Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10596

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
377134/HA ZA 11-992 en 371186/ HA ZA 11-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opeenvolgende overdrachten perceel grond voorafgegaan door samenstel van vaststellingsovereenkomsten; niet terugkomen op beslissingen in tussenvonnis; ontbinding eerste koopovereenkomst in verband met niet-nakoming verplichtingen door koper; vernietiging levering; bevel tot teruglevering; afwijzing vordering tot wijzigen gevolgen of gedeeltelijke ontbinding van vaststellingsovereenkomsten; veroordeling tot terugbetaling koopsom uit hoofde van ongedaanmakingsverbintenis; ontbinding tweede koopovereenkomst op grond van dwaling; terugbetaling koopsom door eerste koper/tweede verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

Vonnis in gevoegde zaken van 27 november 2013

in de zaak met zaaknummer/rolnummer 377134/HA ZA 11-992 van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.G. Kleverkamp te Rotterdam,

tegen

1 [Persoon 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Persoon 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Bedrijf 1],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink te Rotterdam,

4. [Bedrijf 2],

gevestigd te Oud-Beijerland,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. W.P. Brussaard te Oud-Beijerland,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 371186/ HA ZA 11-226 van

[Bedrijf 2],

gevestigd te Oud-Beijerland,

eiseres,

advocaat mr. W.P. Brussaard te Oud-Beijerland

tegen

1 [Bedrijf 1],

gevestigd te Rotterdam,

2. [Persoon 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Persoon 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de gemeente, [Persoon 1], [Personen 1 en 2] ([Persoon 1] en [Persoon 2]), [Bedrijf 1] en [Bedrijf 2] genoemd worden. [Persoon 1] en [Personen 1 en 2] zullen om praktische redenen zoveel mogelijk als [Bedrijf 1] worden aangeduid, ook als het in juridische zin om één of beide vennoten gaat.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 oktober 2012 (hierna: het tussenvonnis),

  • -

    de conclusie na tussenvonnis tevens wijziging van eis van de gemeente,

  • -

    de conclusie van antwoord na tussenvonnis tevens houdende aanvulling van eis van [Bedrijf 2],

  • -

    de conclusie van antwoord na tussenvonnis van [Personen 1 en 2] en [Bedrijf 1]

  • -

    de akte overlegging productie tevens vermeerdering van eisen in conventie van de gemeente,

  • -

    de antwoordakte van [Bedrijf 2],

  • -

    de antwoordakte van [Bedrijf 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

In de zaak 11-992 in conventie

2.1.

De gemeente vordert thans - na diverse wijzigingen en vermeerdering van eis,

- samengevat - primair,

te verklaren voor recht dat de eigendomsoverdracht van het perceel door de gemeente aan [Bedrijf 1] nietig is, dat de daarop volgende eigendomsoverdracht van het perceel door [Bedrijf 1] aan [Bedrijf 2] eveneens nietig is, dat de gemeente hierdoor kan worden ingeschreven als eigenaar van het perceel en dat de koopovereenkomst van 28 juni 2010 door de gemeente rechtsgeldig is ontbonden,

subsidiair, te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst van 28 juni 2010 door de gemeente rechtsgeldig is ontbonden en (vervolgens) de daaruit gevolgde levering van 18 oktober 2010 te vernietigen en

[Bedrijf 1] te verplichten tot (terug)levering van het perceel aan de gemeente binnen twee weken na betekening van het vonnis, op straffe van een boete van € 100, - per dag en daarnaast te bepalen dat de vaststellingsovereenkomsten van 28 juni 2010 zo komen te luiden dat [Bedrijf 1] hoofdelijk verplicht is tot terugbetaling van de door de gemeente betaalde schadevergoeding van € 238.000, - en

[Personen 1 en 2] en [Bedrijf 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de kosten van beslaglegging,

meer subsidiair, te verklaren voor recht dat [Bedrijf 1] en [Bedrijf 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gemeente en hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 343.000, -.

De rechtbank merkt hierbij ter toelichting op dat na de in de dagvaarding geformuleerde eis en de vermeerdering daarvan bij conclusie van 9 maart 2012, de gemeente bij conclusie van 7 november 2012 haar vordering integraal heeft geherformuleerd, zodat hetgeen hierboven is weergegeven daarop is gebaseerd, met inachtneming van de vermeerdering van eis bij akte van 22 mei 2013.

2.2.

In het navolgende zal op de aldus gewijzigde eis worden geoordeeld.

2.3.

De gemeente heeft haar primaire eis onderbouwd door - met een beroep op het overwogene in een beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 19 februari 2013 - te stellen dat de eerste en daarmee ook de tweede overdracht van het perceel ongeldig was wegens het ontbreken van een geldige titel. Hoewel de gemeente zulks niet stelt, zou de rechtbank dit standpunt alleen kunnen overnemen indien zij zou terugkomen op hetgeen zij daaromtrent onder 4.2 tot en met 4.4. van het tussenvonnis van 10 oktober 2012 (hierna: het tussenvonnis) heeft overwogen en beslist.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hier, in beginsel, in het verdere verloop van het geding aan gebonden. Deze gebondenheid heeft een op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. (HR 26-11-2010, NJ 2010, 634)

2.5.

Uitgangspunt is derhalve gebondenheid van de rechtbank aan haar eerder zonder voorbehoud geformuleerde beslissingen. Onderzocht dient te worden of de onder 2.3 bedoelde beslissingen op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag blijken te berusten. Dit is niet het geval. Vooropgesteld dient te worden dat de beslissing van 19 februari 2013 een tuchtrechtelijke procedure betreft tegen de notaris die de leveringsaktes ten behoeve van de twee eigendomsoverdrachten heeft opgesteld en gepasseerd. Dat in die procedure is vastgesteld dat de notaris geen wetenschap had omtrent betrokkenheid van mevrouw [Persoon 2] bij de koopovereenkomst van 28 juni 2010 brengt geen wijziging in de omstandigheid dat in onderhavige procedure is komen vast te staan dat zowel [Persoon 1] als [Persoon 2] die koopovereenkomst hebben ondertekend. Ook in de verdere reeks aan omstandigheden die de rechtbank tot haar oordeel omtrent de geldigheid van de aan de eerste akte ten grondslag liggende titel hebben gebracht, brengt hetgeen uit deze beslissing naar voren komt, geen verandering

2.6.

Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding om over te gaan tot heroverweging van de onderwerpelijke beslissingen. Het primair gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

2.7.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank - samengevat - beslist dat aan de eerste akte een geldige titel ten grondslag lag en dat [Persoon 1] (lees: [Bedrijf 1]) te kort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen op grond van de koopovereenkomst (van 28 juni 2010) en daardoor in verzuim is geraakt.

2.8.

Nu [Bedrijf 1] hier niet nader op gereageerd heeft ligt de eerste subsidiaire eis voor toewijzing gereed. De rechtbank zal voor recht verklaren dat de koopovereenkomst van 28 juni 2010 rechtsgeldig door de gemeente is ontbonden. Ook tegen de tweede subsidiaire eis heeft [Bedrijf 1] geen verweren meer gevoerd, zodat de levering van het perceel d.d. 18 oktober 2010 zal worden vernietigd.

2.9.

[Bedrijf 1] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de door de gemeente gevorderde op te leggen verplichting tot (terug)levering van het perceel, zodat ook dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank verstaat dat de gevorderde boete bedoeld is als dwangsom, en dat deze op te leggen dwangsom wordt gemaximeerd op € 250.000, -.

2.10.

[Bedrijf 1] heeft zich wel verzet tegen de door de gemeente gevorderde wijziging van de vaststellingsovereenkomsten van 28 juni 2010 zodat deze zo komen te luiden dat [Bedrijf 1] hoofdelijk verplicht is tot terugbetaling van de door de gemeente betaalde schadevergoeding van € 238.000, -.

Zoals in het tussenvonnis (onder 2.1) is vastgesteld, zijn deze vaststellingsovereenkomsten het uitvloeisel van een mediationprocedure die plaatsvond in verband met een rechtsstrijd tussen de gemeente en [Bedrijf 1] omtrent het perceel. Onderdeel van deze vaststellingsovereenkomsten was de verplichting van de gemeente om aan [Bedrijf 1] een schadevergoeding te betalen, naar de rechtbank begrijpt vanwege een verder in het verleden liggende verkleining van het perceel door toedoen van de gemeente.

2.11.

De gemeente heeft haar vordering op dit punt - zij het in het kader van bespreking van de voorwaardelijke vordering in reconventie - onderbouwd door te wijzen op de gang van zaken bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel en de vaststellingsovereenkomsten. Zij stelt in het kader van de mediationprocedure te hebben ingestemd met betaling van bedoelde schadevergoeding omdat zij ten onrechte een deel van het voor [Bedrijf 1] bestemde perceel aan een derde had verkocht, waardoor [Bedrijf 1] extra ontwikkelingskosten moest maken, en omdat [Bedrijf 1] voornemens was op het perceel een - door de gemeente gewenst - gezondheidscentrum te realiseren. Nu [Bedrijf 1] haar verplichting dienaangaande niet is nagekomen en er wederom sprake is van een gerechtelijke procedure, vordert de gemeente de betaalde schadevergoeding terug.

2.12.

[Bedrijf 1] stelt dat de vaststellingsovereenkomsten betrekking hadden op schade en een geschil omtrent zowel het onderhavige perceel, als een ander perceel waarop door [Bedrijf 1] een woonhuis is gerealiseerd. De rechtbank begrijpt het standpunt van [Bedrijf 1] aldus dat de thans te bevestigen ontbinding van de koopovereenkomst in een te ver verwijderd verband met de vaststellingsovereenkomsten staat om tot wijziging daarvan over te kunnen gaan.

2.13.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zich onder de diverse - kennelijk op 28 juni 2010 - gesloten vaststellingsovereenkomsten, onder meer bevinden een “Vaststellingsovereenkomst schadeafwikkeling woning aan de [adres] [plaats]” (hierna: vaststellingsovereenkomst woning) en een “Vaststellingsovereenkomst schadeafwikkeling”, (hierna: vaststellingsovereenkomst perceel). De vaststellingsovereenkomst perceel houdt in dat de gemeente aan [Bedrijf 1] een schadebedrag van € 202.300, - vergoedt. Op grond van de verwijzing in deze vaststellingsovereenkomst perceel naar een derde - niet nader aangeduide - vaststellingsovereenkomst, en de inhoud van die derde vaststellingsovereenkomst, staat vast dat dit schadebedrag is bedoeld als onderdeel van de finale beslechting van een in 2008 gestarte civielrechtelijke procedure met betrekking tot het perceel.

De vaststellingsovereenkomst woning houdt in dat de gemeente aan [Bedrijf 1] een schadebedrag van € 35.700, - vergoedt. Uit de inhoud van deze en andere vaststellingsovereenkomsten blijkt dat dit betrekking heeft op een geschil dat geen deel van een (civiel)rechtelijke procedure uitmaakte, maar dat op verzoek van [Bedrijf 1] in de mediationprocedure is betrokken.

2.14.

Gezien de hiervoor weergeven inhoud van de vaststellingsovereenkomsten is destijds een duidelijk onderscheid gemaakt tussen schadevergoeding met betrekking tot het perceel en schadevergoeding met betrekking tot een woning. Uit de stellingen van de gemeente blijkt niet waarom deze laatste schadevergoeding, die in geen ander verband met het perceel staat dan dat [Bedrijf 1] tijdens de mediationprocedure er op heeft aangedrongen dat die kwestie tegelijkertijd werd opgelost, aan de gemeente zou moeten worden terugbetaald op grond van de thans te bevestigen ontbinding van de koopovereenkomst. Dat deel van de vordering dient derhalve te worden afgewezen.

2.15.

Anderzijds vloeit uit het voorgaande wel voort dat het onder 2.12 weergegeven verweer van [Bedrijf 1] onvoldoende is onderbouwd. De feiten laten immers geen andere conclusie toe dan dat de gemeente ter beslechting van het geschil dat zij met [Bedrijf 1] had omtrent (de te kleine oppervlakte van) het perceel, bereid was om een schadevergoeding te betalen. Er is derhalve sprake van een rechtstreeks verband tussen die schadevergoeding en het perceel.

2.16.

Aan de orde is nu nog de vraag of de gemeente zich op goede gronden kan beroepen op het met toepassing van het bepaalde in artikel 6:258 en/of 6:248 BW wijzigen van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomsten dan wel op het gedeeltelijk ontbinden daarvan. [Bedrijf 1] ziet geen rechtsgrond voor wijziging of ontbinding van deze afspraken.

2.17.

Iedere vaststellingsovereenkomst bevat de volgende bepaling: “Partijen verbinden zich, ingeval van tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomsten, deze geheel, noch gedeeltelijk te ontbinden;…”. Deze bepaling bevestigt wat op zichzelf al het geval is, namelijk dat een vaststellingsovereenkomst naar haar aard de strekking heeft om de rechtsverhouding tussen partijen, veelal na een geschil, voor de toekomst vast te leggen en daarmee voor beide partijen rechtszekerheid te scheppen.

Dit gegeven vormt als zodanig al een vrij hoge drempel voor het langs juridische weg achteraf aanbrengen van wijziging in de rechtsgevolgen van een vaststellingsovereenkomst. Artikel 6:248, tweede lid, waar de gemeente zich kennelijk op beroept (het door haar gevorderde kan alleen gerealiseerd worden door het buiten toepassing laten van hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomsten hebben afgesproken) verhoogt die drempel door te eisen dat het van toepassing laten zijn, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Ten slotte wordt bedoelde drempel verder verhoogd door de omstandigheid dat sprake is van diverse met elkaar samenhangende overeenkomsten ten aanzien van het perceel, zoals hiervoor onder 2.13 is geschetst. Het in dat na uitvoerige onderhandelingen tot stand gekomen afgewogen geheel van afspraken aanbrengen van wijzigingen brengt het risico met zich dat zo niet alle, dan toch wel het merendeel van de gemaakte afspraken op losse schroeven komen te staan.

2.18.

De stelling van de gemeente dat zij in het kader van de mediationprocedure heeft ingestemd met betaling van bedoelde schadevergoeding omdat zij ten onrechte een deel van het voor [Bedrijf 1] bestemde perceel aan een derde had verkocht en omdat [Bedrijf 1] voornemens was op het perceel een gezondheidscentrum te realiseren is onvoldoende om de aldus vastgestelde hoge drempel te overwinnen en over te gaan tot wijziging of gedeeltelijke ontbinding zoals door de gemeente gevorderd. Zo heeft de gemeente onvoldoende aangevoerd voor doorbreking van het uitgangspunt dat de vaststellingsovereenkomst niet nadien gewijzigd kan worden en heeft zij evenmin voldoende onderbouwd waarom het in stand laten van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomsten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voorts heeft zij gesteld noch onderbouwd dat het door haar gevorderde het evenwicht in het geheel van afspraken niet op onaanvaardbare wijze zal wegnemen. Dit had wel op haar weg gelegen. De vordering zal op dit punt derhalve worden afgewezen.

in de zaak 11-992 in reconventie

2.19.

[Bedrijf 1] vordert dat de gemeente zal worden geboden alsnog toestemming voor verkoop en levering van het perceel aan [Bedrijf 2] te geven. Nu de rechtbank in het voorgaande heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst tussen de gemeente en [Bedrijf 1] rechtsgeldig door de gemeente is ontbonden, is ook de voorwaardelijke vordering van [Bedrijf 1] dat de gemeente de door [Bedrijf 1] betaalde koopsom van € 222.000, - terugbetaalt, aan de orde.

2.20.

Nu [Bedrijf 1] als gevolg van de beslissing in het geschil in conventie geen aanspraak heeft op het perceel, kan toewijzing van het eerste deel van de vordering geen effect sorteren. Wat zij niet heeft kan zij ook niet vervreemden. Derhalve heeft zij geen belang bij toewijzing dit deel van de vordering.

2.21.

Ten aanzien van de vordering tot terugbetaling van de koopsom heeft de gemeente gesteld dat die koopsom nimmer als zodanig door [Bedrijf 1] is betaald, maar dat deze is verrekend met het schadebedrag dat de gemeente in het kader van de koop- en vaststellingsovereenkomsten van 28 juni 2010 aan [Bedrijf 1] heeft betaald. In dit verband heeft zij gewezen op de nauwe feitelijke en economische samenhang tussen de koopovereenkomsten en de vaststellingsovereenkomst.

2.22.

Onder 2.8 heeft de rechtbank aangekondigd dat voor recht zal worden verklaard dat de koopovereenkomst rechtsgeldig door de gemeente is ontbonden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de koopovereenkomst, anders dan de vaststellingsovereenkomsten, geen afspraak bevat dat partijen in geval van tekortkoming in de nakoming daarvan deze niet zullen ontbinden. In het licht van die ontbinding ligt voor de hand dat wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan, met name gericht op het terugleveren van het perceel en op het terugbetalen van de koopprijs. Nu de vordering tot nakoming van eerstgenoemde ongedaanmakingsverbintenis in dit vonnis reeds is toegewezen, dient uitgangspunt te zijn dat ook de tweede ongedaanmakingsverbintenis wordt nagekomen. Het verweer van de gemeente dat geen sprake is geweest van betaling van een koopsom door [Bedrijf 1] snijdt geen hout. De gemeente erkent immers dat sprake was van een verplichting van [Bedrijf 1] tot betaling van de koopsom. Dat deze is verrekend met het schadebedrag dat de gemeente aan [Bedrijf 1] verschuldigd was, betekent niet dat thans geen sprake kan zijn van een na te komen ongedaanmakingsverbintenis. Bovendien is er geen sprake van dat het afgewogen geheel van afspraken dat wordt gevormd door de koopovereenkomst en de vaststellingsovereenkomsten hierdoor in onbalans wordt gebracht. Integendeel, de onbalans die hierin is ontstaan door het opleggen van de terugleveringsverplichting aan [Bedrijf 1] wordt verminderd of ongedaan gemaakt door terugbetaling van de koopsom aan [Bedrijf 1]. Dat die koopsom niet in verhouding zou staan tot de waarde van het perceel is door de gemeente niet gesteld en ook overigens niet gebleken.

2.23.

De gemeente zal worden veroordeeld tot betaling van € 222.000, - aan [Bedrijf 1].

in de zaak 11-992 in conventie en in reconventie

2.24.

De gemeente en [Bedrijf 1] zijn over en weer deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat beide partijen hun eigen kosten dragen. De gemeente is jegens [Bedrijf 2] aan te merken als in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in diens proceskosten. Deze worden in conventie begroot op € 1.414, - aan griffierecht en op € 6.000, - (3 punten x € 2.000, -) aan salaris advocaat.

in de zaak 11-226

2.25.

[Bedrijf 2] vordert - na wijziging van eis, samengevat - te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst van 12 oktober 2010 buitengerechtelijk is ontbonden en de levering van het perceel te vernietigen, te bepalen dat de (terug)levering door [Bedrijf 2] van het perceel aan [Bedrijf 1] in de plaats treedt van de notariële akte tot levering, alsmede veroordeling van [Bedrijf 1] tot betaling van € 698.407,20, alsmede van buitengerechtelijke kosten en kosten van beslaglegging, vermeerderd met rente en kosten.

2.26.

De rechtbank roept in herinnering dat in de “Afspraken op hoofdlijnen” tussen [Bedrijf 2] en [Bedrijf 1] van 12 oktober 2010 is vastgelegd dat [Bedrijf 2] het perceel van [Bedrijf 1] koopt voor € 565.000, -. In deze afspraken, welke door partijen en de rechtbank als koopovereenkomst worden aangemerkt, is vastgelegd dat [Bedrijf 2] op het perceel een gebouw en parkeerplaatsen wil realiseren, en is een aantal ontbindende voorwaarden vastgelegd. Deze hebben onder meer betrekking op het kunnen realiseren van een gebouw met volledige kantoorbestemming ondanks een daarop ziende beperking in de bestemmingsplanvoorschriften, en op het verkrijgen van toestemming van de gemeente voor de overdracht van het perceel.

2.27.

Ter beantwoording ligt in de eerste plaats voor of [Bedrijf 2] bij brief van 29 oktober 2010 op goede gronden de koopovereenkomst heeft vernietigd op grond van dwaling. [Bedrijf 2] heeft daartoe gesteld dat het voor haar essentieel was om in afwijking van de op het perceel rustende “maatschappelijke bestemming” (gezondheidscentrum) het perceel “commercieel” te kunnen ontwikkelen (kantoorgebouw). Na het passeren van de tweede akte is haar gebleken dat daarin ten onrechte de haar beperkende bepalingen niet waren opgenomen en dat de gemeente geen toestemming voor haar bouwplannen zou geven.

2.28.

[Bedrijf 1] stelt dat geen sprake is van enige op haar rustende verbintenis om het perceel onder zodanige voorwaarden te leveren dat daarop een kantoorgebouw zou kunnen worden gerealiseerd. Zij heeft daarvoor geen garantie gegeven en in de besprekingen tussen partijen voorafgaand aan de koopovereenkomst is het vervallen van de bouwplicht niet aan de orde geweest.

2.29.

[Bedrijf 2] kan zich succesvol op dwaling beroepen indien komt vast te staan dat aan haar kant sprake was van een verkeerde voorstelling van zaken omtrent, of van onbekendheid met, bepaalde feiten en als de overeenkomst bij een juist voorstelling of bij bekendheid met die feiten, niet, dan wel niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Uit e-mailberichten van [Persoon 1] van 31 augustus en 8 september 2010 blijkt dat [Persoon 1] zich - naar zijn zeggen succesvol - ten behoeve van [Bedrijf 2] bemoeide met het verkrijgen van medewerking van de deelgemeente bij het aanpassen van de bouwmogelijkheden op het perceel. De opmerking in de e-mail van 8 september 2010 dat alle ontbindende voorwaarden niet meer van toepassing zijn kan niet anders worden begrepen dan dat [Bedrijf 1] van mening was dat aan de voorwaarden van [Bedrijf 2] was voldaan. Zonder nadere onderbouwing van de kant van [Bedrijf 1] - welke ontbreekt - is onbegrijpelijk dat dit niet zou zien op de voorwaarde om op het perceel een kantoorgebouw te kunnen bouwen. [Bedrijf 1] was immers doende geweest om via de deelgemeente te bewerkstelligen dat [Bedrijf 2] daartoe in staat zou zijn. Het had bovendien op de weg van [Bedrijf 1] gelegen om gemotiveerd te stellen dat het prijsverschil tussen de koopprijs van het perceel voor [Bedrijf 1] en voor [Bedrijf 2] ten belope van € 343.000, - niet was gelegen in het zijn ontstaan van de zakelijk gezien waardevollere bouwmogelijkheid van een kantoorpand ten opzichte van een gezondheidscentrum. Los hiervan was objectief bezien geen sprake van enige omstandigheid die een verklaring voor dit prijsverschil had kunnen vormen. Nu [Bedrijf 1] hieromtrent niets, laat staan gemotiveerd, heeft gesteld, moet worden aangenomen dat het kunnen bouwen van een kantoorpand voor [Bedrijf 2] doorslaggevend was bij het aangaan van de koopovereenkomst.

2.30.

Nu in de concept-leveringsakte volgens mededeling van [Bedrijf 1] bij e-mail van 11 oktober 2010 juist bepalingen uit de leveringsakte met betrekking tot de eigendomsoverdracht van de gemeente aan [Bedrijf 1] die het realiseren van een kantoorpand in de weg zouden kunnen staan niet waren opgenomen, heeft [Bedrijf 2] op goede gronden gemeend of kunnen menen dat die beoogde realisatie zou kunnen plaatsvinden.

2.31.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kon [Bedrijf 2] zich op goede gronden op dwaling bij het aangaan van de overeenkomst beroepen en zal de rechtbank bevestigen dat deze op goede gronden buitengerechtelijk is ontbonden. Nu aan de hierop gebaseerde leveringshandeling derhalve een geldige titel ontbrak, zal deze levering worden vernietigd. Voorts zal, nu [Bedrijf 1] zich daartegen op zichzelf niet verzet, worden bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de notariële akte tot levering van [Bedrijf 2] aan [Bedrijf 1].

2.32.

Het door [Bedrijf 2] gevorderde geldbedrag betreft het aan hem door de notaris ter gelegenheid van de levering in rekening gebrachte, bestaande uit de koopsom van de grond verhoogd met BTW, alsmede door de gemeente in rekening gebrachte legeskosten voor de aanvraag van de bouwvergunning en diverse andere kosten. [Bedrijf 2] heeft de hoogte van dit bedrag onderbouwd door overlegging van de notariële factuur. [Bedrijf 1] heeft de hoogte en de verschuldigdheid hiervan, noch van de wettelijke rente in de situatie zoals deze - na voorgaande beslissing – is ontstaan, rechtens niet betwist, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

2.33.

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [Bedrijf 1] er terecht op gewezen dat [Bedrijf 2] heeft nagelaten op enige wijze te onderbouwen dat dergelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De vordering wordt op dit onderdeel derhalve afgewezen.

2.34.

Met betrekking tot de door [Bedrijf 2] gevorderde beslagkosten ad € 368,84 overweegt de rechtbank dat deze deugdelijk zijn onderbouwd en door [Bedrijf 1] niet zijn betwist, zodat de vordering op dit onderdeel zal worden toegewezen.

2.35.

[Bedrijf 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [Bedrijf 2] worden begroot op € 1.395, - aan griffierecht en aan salaris advocaat op € 5.000, - (2,5 punten x € 2.000, -).

3 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 11-992 in conventie

3.1.

verklaart voor recht dat de koopovereenkomst van 28 juni 2010 rechtsgeldig door de gemeente is ontbonden,

3.2.

veroordeelt [Bedrijf 1] tot (terug)levering van het perceel aan de gemeente binnen twee weken na betekening van dit vonnis,

3.3.

veroordeelt [Bedrijf 1] om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 100, - voor iedere dag dat zij niet aan de in 3.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000, - is bereikt,

3.4.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten aan de zijde van [Bedrijf 2] tot op heden in conventie begroot op € 1.414, - aan griffierecht en op € 6.000, - aan salaris advocaat,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak 11-992 in reconventie

3.7.

veroordeelt de gemeente om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [Bedrijf 1] te betalen het bedrag van € 222.000, - (zegge: tweehonderdtweeëntwintigduizend euro),

in de zaak 11-992 in conventie en in reconventie

3.8.

compenseert de proceskosten in de verhouding tussen de gemeente en [Bedrijf 1] aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de zaak 11-226

3.9.

verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst d.d. 12 oktober 2010 buitengerechtelijk is ontbonden,

3.10.

vernietigt de rechtshandeling waarbij het perceel bij de notarieel verleden akte d.d. 18 oktober 2010 is geleverd aan [Bedrijf 2],

3.11.

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van een notariële akte tot levering van het perceel door [Bedrijf 2] aan [Bedrijf 1] respectievelijk aan [Persoon 1] en [Persoon 2],

3.12.

veroordeelt [Bedrijf 1], [Persoon 1] en [Persoon 2] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [Bedrijf 2] van een bedrag van € 698.407,20 (zegge: zeshonderd achtennegentigduizend vierhonderdzeven euro en twintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 5 december 2010 tot de dag der algehele voldoening,

3.13.

veroordeelt [Bedrijf 1], [Persoon 1] en [Persoon 2] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [Bedrijf 2] van een bedrag van € 368,84 (zegge: driehonderdachtenzestig euro en vierentachtig cent),

3.14.

veroordeelt [Bedrijf 1] in de proceskosten aan de zijde van [Bedrijf 2] tot op heden begroot op € 1.395, - aan griffierecht en op € 4.000, - aan salaris advocaat,

3.15.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.16.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.

[427/2537]