Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10624

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
C/10/438840 / FT RK 13-901
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van beschikking r-c in faillissement. R-c behoeft niet op grond van artikel 69 Fw de curator te bevelen zijn medewerking aan de verkoop van de woning van de failliet te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/438840 / FT RK 13-901

Beschikking van 20 december 2013 in hoger beroep op grond van artikel 67 Faillissementswet tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013 in het op 5 juni 2012 uitgesproken faillissement van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat mr. R.F. van Leeuwen,

curator: mr. S.K. Setz,

rechter-commissaris: mr. C. van Steenderen-Koornneef.

Appellant wordt hierna aangeduid als [appellant].

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 69 Fw d.d. 14 november 2013,

  • -

    het hoger beroepschrift met bijlagen van [appellant],

  • -

    de brief d.d. 13 december 2013,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 16 december 2013.

1.2.

De uitspraak op het hoger beroep is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Het beroep is tijdig ingesteld zodat [appellant] in zoverre ontvankelijk is in zijn beroep.

De bestreden beschikking d.d. 14 november 2013

2.2.

Uit de beschikking van de rechter-commissaris blijkt het volgende. [appellant] is eigenaar van een woning aan het [adres]. Deze is belast met hypotheek. Er is sprake van een achterstand in de betalingen aan de hypotheekbank. De curator heeft de hypotheekhouder een termijn gesteld tot 4 maart 2014 op grond van artikel 58 Fw om tot verkoop van de woning te geraken. Bij faxbericht van 11 november 2013 heeft de advocaat van [appellant] de curator, met kopie aan de rechter-commissaris, verzocht om de gedwongen verkoop van de woning te staken, aangezien de verwachte opbrengst vele malen lager zal zijn dan de daadwerkelijke waarde van de woning. De rechter-commissaris heeft dit verzoek opgevat als een verzoek op grond van artikel 69 Fw. De curator heeft bij faxbericht d.d. 11 november 2013 de rechter-commissaris verzocht het verzoek van [appellant] af te wijzen. Bij faxbericht van 12 november 2013 heeft de curator de rechter-commissaris bericht dat de hypotheekhouder een koper heeft gevonden en dat er een bod van € 170.000,00 op de woning is uitgebracht. De bank wil dit bod accepteren omdat niet de verwachting bestaat dat er binnen afzienbare termijn een beter bod wordt uitgebracht. Een executieverkoop zal naar alle waarschijnlijkheid een slechter resultaat opleveren. De rechter-commissaris heeft vervolgens als volgt overwogen:

“Uitgangspunt en doel van het faillissement is het vereffenen van het door het faillissement beslagen vermogen van de gefailleerde ten gunste van (de voldoening van de vorderingen van) de schuldeisers van gefailleerde. In dit licht dient de curator bij de uitoefening van de door hem in artikel 58 eerst lid Fw toegekende bevoegdheden voor ogen te houden dat die uitoefening in het belang van de boedel ofwel de gezamenlijke schuldeisers dient te zijn. Daarvan is niet alleen sprake indien de uitoefening van die bevoegdheid per saldo tot uitkering aan andere schuldeisers dan de op de opbrengst van de verkoop bevoorrechte hypotheekhouder kan leiden, maar ook als die uitoefening noodzakelijk is, in de woorden van artikel 101 Fw ‘ter bestrijding der kosten van het faillissement’. Met de curator ben ik van oordeel dat de verkoop van de woning noodzakelijk is om de thans gemaakte of de tot opheffing van de het faillissement nog te maken faillissementskosten te kunnen dekken. De curator heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat de woning verkocht moet worden.

Op grond van het voorgaande wijs ik het verzoek ex artikel 69 Fw af.”

De gronden van het beroep

2.3.

In het hoger beroepschrift heeft [appellant] dezelfde argumenten als vermeld onder 2.2. aangevoerd. Verder heeft hij op grond van de beschikking geconstateerd dat de rechter-commissaris toestemming heeft verleend om de woning te verkopen. [appellant] is van mening dat zijn verzoek (kort gezegd: verbod tot verkoop) moet worden toegewezen en dat het verzoek van de curator om de woning te verkopen moet worden afgewezen. [appellant] voert verder aan dat hij inmiddels als zzp-er inkomsten verwerft, er dus gelden in de boedel vloeien ter dekking van de faillissementskosten. Ter zitting heeft hij nog aangevoerd dat hij weer betalingen aan de hypotheekbank zal kunnen gaan voldoen en dat, als de beschikking van de rechter-commissaris is vernietigd, hij met de hypotheekbank om de tafel zal kunnen gaan om een betalingsregeling af te spreken zodat een nog lagere verkoopopbrengst in geval van veiling kan worden voorkomen. Bij verkoop blijft [appellant] namelijk met een hoge hypothecaire restschuld zitten en dat moet worden voorkomen. [appellant] verzoekt de rechtbank “de beschikking d.d. 14 november 2013 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de [appellant] teneinde de verkoop van de woning te verbieden, toe te wijzen.”

Het verweer van de curator

2.4.

De curator heeft medegedeeld dat de voorlopige koopovereenkomst inmiddels door hem en de koper is ondertekend en dat de levering is uitgesteld in verband met dit hoger beroep. De achterstand in de hypotheekbetalingen beloopt per 3 december 2013

€ 20.213,00. Sinds juli 2013 is [appellant] actief als zzp-er en genereert hij een wisselend maar beperkt inkomen. Er komen hierdoor niet tot nauwelijks middelen vrij vanwege de fiscale afdrachtverplichtingen van de boedel. De hypotheekachterstand kan dus niet op korte termijn worden ingelopen en er is geen sprake van dat de inkomsten zodanig stabiel zijn dat aan de hypotheekbank een realistisch voorstel tot aflossing kan worden gedaan. Afgezien van de met de hypotheekbank bedongen boedelbijdrage van € 3.500,00 ten behoeve van de verkoop kent de boedel slechts activa tot een beloop van € 5.027,00 tegenover een tijdsbesteding van de curator van 150 uur. De boedel heeft ook belang bij verkoop omdat dan het vrij te laten bedrag dat aan [appellant] toekomt zal dalen. In geval van een eigen woning is dat namelijk hoger dan in geval van een huurwoning. Aldus resteert er meer voor de crediteuren. De woning kan nu worden verkocht voor een bedrag van € 170.000,00, nadat de woning negen maanden te koop heeft gestaan. Dat is lager dan de marktwaarde van

€ 200.000,00 maar ligt dicht bij de gedwongen verkoopwaarde van € 175.000,00 en een stuk hoger dan de executiewaarde van € 142.000,00 zoals die waardes blijkens het overigens onbetwiste taxatierapport zijn vastgesteld.

Overwegingen rechtbank

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt. De curator heeft de hypotheekhouder op grond van artikel 58 Fw een termijn gesteld om de woning executoriaal te verkopen. Gedurende deze termijn heeft de hypotheekhouder een gegadigde gevonden. De hypotheekbank heeft vervolgens met de curator afgesproken dat de curator de woning verkoopt. De curator heeft voor zijn medewerking een door de bank te betalen boedelbijdrage van € 3.500,00 bedongen. Tussen hypotheekbank en curator is dus overeenstemming bereikt waarmee invulling wordt gegeven aan artikel 58 lid 2 Fw. De (in dit geval: gedeeltelijke) lossing van de hypotheek vindt door de curator achteraf plaats (zogenaamde oneigenlijke lossing), namelijk als de woning is geleverd. De gehele verkoopopbrengst komt, gelet op de hogere hypotheekschuld en haar separatistenpositie, aan de hypotheekbank toe op grond van artikel 57 Fw. De curator verkoopt de woning op grond van artikel 101 in verband met artikel 176 Fw aan de koper.

2.6.

Blijkens haar beschikking heeft de rechter-commissaris het verzoek van [appellant] de woning niet te verkopen opgevat als een verzoek op grond van artikel 69 Fw met als doel dat de rechter-commissaris de curator opdraagt zijn medewerking aan de verkoop na te laten. Ten tijde van het verzoek van [appellant] aan de rechter-commissaris was er immers nog geen sprake van een concreet bod op de woning. Het verzoek van de curator om toestemming tot verkoop op grond van artikel 101 Fw in verband met artikel 176 Fw dateert van 12 november 2013, dus daags na de indiening van het verzoek van [appellant].

2.7.

De rechter-commissaris is van oordeel dat de woning verkocht moet worden en heeft dus het verzoek van [appellant] om de curator te gebieden de verkoop van de woning te staken afgewezen en de curator toestemming gegeven tot verkoop op basis van de afspraken met de hypotheekbank. De rechtbank dient zich dus in dit hoger beroep een oordeel te vormen of de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Fw de curator een bevel moet geven, inhoudende dat de curator niet zijn medewerking mag verlenen aan de verkoop van de woning.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris op goede gronden dit verzoek heeft afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat in dit faillissement een beperkt actief aanwezig is dat aanzienlijk wordt vergroot door de boedelbijdrage van de hypotheekbank waardoor de aanzienlijke faillissementskosten kunnen worden bestreden. Verder is van belang dat door [appellant] geenszins aannemelijk is gemaakt dat hij over voldoende stabiele inkomsten zal beschikken om de maandelijkse hypothecaire lasten te betalen. Ter zitting is duidelijk geworden dat hij sinds maart 2013 geen enkele betaling meer aan de hypotheekbank heeft gedaan en dat de achterstand reeds van voor het faillissement dateert. Verder is de rechtbank met de curator van oordeel dat verkoop ook in het belang van de crediteuren is omdat als de woning is verkocht en [appellant] in een huurhuis woont het vrij te laten bedrag lager wordt vastgesteld en er dus meer gelden voor de crediteuren ter beschikking komen. Tot slot geldt dat [appellant] geenszins aannemelijk maakt dat de hypotheekbank na vernietiging van de beschikking genegen zou zijn om met hem een betalingsregeling over een te komen.

2.9.

Het beroep dient dus te worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

bekrachtigt de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.1

1354/2148/2309

1 type: coll: