Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10763

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
2104108 - MB VERZ 13-1682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beslissing inzake fictieve weigering om te beslissen op administratief beroep; dwangsom; geen misbruik van recht; reeds beslist op administratief beroep; voor aanspraak dwangsom ingebrekestelling doorslaggevend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers zoals vermeld op de aangehechte bijlage

CJIB-nummers zoals vermeld op de aangehechte bijlage

uitspraak: 30 december 2013

beslissing van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam, ex artikel 13 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaken van:

betrokkene: [betrokkene].

adres: [adres] [plaats]

gemachtigde: mr. M.F. van Immerseel

adres: H.J.E. Wenckebachweg 53 M

postcode en woonplaats: 1096 AK Amsterdam

1 Het verloop van de procedure

Voor de individuele sanctiegegevens wordt verwezen naar de CJIB-nummers als hierboven weergegeven.

Op 21 juni 2013 is in beide zaken een beroepschrift bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaandam binnengekomen inzake de fictieve weigering te beslissen door de officier van justitie.

Vervolgens heeft de kantonrechter te Zaandam op 1 oktober 2013 in beide zaken een beslissing gegeven waarin hij heeft overwogen dat de gemachtigde van betrokkene te kennen heeft gegeven dat tegen een groot aantal zaken beroep is ingesteld en dat hij heeft verzocht om gezamenlijke behandeling met de andere zaken waarin hij beroep heeft ingesteld, dat deze zaken zijn aangebracht bij de kantonrechter te Rotterdam en dat de officier van justitie daarmee akkoord is. De kantonrechter te Zaandam heeft beide zaken voor verdere behandeling verwezen naar de kantonrechter te Rotterdam.

Namens betrokkene is alsnog beroep aangetekend tegen de opgelegde administratiekosten van € 6,- respectievelijk € 7,-. Daarbij is namens betrokkene gesteld dat de mededeling in de initiële beschikkingen dat alleen tegen de opgelegde administratieve sanctie administratief beroep kan worden ingesteld niet juist is, nu het Hof Leeuwarden in het arrest van 15 juni 2012 (NL:GHLEE:2012:BW8480) heeft beslist dat ook tegen de administratiekosten een rechtsmiddel kan worden aangewend. Na bedoelde uitspraak van het Hof heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de administratiekosten onbevoegd zijn opgelegd, waarbij is aangevoerd dat de wetgever vergeten is om deze bevoegdheid te attribueren, dan wel dat de hoogte van die administratiekosten buitensporig is. Bovendien is door betrokkene de gedraging als zodanig betwist.

Namens betrokkene is in de beide beroepschriften van 20 juni 2013 verzocht vast te stellen dat de officier van justitie op grond van artikel 4:17 Awb een dwangsom van € 780,- heeft verbeurd, dan wel een bedrag aan dwangsom is verbeurd dat de kantonrechter geraden voorkomt. Er is namelijk niet tijdig beslist ondanks het feit dat een ingebrekestelling is verzonden, aldus de gemachtigde van betrokkene. Subsidiair heeft de gemachtigde namens betrokkene de kantonrechter verzocht de officier van justitie op te dragen om alsnog, binnen veertien dagen, te beslissen ten aanzien van de verbeurde dwangsom op verbeurte van een dwangsom met een maximum van € 15.000,-, dan wel een dwangsom die de kantonrechter geraden voorkomt, nu tot op heden slechts een mededeling per brief heeft plaatsgevonden en geen officieel besluit. Tevens verzoekt de gemachtigde namens betrokkene de kantonrechter de officier van justitie ex artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten van het geding. Namens betrokkene wordt voorts op grond van artikel 8:73 Awb aanspraak gemaakt op een vergoeding van de door haar geleden en te lijden schade, eventueel op te maken bij staat.

Ten aanzien van de proceskosten verzoekt de gemachtigde de kantonrechter om op grond van artikel 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht een proceskostenvergoeding toe te kennen.

De zaken zijn behandeld op de openbare zitting van 13 november 2013, gelijktijdig met een groot aantal andere zaken die door de gemachtigde namens verschillende betrokkenen zijn ingediend. Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde van betrokkene, mr. M.F. van Immerseel en de CVOM-vertegenwoordiger, de heer A.J. Rijks. Aan de zijde van betrokkene is tevens verschenen mr. H.J.M. Bonenkamp.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft mr. Van Immerseel nader gereageerd bij faxbericht van 5 november 2013. Tevens heeft hij bij brief van 11 november 2013 pleitnotities in het geding gebracht.

Ter zitting hebben beide partijen hun standpunt nader toegelicht, waarbij de CVOM- vertegenwoordiger zich ook bediend heeft van pleitaantekeningen die door hem in het geding zijn gebracht. Voorts heeft de CVOM-vertegenwoordiger ter zitting nog nadere stukken in het geding gebracht.

Ter uitvoering van de op de zitting gemaakte afspraken heeft mr. Van Immerseel nader schriftelijk gereageerd bij de brief die kennelijk per abuis gedateerd is op 11 november 2013 en die ter griffie ontvangen is op 27 november 2013. De CVOM heeft nader gereageerd bij brief van 6 december 2013. Die reactie is door de griffier ter kennisname doorgestuurd aan de gemachtigde van betrokkene. Daarop heeft mr. Van Immerseel weer schriftelijk gereageerd, doch op de inhoud van die reactie heeft de kantonrechter geen acht geslagen en die reactie is door de griffier aan mr. Van Immerseel geretourneerd.

2 De beoordeling

2.1

Hoewel de kantonrechter in beide zaken niet beschikt over de individuele sanctiegegevens en door de gemachtigde is gesteld dat de vermeende gedragingen in het arrondissement Zaandam zijn begaan, kan de vraag of de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam in beide zaken bevoegd is om kennis te nemen van de beroepschriften in het midden blijven, nu de gemachtigde van betrokkene expliciet heeft verzocht om verwijzing van de beide onderhavige zaken naar de rechtbank Rotterdam en de officier van justitie met deze verwijzing heeft ingestemd.

2.2

Ingevolge artikel 4:19 lid 1 Awb heeft het beroep tegen de beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. In dit geval is de in artikel 4:19 Awb bedoelde beschikking op aanvraag het besluit op het

administratief beroep in de WAHV-procedure. Daartegen kan gelet op artikel 9 lid 1 WAHV beroep worden ingesteld bij de rechtbank, welk beroep wordt behandeld door de kantonrechter. Uit deze bepaling volgt, mede in het licht van artikel 4:19 Awb, dat de kantonrechter ook bevoegd is kennis te nemen van een beroep betreffende een dwangsombeschikking of, zoals in casu, tegen het niet tijdig nemen daarvan.

2.3

Ten aanzien van de vraag of mr. Van Immerseel gemachtigd is op te treden namens betrokkene overweegt de kantonrechter als volgt. Ingevolge artikel 8:24 lid 2 Awb kan de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Het tweede lid van artikel 8:24 Awb is echter niet van toepassing ten aanzien van advocaten. Dat volgt uit het bepaalde in het derde lid van artikel 8:24 Awb. Nu mr. Van Immerseel als advocaat is ingeschreven in het Landelijke Advocaten Tableau kan van hem geen schriftelijke machtiging worden verlangd en zal er van worden uitgegaan dat hij gemachtigd is betrokkene in rechte te vertegenwoordigen.

2.4

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gemachtigde niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens misbruik van procesrecht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij aangevoerd dat er in alle zaken wel degelijk is beslist op de beroepen van betrokkenen, dat de gemachtigde dit ook indirect heeft erkend en dat de gemachtigde volstrekt onnodig gebruik heeft gemaakt van het procesrecht door in een groot aantal zaken beroep wegens een fictieve weigering in te stellen. Daarbij komt dat de gemachtigde in de WAHV-zaken geen hoger beroep heeft ingesteld. Een dergelijke handelwijze draagt bij aan het onnodig belasten van bestuursorganen waarbij onnodig kosten worden gemaakt en procedures worden opgestart, aldus de officier van justitie.

Door de kantonrechter wordt ten aanzien van dit punt het volgende overwogen.
Ter zitting is gebleken dat de kern van het geschil in de beide onderhavige zaken, evenals in een groot aantal andere zaken die eveneens op 13 november 2013 mondeling zijn behandeld, is gelegen in het feit dat volgens de officier van justitie op alle beroepschriften van betrokkenen inmiddels is beslist, terwijl de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat hij enkel “motiveringsbrieven” heeft ontvangen, die formeel gezien niet kunnen worden aangemerkt als een beslissing van de officier van justitie. Nu de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat in alle zaken formeel gezien nog geen beslissing is genomen door de officier van justitie, staat het hem vrij om van de door de wet geboden middelen gebruik te maken en de onderhavige procedures te starten. Van misbruik van procesrecht is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. Ook de omstandigheid dat mr. Van Immerseel in een groot aantal zaken beroep wegens een fictieve weigering heeft ingesteld, rechtvaardigt niet de vergaande conclusie dat sprake is van misbruik van procesrecht. Derhalve bestaat er ook geen aanleiding om betrokkene c.q. de gemachtigde mr. Van Immerseel te veroordelen in de kosten van het geding, zoals de officier van justitie heeft verzocht.

Vervolgens dienen de inhoudelijke punten van geschil beoordeeld te worden.

2.5

De kantonrechter stelt voorop dat hij het primair en subsidiair verzochte aldus begrijpt dat het allebei verzocht wordt, gelet op hetgeen de gemachtigde van betrokkene in het lichaam van de beide beroepschriften naar voren heeft gebracht.

2.6

Ten eerste is namens betrokkene verzocht vast te stellen dat de officier van justitie op grond van artikel 4:17 Awb een dwangsom van € 780,- heeft verbeurd, dan wel dat een bedrag aan dwangsommen is verbeurd dat de kantonrechter geraden voorkomt. De gemachtigde van betrokkene stelt dat nu op 9 januari 2013 geen beslissing op het administratief beroep genomen is, er ter zake een ingebrekestelling verzonden is.

Overwogen wordt dat een dergelijke ingebrekestelling in de dossiers ontbreekt. Nu de ingebrekestelling in deze zaken van doorslaggevend belang is voor het bepalen van de aanspraak op een dwangsom, zal de kantonrechter de zaken aanhouden zodat de ingebrekestelling alsnog in het geding kan worden gebracht. In de eerste plaats ligt het op de weg van de officier van justitie om de ingebrekestelling in het geding te brengen, aangezien op de officier van justitie de verplichting rust stukken die van belang zijn bij de beoordeling van een zaak in het geding te brengen. Uit proceseconomisch oogpunt zal de kantonrechter betrokkene ook in de gelegenheid stellen de ingebrekestelling, voor zover zij hierover beschikt, in het geding te brengen.

2.7

Reeds nu overweegt de kantonrechter het volgende ten aanzien van het tweede verzoek, inhoudende dat de officier van justitie wordt opgedragen om alsnog, binnen veertien dagen, te beslissen ten aanzien van de verbeurde dwangsom onder verbeurte van een dwangsom.

Op 10 april 2013 heeft de CVOM de gemachtigde van betrokkene medegedeeld dat de CVOM in de zaken met de in de bijlage genoemde CJIB-nummers geen dwangsom verbeurt. In deze zaken is het administratief beroep kennelijk ongegrond dan wel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 4:17 zesde lid, aanhef en onder c Awb is in deze gevallen geen dwangsom verschuldigd, aldus de CVOM.

Overwogen wordt dat volgens vaste jurisprudentie het ontbreken van een beroepsclausule onder een beschikking van een overheidsorgaan er niet zonder meer toe leidt dat hieraan de rechtskracht van een beschikking ontvalt. In beginsel moet de brief van 10 april 2013 van de officier van justitie dan ook als een beschikking worden aangemerkt.

De gemachtigde van betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de vermeende weigering te beslissen op het verbeurd zijn en de hoogte van de dwangsom. Die beroepen zijn ingesteld ruim binnen een termijn van zes weken na 10 april 2013.

Nu de beroepen tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na 10 april 2013 zijn ingesteld, is betrokkene door het ontbreken van een beroepsclausule onder de beschikking van 10 april 2013 niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van betrokkene tegen de weigering van de officier van justitie om te beslissen niet-ontvankelijk. Immers, op 10 april 2013 is door de officier van justitie al ter zake een besluit genomen.

2.8

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan, waarbij ook de definitieve beslissing ten aanzien van het tweede verzoek wordt aangehouden, ook al om te voorkomen dat deze beslissing geldt als een deelbeslissing, waarbij de termijn voor hoger beroep al een aanvang neemt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

stelt zowel de officier van justitie als betrokkene in de gelegenheid de ingebrekestelling uiterlijk op 17 januari 2014 in het geding te brengen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare zitting.

742

Datum toezending: