Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10733

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
430963 HAZA 13-825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt schade te hebben geleden als gevolg van beschadigd raken van haar ondergrondse hemelwaterafvoerleiding bij heiwerkzaamheden door / in opdracht van gedaagden. Causaal verband kan in het midden blijven. Vordering afgewezen. Opdrachtgeeftser niet aansprakelijk voor eventuele fout bouwbedrijf (geen eenheid van inderneming in de zin van art 6:171 BW). Bouwbedrijf hoefde in redelijkheid niet bedacht te zijn op aanwezigheid leiding. Niet onzorgvuldig (en dus geen onrechtmatige daad) gehandels. Uit Klic-melding bleek bestaan leiding niet, verder geen concrete aanwijzing Klic-melding onjuist/onvolledig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/430963 / HA ZA 13-825

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. G.J. Schras,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTALAIR PRODUCTS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Velthuizen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] O.G. B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Velthuizen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTALBOUW B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Velthuizen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF [Z] B.V.,

gevestigd te Zevenbergen,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.A. Dielissen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Dentalair c.s. (voor alle gedaagden gezamenlijk) en afzonderlijk: Dentalair, [gedaagde 2], Dentalbouw en [gedaagde 4] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 juli 2013;

  • -

    de conclusies van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 2 oktober 2013;

  • -

    de akte wijziging van eis tevens indiening nadere stukken;

  • -

    de nadere stukken van [gedaagde 4];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 2] houdt zich bezig met de verhuur van onroerend goed, niet zijnde woonruimte.

2.2.

[gedaagde 4] houdt zich bezig met algemene en burgerlijke utiliteittsbouw.

2.3.

[gedaagde 4] heeft in opdracht van [gedaagde 2] werkzaamheden verricht ten behoeve van de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw, waaronder heiwerkzaamheden. Deze heiwerkzaamheden hebben in de tweede helft van juni 2011 plaatsgevonden.

2.4.

Het perceel waarop [eiseres] is gevestigd, is gelegen naast het perceel waar de heiwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

2.5.

In de ondergrond van het perceel van [eiseres], loopt een hemelwaterafvoer-leiding (hierna: hwa-leiding) die via het perceel van [gedaagde 2] uitmondt in de haven.

2.6.

Bij brief van 15 februari 2013 heeft [eiseres] Dentalairs c.s. aansprakelijk gesteld voor schade aan haar hwa-leiding.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert  samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk - des dat de aan betalende de ander zal zijn bevrijd -, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld en aansprakelijk zijn jegens eiseres voor de door haar ter zake geleden schade en nog te lijden schade;

II gedaagden hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd -, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de somma van

€ 72.602,20 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente per maand, subsidiair de wettelijke rente per maand, primair berekend vanaf 7 mei 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

Subsidiair: Dentalairs c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat.

Met hoofdelijke veroordeling van Dentalairs c.s. in de proceskosten inclusief nakosten.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe het volgende.

Dentalair c.s. hebben door [gedaagde 4] bouwwerkzaamheden laten uitvoeren nabij het perceel waarop [eiseres] is gevestigd. Tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is een hwa-leiding van [eiseres] beschadigd geraakt doordat met een heipaal door de leiding heen is geslagen. Hierdoor heeft [eiseres] schade geleden, bestaande uit:

  • -

    onderzoek schade hwa € 6.633,99

  • -

    reparatie hwa € 4.555,58

  • -

    herstel straatwerk € 60.000,--

  • -

    buitengerechtelijke

incassokosten € 1.412,63

Dentalair c.s. hebben onzorgvuldig en onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. Zij hadden bedacht moeten zijn op de mogelijke aanwezigheid van een ondergrondse hwa-leiding omdat in de buurt van een erfgrens en nabij de haven werd gebouwd. [gedaagde 2] is op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk voor de gedragingen van [gedaagde 4].

3.3.

Dentalair c.s. voeren verweer strekkende tot afwijzing van de vordering.

Dentalair, [gedaagde 2] en Dentalbouw hebben afzonderlijk van [gedaagde 4] verweer gevoerd.

Alle gedaagden betwisten dat de gestelde schade is veroorzaakt door de heiwerkzaamheden die [gedaagde 4] in opdracht van [gedaagde 2] heeft uitgevoerd. Subsidiair betwisten gedaagden dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld. Er is een KLIC-melding gedaan en uit de melding bleek niet dat er een leiding aanwezig was. Er bestond geen aanleiding voor gedaagden om rekening te houden met het bestaan van de leiding. De hoogte van de schade wordt betwist.

Namens Dentalair, [gedaagde 2] en Dentalbouw is aangevoerd dat zij niet aansprakelijk zijn voor eventuele schade die [gedaagde 4] heeft veroorzaakt bij de uitvoering van haar werkzaamheden. Er is geen sprake van ‘eenheid van onderneming’ in de zin van artikel 6:171 BW.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft haar eis gewijzigd als hiervoor vermeld. Dentalair c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Nu de wijziging geen strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal op de gewijzigde eis worden beslist.

4.2.

Ter comparitie heeft [eiseres] haar vordering jegens Dentalair en Dentalbouw ingetrokken, zodat slechts de vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ter beoordeling voorliggen.

Aansprakelijkheid van [gedaagde 2]?

4.3.

Allereerst zal worden beoordeeld of [gedaagde 2] aansprakelijk is voor een eventuele fout van [gedaagde 4]. Ingevolge artikel 6:171 BW is een opdrachtgever aansprakelijk voor fouten van niet-ondergeschikten die zijn begaan ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Ingevolge vaste jurisprudentie (zie HR 21-12-2001, NJ 2002,75) dient dit artikel restrictief te worden uitgelegd. Aansprakelijkheid voor een niet-ondergeschikte bestaat alleen indien door de niet-ondergeschikte ([gedaagde 4]) is deelgenomen aan de bedrijfsvoering van de opdrachtgever ([gedaagde 2]). Met andere woorden: er behoort een eenheid van onderneming te zijn tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer. Dit kan het geval zijn bijvoorbeeld bij een hoofdaannemer en een onderaannemer, of bij een vervoerder en een ondervervoerder. Dit doet zich hier niet voor. Het gaat hier om een verhuurder van onroerend goed en een bouwbedrijf. Van eenheid van onderneming is dan ook geen sprake.

Nu het beroep op artikel 6:171 BW faalt zal de vordering jegens [gedaagde 2] reeds om die reden worden afgewezen.

Aansprakelijkheid [gedaagde 4]?

4.4.

Ingevolge artikel 2 van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, dient de grondroerder ([gedaagde 4]) heiwerkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten.

4.5.

Vast staat dat voorafgaande aan de start van de werkzaamheden een KLIC-melding namens [gedaagde 4] is gedaan bij het kadaster. Naar aanleiding van deze melding is bij brief medegedeeld dat onder het betreffende perceel geen leidingen lagen en op de door [gedaagde 4] ontvangen tekening zijn geen leidingen aangegeven.

4.6.

In beginsel mocht [gedaagde 4] redelijkerwijze vertrouwen op de naar aanleiding van de KLIC-melding ontvangen informatie. Dit is slechts anders indien er concrete aanwijzingen waren dat die KLIC-melding onjuiste of onvolledige informatie opleverde en dat er een gerede kans was dat er toch een ondergrondse leiding aanwezig is, die niet werd vermeld in de ontvangen informatie.

4.7.

Aanvankelijk stelde [eiseres] zich op het standpunt dat de hwa-leiding zichtbaar uitmondt in de haven op het perceel van [gedaagde 2], hetgeen door [gedaagde 4] gemotiveerd is betwist. Ter zitting heeft [eiseres] echter gesteld dat zij niet weet of de uitmonding ten tijde van de bouwwerkzaamheden zichtbaar was. De uitmonding kan derhalve geen concrete aanwijzing zijn voor de onjuistheid of onvolledigheid van de KLIC-melding.

4.8.

De stelling van [eiseres] dat [gedaagde 4] bedacht had moeten zijn op de aanwezigheid van een hwa-leiding omdat de werkzaamheden nabij een erfgrens en/of haven plaatsvonden (hetgeen is betwist) treft geen doel. In zijn algemeenheid kan niet worden geoordeeld dat de kans op aanwezigheid van een ondergrondse hwa-leiding in de nabijheid van een erfgrens dan wel de haven dermate groot is dat [gedaagde 4] had moeten twijfelen aan de juistheid van de KLIC-melding. Nu overigens aan deze stelling geen concrete onderbouwing is gegeven door [eiseres], faalt dit betoog.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 4] in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn op de aanwezigheid van de hwa-leiding. Veronderstellende wijs aannemende dat de schade aan de hwa-leiding is veroorzaakt door de genoemde heiwerkzaamheden - zoals

[eiseres] stelt en [gedaagde 4] betwist - dan kan die schade niet aan [gedaagde 4] worden toegerekend.

4.10.

De vordering zal worden afgewezen.

4.11.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden begroot op:

[gedaagde 2]:

griffierecht € 1.836,--

salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten x tarief IV ad € 894,-- per punt)

€ 3.624,--

[gedaagde 4]:

griffierecht € 1.836,--

salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten x tarief IV ad € 894,-- per punt)

€ 3.624,--

4.12.

Partijen hebben ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bij vervroeging uitspreken van het vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van

[gedaagde 2] begroot op € 3.624,-- en aan de zijde van [gedaagde 4] begroot op € 3.624,--

- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling van [eiseres]

jegens [gedaagde 2] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 546