Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10875

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
C/10/13/227 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ex artikel 10 Fw. Opposante 2 niet ontvankelijk. Verzet opposant 1 ongegrond omdat het bestaan van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de door geopposeerde gestelde (en niet betwiste) feiten en omstandigheden aannemelijk is. Aldus is summierlijk gebleken dat er nog baten zijn en dient het faillissement in stand te worden gelaten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 10, geldigheid: 2014-02-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0092

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

Insolventienummer: C/10/13/227 F

Rekestnummer: 13.251

Uitspraak: 5 december 2013

VONNIS op het op 11 maart 2013 ter griffie ingekomen verzetschrift met bijlagen van:

1-) mr. Ronald Wilhelmus Franciscus HEIJMERIKS,

wonende te ’s-Gravenhage, in hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEDET TRADING B.V.,

statutair gevestigd te Zwijndrecht,

opposant sub 1,

en

2-) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEIJMERIKS ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

opposante sub 2,

advocaat opposanten: mr. R.W.F. Heijmeriks, kantoorhoudende te Spijkenisse,

waarin opposanten als belanghebbenden op de voet van artikel 10 van de Faillissementswet in verzet komen tegen het op 5 maart 2013 door deze rechtbank gewezen vonnis, waarbij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEDET TRADING B.V.,

voorheen kantoorhoudende aan de Ringdijk 486, 2983 GS Ridderkerk,

statutair gevestigd te Zwijndrecht,

hierna: gefailleerde,

op verzoek van de besloten vennootschap naar buitenlands recht

[naam vennootschap],

gevestigd te Madagaskar,

advocaat mr. K. Beston – Kamminga,

geopposeerde,

in staat van faillissement is verklaard.

1 De procedure

1.1

Bij vonnis, gewezen op 5 maart 2013 is gefailleerde bij verstek op verzoek van geopposeerde in staat van faillissement verklaard; zulks met benoeming van

mr. C. van Steenderen-Koornneef als rechter-commissaris en aanstelling van

mr. R.W.F. Heijmeriks, advocaat te Spijkenisse als curator.

1.2

Opposanten zijn als belanghebbenden op de voet van artikel 10 van de Faillissementswet tegen dat vonnis in verzet gekomen.

1.3

Het verzet is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 november 2013, alwaar

mr. R.W.F. Heijmeriks, als advocaat namens opposanten en mr. T.M. van Berkel als advocaat namens geopposeerde zijn verschenen en gehoord.

1.4

Mr. van Berkel heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd waarvan een kopie aan het proces-verbaal is gehecht.

1.5

De rechtbank heeft de uitspraak nader op heden bepaald.

2 Het verzoek.

2.1

Het verzoek strekt tot vernietiging van het op 5 maart 2013 gewezen vonnis en tot het (alsnog) afwijzen van het verzoek van geopposeerde met veroordeling van geopposeerde in de kosten van het geding.

2.2

Opposanten voeren daartoe aan dat gefailleerde ten tijde van de uitspraak niet meer was gevestigd te Ridderkerk en dat zij blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel met ingang 15 januari 2013 is ontbonden en dat op 16 januari 2013 de registratie van gefailleerde is beëindigd in verband met het einde van de liquidatie met ingang van 15 januari 2013. Opposanten zijn van mening dat geopposeerde niet meer gerechtigd was om op 5 maart 2013 te persisteren bij haar verzoek tot faillietverklaring. Opposanten stellen dat geopposeerde summierlijk hadden dienen aan te tonen dat nog baten aanwezig waren. Omdat de curator van geen enkele bate is gebleken en in het verzoekschrift evenmin een bate is aangegeven die thans voor vereffening in aanmerking kan komen, zijn opposanten van mening dat het vonnis van 5 maart 2013 dient te worden vernietigd. Voorts zijn opposanten van mening dat het op de weg van geopposeerde had gelegen om heropening van de vereffening te vorderen met benoeming van een vereffenaar om op die wijze haar rechten uit hoofde van schuldeisersschap geldend te maken.

2.3

Opposanten stellen verder dat zij recht en belang hebben te vorderen dat geopposeerde wordt veroordeeld in de kosten van het faillissement en het salaris van de curator omdat klaarblijkelijk geopposeerde ten tijde van het persisteren ervan op de hoogte was dat gefailleerde was ontbonden door een besluit van de Algemene Vergadering van aandeelhouders d.d. 15 januari 2013.

2.4

Opposanten stellen voorts dat geopposeerde voordat zij persisteerde aan de rechtbank het correcte uittreksel van de Kamer van Koophandel had dienen te overleggen en daarmee zodanig in te lichten opdat de rechtbank op terechte gronden het faillissementsverzoek had kunnen weigeren. Nu geopposeerde dat pas na de uitspraak van het faillissement heeft gedaan, heeft geopposeerde op onjuiste gronden het faillissement laten uitspreken waardoor geopposeerde aansprakelijk is voor de faillissementskosten waaronder het salaris van de curator.

2.5

Opposante 2 stelt dat zij tevens als belanghebbende dient te worden aangemerkt nu de curator onderzoek heeft moeten doen en kosten heeft gemaakt welke kosten door opposante 2 dienen te worden voldaan. Opposante 2 voert voorts aan dat het persisteren door geopposeerde in de wetenschap dat gefailleerde is ontbonden en vereffend jegens opposante 2 onrechtmatig is omdat het in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt teneinde schade voor derden te voorkomen.

2.6

Tot slot stellen opposanten dat gefailleerde sedert 15 januari 2013 niet meer voldoet aan het vereiste van het hebben van haar voornaamste belangen in Nederland zodat aan het vereiste voor de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam tevens niet is voldaan.

3 Het verweer.

3.1

Geopposeerde stelt dat gefailleerde statutair gevestigd is in Zwijndrecht zodat de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 2, lid 1 en 2 Faillissementswet (Fw) bevoegd is.

3.2

Geopposeerde is van mening dat opposante 2 geen schuldeiser is in de zin van artikel 10 Fw en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3

Naar de mening van geopposeerde is niet betwist dat gefailleerde verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

3.4

Geopposeerde stelt verder dat er sprake van een bate voor de boedel is op grond van 1) onrechtmatig handelen door het bestuur van gefailleerde en 2) dat de curator een vordering op grond van artikel 2:248 lid 1 en/of lid 2 Burgerlijk Wetboek kan instellen welke vorderingen een bate voor de boedel opleveren en dat om die reden het faillissement in stand dient te blijven.

3.5

Geopposeerde verzoekt om opposanten niet-ontvankelijk te verklaren, danwel het verzet af te wijzen en opposanten in de kosten van dit geding te veroordelen.

4 De beoordeling.

4.1

De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of opposanten 1 en 2 tijdig in verzet zijn gekomen en of opposanten ontvankelijk zijn.

De rechtbank stelt vast dat het faillissement bij vonnis van 5 maart 2013 is uitgesproken. Het verzetschrift van opposanten is op 11 maart 2013 ter griffie ontvangen, zodat gelet op het bepaalde in artikel 10, lid 1 Fw het verzet tijdig is gedaan.

4.2

Verzet kan op grond van het bepaalde in artikel 10 Fw worden ingesteld door elke schuldeiser, met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en elke belanghebbende.

Opposant 1 is bij vonnis van 5 maart 2013 als curator aangesteld en is in die zin als belanghebbende aan te merken zodat opposant 1 in zijn verzet kan worden ontvangen.

Opposante 2 daarentegen is naar het oordeel van de rechtbank geen schuldeiser en evenmin belanghebbende omdat geen sprake is van een rechtsbetrekking tussen opposante 2 en gefailleerde. Dat opposant 1 zijn kosten doorbelast aan opposante 2 maakt, nu dit een interne aangelegenheid tussen opposant 1 en 2 betreft, dat niet anders. Opposante 2 zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3

De bevoegdheid van de rechtbank moet beoordeeld worden naar de situatie ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot faillietverklaring en niet die op het tijdstip van de behandeling van het verzoek (HR 2 april 1982, NJ 1982, 319). De statutaire zetel van gefailleerde was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift gelegen binnen het arrondissement Rotterdam. De rechtbank is daarom op grond van artikel 2, lid 1 Fw bevoegd.

4.4

Niet is betwist dat gefailleerde in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, zodat aan de (standaard) vereisten tot faillietverklaring is voldaan. De ontbinding van gefailleerde staat niet in de weg aan faillietverklaring, zij het dat in geval van een ontbonden rechtspersoon voor faillietverklaring ook is vereist dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn. Ook deze toetsing dient ex nunc plaats te vinden. Geopposeerde heeft (onder meer) aangevoerd dat het bestuur van gefailleerde aansprakelijk gesteld kan worden omdat de curator niet beschikt over een administratie en omdat de jaarrekeningen over 2010 en 2011 te laat zijn gedeponeerd. De vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid levert een bate op, aldus geopposeerde. Het bestaan van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid is op grond van de door geopposeerde gestelde (en niet betwiste) feiten en omstandigheden aannemelijk. Aldus is summierlijk gebleken dat er nog baten zijn en dient het faillissement in stand te worden gelaten.

4.5

Geopposeerde heeft verzocht om opposanten in de kosten van dit geding te veroordelen en heeft die kosten begroot op één punt van het liquidatietarief.

Nu opposant 1 in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank opposant 1 veroordelen in de kosten van dit geding welke worden vastgesteld op € 452,00.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart opposante 2, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEIJMERIKS ADVOCATEN B.V., niet-ontvankelijk in het door gedane haar verzet;

- verklaart het door opposant 1, mr. Ronald Wilhelmus Franciscus HEIJMERIKS,

wonende te ’s-Gravenhage, in hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEDET TRADING B.V., ingestelde verzet ongegrond;

- bekrachtigt het op 5 maart 2013 gewezen vonnis;

- veroordeelt opposant 1 in de kosten van het geding aan de zijde van geopposeerde welke worden vastgesteld op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, mr. W. Reinds en mr. A. Lablans, rechters, in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 20131

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.