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 13/4254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2013 in de zaak tussen

E.H. [naam 1] en M. [naam 1], handelend als vertegenwoordigers van V.O.F. Bakkerij [bedrijf], te Rotterdam, eisers,

gemachtigde: mr. J.F. van Duin,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E. Tichelaar.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers een boete opgelegd van € 8.000,- vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij besluit van 24 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. E.H. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn M. [naam 1] en M. [naam 2] gehoord als getuigen.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eisers zijn sinds 24 mei 2012 vennoten in V.O.F. Bakkerij [bedrijf] (de bakkerij).

1.2.

Volgens een op 7 december 2012 gedateerd boeterapport hebben vier

arbeidsinspecteurs het volgende geconstateerd.

Op 16 november 2012 omstreeks 3.55 uur heeft een onderzoek plaatsgevonden bij de bakkerij en is de vreemdeling [naam vreemdeling] van Marokkaanse nationaliteit (de vreemdeling) werkend aangetroffen, zonder dat over een tewerkstellingsvergunning werd beschikt. De vreemdeling probeerde zich aan de controle te onttrekken door via een dakraam uit de bakkerij te klimmen. Hij was gekleed in een korte broek en een t-shirt en droeg slippers. Verder waren zijn kleding en handen besmeurd met deegresten.

De vreemdeling is op dezelfde datum gehoord als getuige en heeft onder meer het volgende verklaard. De vreemdeling kent de eigenaar Mohammed. Hij is Mohammed in de winkel tegengekomen, toen hij kwam vragen om brood. Mohammed gaf toen aan dat de vreemdeling naar de bakkerij kon komen om wat brood mee te nemen. De vreemdeling krijgt in ruil voor zijn hulp - die bestaat uit het plaatsen van het brood op de bakplaat en, als het klaar is, het brood elders neerleggen - één à twee keer per week gratis brood. Hij heeft nog nooit geld gekregen voor zijn hulp. Hij heeft vier of vijf keer meegeholpen, aldus de vreemdeling.

Op 21 november 2012 is E.H. [naam 1] gehoord als overtreder. Nadat de arbeidsinspecteurs hem hadden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, heeft E.H. [naam 1] onder meer het volgende verklaard. E.H. [naam 1] is enorm verrast dat de vreemdeling is aangetroffen en over de omstandigheden waaronder hij is aangetroffen. Naar zijn weten was alleen zijn vaste medewerker, M. [naam 2], aan het werk. E.H. [naam 1] kent de vreemdeling niet en weet niet precies welke “Mohammed” de vreemdeling bedoelt. Zijn broer heet Mohammed, maar de vorige eigenaar ook. E.H. [naam 1] weet dat de bakkerij veel problemen kan krijgen door mensen te laten werken die dat niet mogen en dat de boetes erg hoog zijn. De bakkerij werkt niet met illegalen. Volgens E.H. [naam 1] is het personeel uitgelegd dat niemand mag worden binnengelaten tijdens de werkzaamheden en dat niemand mag werken of helpen zonder toestemming van de vennoten. Het personeel heeft geen sleutel. Zijn broer opent de bakkerij en gaat daarna naar huis om te slapen, omdat hij overdag ook in de winkel moet zijn. E.H. [naam 1] heeft na de controle met zijn broer gesproken. Zijn broer kent de vreemdeling ook niet en was ook erg verrast. De vorige eigenaar heeft voor een slechte naam gezorgd en er zijn in het verleden veel problemen geweest. Als hij dit allemaal had geweten, had hij de onderneming waarschijnlijk niet overgenomen. E.H. [naam 1] zal een stevig gesprek voeren met M. [naam 2] en zonodig maatregelen nemen, aldus E.H. [naam 1].

1.3.

Bij brief van 11 januari 2013 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van het voornemen om eisers een boete op te leggen van € 8.000,-. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

1.4.

Eisers hebben bij brief van 27 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 10 april 2013 is E.H. [naam 1] op het bezwaar gehoord. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2.1.

Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Op grond van het derde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, kunnen overtredingen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Op grond van artikel 5:41 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

Op grond van het tweede lid van dat artikel stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

2.2.

Op grond van artikel 1, aanhef, sub b, onder 1˚, en sub c, van de Wav wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

b. werkgever:

1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;

c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Op grond van het tweede lid van dat artikel is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav, voor zover thans van belang, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15.

Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wav wordt namens verweerder de bestuurlijke boete opgelegd aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.

Op grond van artikel 19d, derde lid, van de Wav - zoals dat luidde tot

1 januari 2013 en voor zover thans van belang - stelt verweerder beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld.

2.3.

Op grond van artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 - geldig ten tijde van de overtredingen - wordt bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Blijkens de Tarieflijst hanteerde verweerder ten tijde van belang voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav een boetebedrag van telkens € 8.000,-.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 kan waar sprake is van een overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen, de bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid.

Op grond van het tweede lid wordt geen boete opgelegd indien de werkgever heeft aangetoond dat hem geen enkel verwijt gemaakt kan worden voor de geconstateerde overtreding.

3.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Volgens vaste jurisprudentie kan in beginsel worden uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt boeterapport, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dat uitgangspunt. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de vreemdeling in zijn verklaring spreekt over een andere “Mohammed” dan één van de vennoten van de bakkerij, zijnde M. [naam 1]. Er is dan ook niet gebleken van bedoelde bijzondere omstandigheden. Nu het primaire besluit naar hetzelfde adres is gestuurd als het voornemen en eisers bezwaar hebben gemaakt, is niet aannemelijk dat zij het voornemen niet hebben ontvangen. Voorts vindt in bezwaar een volledige heroverweging plaats, waardoor eisers niet in hun belang zijn geschaad. Eisers hebben een vreemdeling arbeid laten verrichten, zonder dat over de vereiste tewerkstellingsvergunning werd beschikt. Daarmee staat vast dat sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Dat een medewerker de vreemdeling heeft binnengelaten, is een omstandigheid die voor rekening van eisers komt. Dat de vennoten het bedrijf hebben overgenomen en de vorige eigenaren zich niet aan de regels hielden, laat de geconstateerde overtreding onverlet. Hetgeen eisers hebben aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de geconstateerde overtreding hen niet of in mindere mate is te verwijten en geeft geen grond om de boete te matigen. Met de overgelegde financiële stukken is niet aannemelijk gemaakt dat eisers door de boete onevenredig worden getroffen, zodat geen grond bestaat voor matiging van de boete, aldus verweerder.

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

Eisers hebben aangevoerd dat geen sprake is geweest van een degelijk onderzoek, nu de verklaringen van twee op het moment van de controle aanwezige medewerkers zich niet in het dossier bevinden, terwijl zij kunnen verklaren over de aanwezigheid van de vreemdeling. Het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal is volgens eisers gebaseerd op half werk.

4.1.1.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft geoordeeld in de uitspraak van 16 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW5983) mag verweerder in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal uitgaan. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt.

De Afdeling heeft voorts in onder meer de uitspraak van 22 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ8854) geoordeeld dat geen wettelijke verplichting bestaat alle aanwezigen als getuige te horen.

4.1.2.

De inspecteurs hebben de vreemdeling en vennoot E.H. [naam 1] gehoord. De stelling dat twee aanwezige medewerkers niet zijn gehoord, terwijl zij kunnen verklaren over de aanwezigheid van de vreemdeling, doet - zoals verweerder in het verweerschrift terecht opmerkt - niet af aan de constatering door de arbeidsinspecteurs dat de vreemdeling aanwezig was in de bakkerij, probeerde te vluchten, kleding droeg die ’s nachts en in november niet voor de hand lag en deegresten op zijn handen en kleding had. Bovendien heeft de vreemdeling zelf verklaard dat hij brood op de bakplaat heeft gelegd en uit de oven heeft gehaald.

4.1.3.

De omstandigheid dat degene met wie de vreemdeling in de bakkerij werd aangetroffen ook Mohammed ([naam 2]) heet - en dus dezelfde voornaam heeft als één van de vennoten - en de verklaring van de vreemdeling dat hij reeds vier jaar met enige regelmaat in Nederland komt, zodat niet kan worden uitgesloten dat de afspraken waaraan de vreemdeling refereert, zijn gemaakt met één van de vorige eigenaren en dat de vreemdeling toen vermoedelijk één van de illegale werknemers was en hij daarom een bekende was van Mohammed [naam 2], leiden niet tot een ander oordeel, omdat dat niet afdoet aan de constateringen door de arbeidsinspecteurs.

4.1.4.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het onderzoek door de arbeidsinspecteurs onzorgvuldig is geweest. Eisers hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die nopen tot afwijking van het in 4.1.1. weergegeven uitgangspunt, zodat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van het boeterapport.

4.1.5.

In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat het bewijs dat de vreemdeling in strijd met de Wav arbeid heeft verricht - hoewel aan de magere kant - voldoende is voor de conclusie dat de vreemdeling in ieder geval op 16 november 2012 arbeid heeft verricht in de bakkerij.

4.2.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat het voornemen, hoewel juist geadresseerd, ook verkeerd bezorgd kan zijn en dat het risico van niet-aangetekend verzenden bij verweerder ligt.

Wat ook van de stelling van eisers zij, verweerder heeft terecht overwogen dat in bezwaar sprake is van een volledige heroverweging en dat eisers daarom niet in hun belangen zijn geschaad.

De stellingen dat desondanks alle tekortkomingen in het onderzoek niet zijn weggenomen en dat de overwegingen van verweerder immers gebaseerd blijven op een onvolledig vooronderzoek, behoeven geen nadere bespreking. De rechtbank heeft in het voorgaande immers reeds geoordeeld dat van een onzorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest.

4.3.

Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat zij met klem bestrijden dat zij de vreemdeling arbeid hebben laten verrichten. De rechtbank vat dit betoog aldus op, dat eisers bestrijden dat zij als werkgever in de zin van de Wav kunnen worden aangemerkt.

4.3.1.

Zoals de Afdeling meermalen heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 29 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA1360), bestaat geen grond voor het oordeel dat het begrip "arbeid te laten verrichten" een actieve rol impliceert. Het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 mei 2013 en naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK9928), is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eisers had gelegen hun bedrijfsvoering zodanig in te richten dat het voor de vreemdeling niet mogelijk was om werkzaamheden in de onderneming te verrichten. De enkele stelling van E.H. [naam 1], dat het personeel is uitgelegd dat niemand mag worden binnengelaten tijdens de werkzaamheden en dat niemand mag werken of helpen zonder toestemming van de vennoten, is daarvoor onvoldoende. Dit geldt temeer nu M. [naam 1] kennelijk de bakkerij opent en daarna naar huis gaat om te slapen, omdat hij overdag ook in de winkel moet zijn. Deze werkwijze heeft de vreemdeling de gelegenheid geboden om, zonder dat eisers dit wisten, arbeid te verrichten in de bakkerij.

4.3.2.

Verweerder heeft eisers op grond van het vorenstaande dan ook terecht aangemerkt als werkgevers in de zin van de Wav.

4.4.

Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, waarvoor verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav gelezen in verbinding met artikel 19a, eerste lid, van de Wav bevoegd was een bestuurlijke boete op te leggen.

Conform de Tarieflijst komt de hoogte van de bestuurlijke boete daarmee uit op € 8.000,-.

4.5.

Ten slotte hebben eisers betoogd dat de boete moet worden gematigd, omdat zij geen wetenschap hadden van de overtreding, de vorige eigenaar eisers niet heeft geïnformeerd over illegale werknemers en eisers evenmin heeft verteld dat de bakkerij met verlies draaide, alsmede dat het eigen vermogen van de bakkerij fors lager is dan aanvankelijk werd gedacht.

4.5.1.

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van verweerder. Verweerder moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, heeft verweerder beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient verweerder in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen als uitgangspunt.

4.5.2.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eisers een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de tewerkstelling van de vreemdeling. De stellingen dat eisers geen wetenschap hadden van de overtreding en dat de vorige eigenaar hen niet heeft geïnformeerd over illegale medewerkers, leiden dan ook niet tot matiging van de boete.

4.5.3.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden die de vreemdeling heeft verricht wel zijn aan te merken als arbeid van marginale omvang. Zij acht daartoe het volgende van belang.

Uit de verklaring van de vreemdeling valt op te maken dat hij vier of vijf keer in de bakkerij heeft geholpen. Met uitzondering van 16 november 2012 is echter onduidelijk of dit is gebeurd terwijl eisers eigenaar waren van de bakkerij, of onder de oude eigenaar. In dit verband is van belang dat eisers nadrukkelijk hebben ontkend dat zij de vreemdeling kenden en dat M. [naam 2] ter zitting heeft verklaard dat hij de vreemdeling al kende uit de periode dat de bakkerij in andere handen was. Voorts heeft de vreemdeling weliswaar “echte” bakkerswerkzaamheden uitgevoerd, maar niet kan worden vastgesteld dat deze structureel van aard waren, zoals wel het geval was in de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM9699).

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP2819), waarin sprake was van een eenmalige, incidentele, kortdurende, vriendendienst, die bestond uit marginale werkzaamheden waar geen vergoeding tegenover stond, met dien verstande dat de vreemdeling wel een vergoeding heeft ontvangen, te weten in de vorm van gratis brood. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de boete te matigen tot € 2.000,- maar tot € 4.000,-.

4.5.4.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 31 oktober 2012 (ECLI:NL: RVS:2012:BY1723) is voorts uitgangspunt dat reden bestaat tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat met de overgelegde financiële stukken niet aannemelijk is gemaakt dat eisers door de boete onevenredig worden getroffen, zodat geen grond bestaat voor matiging van de boete. De brief van 19 april 2013, waarnaar in het beroepschrift wordt verwezen, is bij de besluitvorming betrokken. De enkele omstandigheid dat, zoals ter zitting gesteld, één van de winkels inmiddels is ontruimd en te huur staat, is onvoldoende voor een ander oordeel.

Voorts is ter zitting bevestigd dat eisers geen betalingsregeling hebben en deze ook niet hebben verzocht.

4.5.5.

Op grond van hetgeen hiervoor is besproken, ook wanneer een en ander als geheel en in onderlinge samenhang wordt beschouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete verder te matigen.

4.6.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 4.000,-.

4.7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

5.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.888,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat de hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 4.000,-,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.888,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.