Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
2014932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geopposeerde stelt met opposant een jaarlijks doorlopende overeenkomst te hebben gesloten, waarbij geopposeerde aan opposant tegen een jaarlijks vooruit te betalen bedrag toestemming heeft verleend om muziekwerken behorend tot het door geopposeerde beheerde repertoire ten gehore te brengen. De kantonrechter oordeelt dat geen overeenkomst tot stand gekomen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2014932 CV EXPL 13-12390

uitspraak: 13 december 2013

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

[opposant],

wonende te [woonplaats],

opposant in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts te Rotterdam,

tegen

1 de stichting STICHTING TER EXPLOITATIE VAN NABURIGE RECHTEN,

gevestigd te Hilversum,

geopposeerde in conventie,

gemachtigde: GGN Maas-Delta Gerechtsdeurwaarders,

2. de vereniging VERENIGING BUMA,

gevestigd te Amstelveen,

geopposeerde in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: GGN Maas-Delta Gerechtsdeurwaarders.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[opposant]’ respectievelijk ‘Sena’ en ‘Buma’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 11 april 2012;

  • -

    het tussen partijen onder zaaknummer 1340157 \ CV EXPL 12-20568 gewezen verstekvonnis van 11 mei 2012;

  • -

    de verzetdagvaarding van 27 februari 2013 tevens houdende een eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in oppositie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek in oppositie tevens conclusie van repliek in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

  • -

    de akte uitlating producties aan de zijde van [opposant].

1.2

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

Sena is krachtens artikel 15 lid 1 van de Wet op de naburige rechten (hierna: WNR) door de Minister van Justitie aangewezen als de rechtspersoon die exclusief belast is met de inning en de verdeling van de in artikel 7 WNR bedoelde billijke vergoedingen. Sena heeft ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoedingen overeenstemming bereikt met branche- en belangenorganisaties van diegenen die muziek openbaar maken zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 WNR.

2.2

Buma heeft als enige organisatie in Nederland de toestemming gekregen, als bedoeld in artikel 30a Auteurswet, van de Minister van Justitie, bij beschikking d.d. 24 maart 1993 tot het als bedrijf, zonder winstoogmerk, bemiddelen inzake muziekauteursrecht. Buma behartigt de belangen van de bij haar aangesloten componisten en tekstdichters met betrekking tot de uitvoering (openbaarmaking) van hun werken. Daartoe dragen de bij haar aangesloten componisten en tekstdichters de muziekuitvoeringsrechten op al hun bestaande en toekomstige auteursrechtelijk beschermde muziekwerken over aan Buma. Buma oefent op eigen naam deze auteursrechten uit.

2.3

Buma en Sena hebben een gezamenlijk servicecentrum ingericht en in dat kader sturen zij hun relaties een gecombineerde factuur betreffende de verschuldigde vergoedingen voor muziekgebruik.

2.4

[opposant] heeft in de periode vanaf 10 december 2007 tot 1 januari 2010 een eenmanszaak onder de naam [bar X] gedreven. Sinds 1 januari 2010 is [opposant] geen eigenaar meer van voornoemde eenmanszaak en heeft hij geen muziekwerken openbaar gemaakt.

2.5

[opposant] heeft op 22 januari 2009 een factuur met factuurnummer 300573686 van € 374,12 van Buma ontvangen. De factuur ziet op de periode januari 2009 tot en met december 2009. [opposant] heeft voornoemd bedrag op 9 juni 2009 betaald aan Buma.

2.6

Buma heeft [opposant] bij exploot van dagvaarding van 7 december 2010 gedagvaard, waarbij Buma onder meer de jaarlijkse bijdrage voor de periode januari 2010 tot en met december 2010 van € 378,24, € 75,65 ter zake van buitengerechtelijke kosten, € 1,71 ter zake van wettelijke rente en € 9,70 ter zake van informatiekosten heeft gevorderd. [opposant] heeft naar aanleiding van deze dagvaarding op 13 december 2010 een bedrag van € 600,00 ten behoeve van Buma aan GGN Maas-Delta voldaan.

2.7

Buma en Sena hebben [opposant] bij dagvaarding van 11 april 2012 gedagvaard, waarbij zij onder meer de jaarlijkse bijdrage voor de periode januari 2011 tot en met december 2011 hebben gevorderd. Op 11 mei 2012 is onder zaaksnummer 1340157 CV EXPL 12-20568 een verstekvonnis gewezen door deze rechtbank, sector kanton. Het verstekvonnis is op 12 juli 2012 door de deurwaarder aan [opposant] betekend middels achterlating in een gesloten envelop op het huidige woonadres van [opposant].

2.8

[B] van W&A Adiministratiekantoor V.O.F. (hierna: W&A) heeft op 12 juli 2012 een brief aan [A] van GGN Maas-Delta verzonden. De brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

‘(…) Onze cliënt [opposant] heeft van u een exploot ontvangen betreffende SENA/Vereniging Buma.

Het bedrijf waar dit betrekking op heeft is door onze cliënt eind 2009 verkocht en is sinds januari 2010 hier geen eigenaar meer van. (…) U zult dus bij de nieuwe eigenaar moeten zijn en niet bij de heer [opposant]. (…)’

2.9

Op 11 februari 2013 is beslag gelegd onder de werkgever van [opposant].

3 Het geschil en de (nadere) stellingen van partijen in conventie

3.1

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding van 11 april 2012 hebben Sena en Buma gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [opposant] te veroordelen te betalen een bedrag van € 481,28 aan Sena, een bedrag van € 380,51 aan Buma, buitengerechtelijke kosten van € 153,83 en vervallen rente van € 20,28, te vermeerderen met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.

3.2

Daaraan hebben Sena en Buma - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

[opposant] maakte op het adres [adres] muziek openbaar als bedoeld in artikel 7 lid 1 WNR en artikel 12 AW. Krachtens artikel 7 lid 1 WNR is [opposant] wettelijk verplicht tot het betalen van een billijke vergoeding aan Sena, bij gebreke waarvan het openbaar maken van muziek verboden is.

Buma heeft in het kader van haar bemiddeling een jaarlijks doorlopende overeenkomst gesloten met [opposant], waarbij Buma aan [opposant] tegen een jaarlijks vooruit te betalen bedrag toestemming heeft verleend om muziekwerken behorend tot het door Buma beheerde repertoire ten gehore te brengen. Deze overeenkomst omvat, zoals op het voorblad daarvan is vermeld, de aan de ommezijde van de overeenkomst afgedrukte algemene voorwaarden. Bovengenoemde overeenkomst is ingegaan op 1 januari 2009. Per deze datum heeft [opposant] namelijk het aanbod van Buma tot het sluiten van een overeenkomst aanvaard door middel van betaling van het verschuldigde bedrag voor het muziekgebruik in het jaar 2009. Ingevolge artikel 2 van de algemene voorwaarden wordt de overeenkomst jaarlijks stilzwijgend verlengd.

De vordering heeft betrekking op de vergoedingen voor 2011, bestaande uit een Buma deel van € 380,51 en een Sena deel van € 481,28. [opposant] diende in totaal € 861,79 te betalen, waarvoor hij op 10 juni 2011 een gecombineerde factuur heeft ontvangen. [opposant] heeft deze factuur, ondanks sommatie, onbetaald gelaten.

Buma en Sena hebben hun vordering ter incasso uit handen gegeven en buitengerechtelijke kosten moeten maken die voor wat betreft Buma op grond van de overeenkomst tussen Buma en [opposant] en voor wat betreft Sena op grond van artikel 6:96 BW voor rekening van [opposant] komen.

3.3

[opposant] heeft bij exploot van dagvaarding in oppositie ontheffing van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij eerdergenoemd vonnis van 11 mei 2012, gevorderd, alsmede gevorderd Sena en Buma niet ontvankelijk te verklaren in hun oorspronkelijke vordering althans deze haar te ontzeggen, met veroordeling van Sena en Buma in de kosten van de verzetprocedure.

3.4

Daartoe heeft [opposant] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

[opposant] heeft nimmer een overeenkomst met Buma gesloten waaruit enige betalingsverplichting van hem zou volgen. [opposant] heeft niet een bewijs van licentie of algemene voorwaarden van Buma ontvangen, doch enkel een factuur die uit eigen beweging door Buma aan [opposant] was verzonden. Uit de omstandigheid dat [opposant] die factuur heeft betaald kan geenszins wilsovereenstemming van [opposant] worden afgeleid met de totstandkoming van een overeenkomst. Te meer nu [opposant] de factuur niet tijdig heeft betaald. Op het bewijs van licentie staat duidelijk vermeld dat er slechts sprake is van aanvaarding indien binnen 30 dagen wordt betaald.

Subsidiair, voor zover er wel sprake zou zijn van wilsovereenstemming, (a) vernietigt [opposant] de beweerde overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Meer subsidiair vernietigt [opposant] de voor hem nadelige bedingen uit de algemene voorwaarden van Buma, enerzijds omdat [opposant] niet heeft ingestemd met de algemene voorwaarden en anderzijds omdat Buma [opposant] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Voorts betwist [opposant] dat sprake is van een correct berekende vergoeding. Gezien het gebrek aan openbaarmaking vanaf 1 januari 2010 kan de factuur maximaal € 0,00 bedragen. Er was immers een oppervlakte van 0 m2 waarop muziek openbaar werd gemaakt.

Uiterst subsidiair doet [opposant] een beroep op de redelijkheid en billijkheid.

Tot slot betwist [opposant] rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn.

4 De vordering en de stellingen van partijen in reconventie

4.1

[opposant] heeft gevorderd Buma te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 2010, met veroordeling van Buma in de proceskosten.

4.2

Aan zijn vordering in reconventie heeft [opposant] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van de eerder door Buma gestarte procedure aangaande een beweerde vordering over 2010, bedoeld in punt 2.6 van de vaststaande feiten, heeft [opposant] onder protest en louter om een verdere procedure te voorkomen een bedrag van € 600,00 betaald aan Buma. Hetgeen in conventie door [opposant] is aangevoerd, geldt ook voor het jaar 2010. Daaruit volgt dat Buma het bedrag van € 600,00 onverschuldigd aan Buma heeft betaald. De door Buma opgevoerde grondslag (een overeenkomst) bestaat immers niet en ook anderszins bestaat er vanaf 1 januari 2010 geen grondslag voor de op openbaarmaking van auteursrechtelijke werken gebaseerde vordering. Buma blijft, ondanks sommatie, in gebreke met terugbetaling van voornoemd bedrag.

4.3

Buma concludeert tot afwijzing van de vordering van [opposant], met veroordeling van [opposant] in de kosten van de procedure.

4.4

Daartoe heeft Buma - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [opposant] was dit bedrag verschuldigd op grond van de door [opposant] met Buma gesloten overeenkomst, zodat van onverschuldigde betaling geen sprake is. Anders dan [opposant] stelt, heeft de gemachtigde van Buma voornoemde betaling ontvangen zonder protest of kanttekening, zodat Buma niet met een verplichting tot terugbetaling van de vergoeding van 2010 aan [opposant] rekening had behoeven te houden. Deze vergoeding is zodoende conform de statutaire regels omtrent het doel en de werkwijze van Buma inmiddels uitgekeerd aan de rechthebbenden van de auteursrechten.

5 De beoordeling van de vordering

In conventie:

Verzet

5.1

In de eerste plaats dient beoordeeld te worden of [opposant] ontvankelijk is in zijn verzet. Nu het vonnis niet aan [opposant] in persoon was betekend, geldt ingevolge artikel 143 Rv als maatstaf of [opposant] enige daad heeft gepleegd “waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is”. Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Buma en Sena stellen in dit kader dat [opposant] een daad heeft verricht waaruit noodzakelijk voortvloeit dat hij bekend was met het op 11 mei 2012 gewezen verstekvonnis en zij verwijzen daartoe naar de onder 2.8 van de vaststaande feiten vermelde brief. De door Sena en Buma gestelde omstandigheden laten echter naar het oordeel van de kantonrechter niet de conclusie toe dat [opposant] een handeling als hiervoor bedoeld heeft verricht. Immers, de onder 2.8 van de vaststaande feiten weergegeven brief van 12 juli 2012 is niet door [opposant], doch door W&A verstuurd, terwijl uit die brief evenmin blijkt dat W&A de brief namens [opposant] stuurt en [opposant] voorts heeft aangevoerd dat hij destijds zijn administratie nagenoeg volledig in handen van W&A had gelegd. Bekendheid bij [opposant] met het vonnis volgt uit het voorgaande derhalve niet (zonder meer). Gelet hierop gaat de kantonrechter er van uit dat de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan op 11 februari 2013, zijnde de datum van de overbetekening van het beslagexploot, is aangevangen. Dit leidt tot de conclusie dat [opposant], die binnen vier weken na voornoemde datum, derhalve tijdig, de verzetdagvaarding heeft doen betekenen aan Sena en Buma, ontvankelijk is in zijn verzet.

Sena

5.2

Vooropgesteld wordt dat Sena in de conclusie van antwoord in oppositie (punt 23) te kennen heeft gegeven dat zij haar vordering niet langer wenst te handhaven, omdat vast is komen te staan dat [opposant] vanaf 1 januari 2010 geen muziek meer openbaar maakt op het [adres]. Gelet hierop wordt het verstekvonnis in ieder geval vernietigd voor zover het de veroordeling jegens Sena betreft.

Buma

5.3

De kernvraag is of tussen Buma en [opposant] een licentieovereenkomst tot stand is gekomen. Onder overlegging van het bewijs van licentie (productie 4 bij conclusie van antwoord in oppositie) stelt Buma dat zij [opposant] een aanbod heeft gedaan tot het sluiten van een overeenkomst en dat in dit aanbod is bepaald op welke wijze de aanvaarding dient te geschieden, te weten door betaling van de factuur. Ingevolge artikel 3:37 lid 1 BW kan de aanvaarding van een aanbod in beginsel in iedere vorm geschieden, tenzij het aanbod een bepaalde vorm voorschrijft. De kantonrechter constateert dat Buma in haar aanbod aan [opposant] heeft verklaard dat betaling binnen 30 dagen na datum van de bij het bewijs van licentie meegestuurde factuur leidt tot aanvaarding van haar aanbod en dat door die betaling de overeenkomst met ingang van 1 januari 2009 in werking treedt. Nog daargelaten de vraag of [opposant] het bewijs van licentie, en derhalve het aanbod, heeft ontvangen, hetgeen door [opposant] wordt betwist, strandt de vordering van Buma in verband met het volgende. Buma heeft als productie 10 de betreffende factuur d.d. 22 januari 2009 van € 374,12 in het geding gebracht. Onder punt 24 van de conclusie van antwoord in oppositie stelt Buma dat [opposant] deze factuur op 9 juni 2009 heeft voldaan. De factuur is derhalve niet binnen de termijn van 30 dagen voldaan. Buma mocht er dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Nu er verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, is de (oorspronkelijke) vordering van Buma bij gebreke van een grondslag niet toewijsbaar.

Conclusie

5.4

Gezien al het vorenstaande zal de kantonrechter het verzet gegrond verklaren en het tussen partijen gewezen verstekvonnis vernietigen, de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen opheffen en opnieuw recht doen, waarbij de vorderingen van Buma worden afgewezen en Buma en Sena als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten die zijn veroorzaakt door het eerdere niet verschijnen van [opposant], te weten de door [opposant] gemaakte kosten van de verzetdagvaarding, blijven ingevolge artikel 141 Rv voor rekening van [opposant].

5.5

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

In reconventie:

5.6

Artikel 6:203 BW bepaalt dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.

5.7

Vast staat dat [opposant] op 13 december 2010 een bedrag van € 600,00 ten behoeve van Buma aan GGN Maas-Delta heeft voldaan ter zake van de vergoeding voor de periode januari 2010 tot en met december 2010. Aangezien in conventie is geoordeeld dat tussen Buma en [opposant] geen overeenkomst tot stand is gekomen en voorts tussen partijen vast staat dat [opposant] in 2010 geen muziekwerken openbaar heeft gemaakt, heeft [opposant] zonder rechtsgrond en derhalve onverschuldigd aan Buma betaald. De gevorderde hoofdsom van € 600,00 wordt derhalve toegewezen. De wettelijke rente wordt als onweersproken en op de wet gegrond eveneens toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden toegewezen vanaf 13 december 2010 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.8

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Buma veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5.9

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

6 De beslissing

De kantonrechter,

in oppositie:

in conventie:

vernietigt het onder zaaknummer 1340157 \ CV EXPL 12-20568 gewezen verstekvonnis van 11 mei 2012;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Buma af;

[jw.sys.1.eiser_verz_versch_vastr_1]73,89veroordeelt Buma en Sena in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [opposant] vastgesteld op € 200,00 aan salaris voor zijn gemachtigde, te voldoen rechtstreeks aan die gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

veroordeelt Buma om aan [opposant] te betalen een bedrag van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Buma in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [opposant] bepaald op € 200,00 aan salaris voor zijn gemachtigde, te voldoen rechtstreeks aan die gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

643