Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10573

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
C/10/417841 / HA ZA 13-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Bewijswaardering. Bij handelingen tussen rechtspersonen mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat schriftelijk wordt gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0010

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

Vonnis van 11 december 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/417841 / HA ZA 13-158 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELAMIO B.V.,

gevestigd te Zandvoort,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N.R. Schaap te Haarlem,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

USHANT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. Hendrik Richard [Gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M. Snoek te Den Haag.

Partijen worden hierna “Belamio”, “Ushant” en “[Gedaagde 2]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 28 augustus 2013.

1.2.

Naar aanleiding van dat tussenvonnis heeft Belamio een Akte overleggen bewijs tevens (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van getuigen genomen en daarbij producties 14 tot en met 21 in het geding gebracht.

Ushant en [Gedaagde 2] hebben daarop gereageerd bij Antwoordakte.

1.3.

Belamio heeft daarop verzocht een nadere akte te mogen nemen. De rolrechter heeft dat verzoek afgewezen.

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

In conventie

2.1.

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 28 augustus 2013. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat Ushant en [Gedaagde 2] gemotiveerd betwisten de stelling van Belamio dat zij een bedrag van € 60.000,- onder de – niet betwiste – overeenkomst van geldlening aan Ushant ter beschikking heeft gesteld door dat bedrag in enkele bedragen in 2012 aan of ten behoeve van ZP Service te betalen bij wijze van voldoening van de verplichting van Ushant tot inbreng in ZP Service. Met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv heeft de rechtbank Belamio opgedragen die stelling te bewijzen.

2.2.

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft Belamio de volgende bescheiden in het geding gebracht: op schrift gestelde verklaringen van [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), ongedateerd, (productie 14), [persoon 2], gedateerd 20 september 2013 (productie 15) en [persoon 3], gedateerd 10 september 2013 (productie 20), een e-mail van[persoon 4] (hierna: [persoon 4]) van 2 maart 2012 (productie 16), een e-mail van [persoon 4] van 5 maart 2012 (productie 17), de balans van ZP Service over 2012 opgesteld en/of goedgekeurd op 16 september 2013 (productie 18), een op schrift gestelde verklaring van accountant-administratieconsulent [persoon 5] van 20 september 2013 (productie 19) en een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 27 augustus 2013 (productie 21).

2.3.

Eerder waren de volgende bescheiden betreffende de bewijsopdracht in het geding gekomen:

  • -

    afschriften van de bankrekening ten name van Belamio van 4 augustus 2011, 3 februari 2012;

  • -

    afschriften van de bankrekening ten name van ZP Service van 30 november 2011, 31 januari 2012, 29 februari 2012, 31 mei 2012, 31 augustus 2012;

  • -

    e-mailwisseling tussen [persoon 4] en [Gedaagde 2] van 25 januari 2012;

  • -

    e-mailwisseling tussen [persoon 4], [persoon 1] en [Gedaagde 2] van 21 februari 2012;

  • -

    een e-mail van [persoon 4] van 29 mei 2012 met de periodebalans van ZP Service per 29 mei 2012;

  • -

    e-mailwisseling tussen [persoon 4] en [Gedaagde 2] van 24 en 25 augustus 2012;

  • -

    een e-mail van [persoon 4] van 29 augustus 2012 met de periodebalans van ZP Service per 29 augustus 2012

  • -

    de Beëindigingsovereenkomst samenwerking ZP Service B.V. van 20 november 2012 (hierna: Beëindigingsovereenkomst).

2.4.

Bij de beantwoording van de vraag of Belamio het opgedragen bewijs heeft geleverd stelt de rechtbank de volgende tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden voorop.

2.4.1.

In de Aandeelhoudersovereenkomst van 1 maart 2012 (productie 7 van Belamio) hebben de aandeelhouders in ZP Service, waaronder Belamio, Ushant en [bedrijf 1], afgesproken dat ieder “tot een maximaal bedrag van € 60.000,- kapitaal in ZP [Service] [en PA BV] in[brengt], in de vorm van aandelenkapitaal dan wel een achtergestelde geldlening”.

2.4.2.

In de overeenkomst van geldlening van januari 2012 tussen Belamio als geldverschaffer en Ushant en [Gedaagde 2] als geldnemers is onder meer het volgende bepaald: “De schuldenaar kan over de lening beschikken voor de financiering van een kapitaalstorting in ZP Service BV dan wel ZP PA BV.”.

Kennelijk is tussen Belamio en[bedrijf 1] een soortgelijke geldlening overeengekomen als tussen Belamio en Ushant en [Gedaagde 2].

2.4.3.

In de Beëindigingsovereenkomst, waarin de voorwaarden voor beëindiging van de samenwerking tussen de vier aandeelhouders in ZP Service is geregeld en die ook door Belamio en Ushant is ondertekend, is onder meer bepaald “Partijen komen overeen dat [Gedaagde 2] zijn gehele aandelenpakket in ZPservice zal overdragen aan ZPservice B.V., of nader door ZP service aan te wijzen (rechts)persoon, tegen betaling van een bedrag van Euro 1,-. Deze overdracht vindt plaats uiterlijk vrijdag 23 november ten kantore van een door ZPservice aan te wijzen notaris. De stortingsplicht van [Gedaagde 2] van de aanvullende financiering ten bedrage van
-afgerond- Euro 30.000,- komt te vervallen door uitvoering van deze aandelenoverdracht. Voor het overige ontstaat door deze overeenkomst een finale kwijting tussen [Gedaagde 2]/Ushant en ZPservice B.V. Dit laat onverlet de bilaterale schuldverhouding tussen [persoon 4]/Belamio BV en [Gedaagde 2].”.

Ushant heeft haar aandelenpakket in ZP Service conform de Beëindigingsovereenkomst overgedragen.

2.4.4.

Belamio heeft het door haar gestelde bedrag van € 60.000,- niet aan Ushant of [Gedaagde 2] betaald en het evenmin als één bedrag aan ZP Service of ten behoeve van laatstgenoemde voor Ushant betaald.

2.5.

Gegeven de afspraak in de Aandeelhoudersovereenkomst en mede gelet op het bepaalde in de artikelen 2:191 en 191a (oud) BW, diende Ushant het bedrag van “maximaal” € 60.000,- in beginsel in geld te storten op de bankrekening van ZP Service.

Ingevolge artikel 6:30 lid 1 BW kan een ander (hier: Belamio) dan de schuldenaar (hier: Ushant) de verbintenis van de schuldenaar ten opzichte van de schuldeiser (hier: ZP Service) voldoen en wordt met die betaling de schuldenaar gekweten, mits die ander bij zodanige betaling zich ervan bewust is dat de verbintenis rust op de schuldenaar, een ander dan hemzelf, en hij beoogt de verbintenis van die schuldenaar te voldoen (vgl.: TM. Parl. Gesch. Boek 6, blz. 158; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1 2012/199 e.v.).

Betaling door een derde (hier: Belamio) van een schuld van een ander (hier: Ushant) aan de schuldeiser (hier: ZP Service) kan ook geschieden in de vorm dat de derde een schuld van de schuldeiser aan een vierde partij voldoet. Bij zodanige betaling voor de schuldeiser aan een vierde partij is in feite sprake van ‘dubbele’ betaling voor een ander en zal het minder duidelijk zijn of de derde die betaling verrichtte ter kwijting van de schuld van de schuldenaar aan de schuldeiser.

2.6.

Het gaat hier om bewijslevering van de stelling van Belamio, een rechtspersoon, dat zij aan ZP Service, ook een rechtspersoon, of aan een vierde partij ten behoeve van ZP Service, betalingen tot het beloop van € 60.000,- heeft verricht ter voldoening aan de stortingsverplichting van Ushant, ook een rechtspersoon, als aandeelhouder van ZP Service. Bij handelingen tussen rechtspersonen mag er in beginsel van worden uitgegaan dat schriftelijk wordt gehandeld.

2.7.

Uit de stellingen van Belamio en uit een aantal van de onder 2.2 en 2.3 genoemde en in zoverre niet bestreden bescheiden blijkt dat Belamio vóór november 2012 diverse betalingen heeft verricht aan en ten behoeve van ZP Service. Belamio stelt dat zij tot een beloop van meer dan € 210.000,- zodanige betalingen heeft verricht.

Met die betalingen bedoelde Belamio, eveneens volgens haar stellingen, onder meer aan haar eigen stortingsplicht, die van [bedrijf 1] en die van Ushant te voldoen. Uit de enkele omstandigheid dat Belamio aan of voor ZP Service betalingen deed kan derhalve niet worden afgeleid dat zij die betalingen ter delging van de schuld van Ushant aan ZP Service verrichtte.

2.8.

In de Beëindigingsovereenkomst wordt de “schuldverhouding” tussen Belamio en [Gedaagde 2]/Ushant bevestigd, zodat het bestaan van een schuldverhouding tussen deze partijen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst, 20 november 2012 voldoende is aangetoond. Maar daarmee staat de omvang van de schuld van Ushant en [Gedaagde 2] aan Belamio daarmee nog niet vast.

2.9.

Uit de (in 2.4.3 aangehaalde tekst van de) Beëindigingsovereenkomst valt niet af te leiden dat Ushant ten tijde van haar uittreding een bedrag van € 60.000,- (al dan niet door betalingen door Belamio) had gestort. In de Beëindigingsovereenkomst wordt Ushant (aldaar aangeduid als “[Gedaagde 2]”) ontslagen van een stortingsplicht ten aanzien van “een aanvullende financiering ten bedrage van -afgerond- Euro 30.000,-” en wordt aan Ushant finale kwijting verleend. Uit die kwitantie volgt niet zonder meer dat Ushant het bedrag van € 60.000,- aan ZP Service heeft betaald, omdat tegenover de kwijting (ook) de overdracht van de aandelen door Ushant aan (een door) ZP Service (te noemen partij) staat.

Dat die kwitantie strekt ter bevestiging van de voldoening van € 60.000,- door Ushant aan ZP Service blijkt evenmin uit de overgelegde verklaring van [persoon 1] waarin over de Beëindigingsovereenkomst wordt gesproken. Andere bewijsstukken ter uitlegging van de Beëindigingsovereenkomst liggen niet voor.

2.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de administratie van ZP Service in 2012 werd gevoerd door of onder verantwoordelijkheid van [persoon 4], de bestuurder en aandeelhouder van Belamio, en dat de onder 2.3 genoemde periodebalansen van ZP Service per 29 mei en 29 augustus 2012 op die wijze tot stand zijn gekomen en door [persoon 4] bij e-mails van dezelfde data aan de overige drie aandeelhouders in ZP Service zijn toegezonden.

2.11.

Hetgeen in 2.4.4, 2.5, 2.6, 2.7 en 2.10 is overwogen brengt mee dat van Belamio mocht worden verwacht dat voor zover zij met haar betalingen aan of ten behoeve van ZP Service beoogde op de schuld van Ushant te betalen, zij daarvan schriftelijk liet blijken. Derhalve diende Belamio bij betalingen op de schuld van Ushant aan ZP Service en/of aan Ushant/[Gedaagde 2] mede te delen dat zij voor Ushant betaalde. Zodanige mededeling kon Belamio doen hetzij bij de betaling zelf (als beschrijving van het doel van de betaling op de betaalopdracht, die op het rekeningafschrift wordt vermeld), hetzij op een andere wijze aan ZP Service en/of Ushant/[Gedaagde 2].

2.12.

Uit de genoemde periodebalansen blijkt dat in de administratie van ZP Service de betalingen door Belamio aan dan wel ten behoeve van ZP Service werden geboekt als “kortlopende schulden” in “rekening-courant Belamio”, ook nog op data waarop volgens de stellingen van Belamio in deze procedure stortingsbetalingen op de aandelen waren gedaan. In die periodebalansen is geen enkele storting door of namens Belamio, Ushant of [bedrijf 1] vermeld. De door of onder verantwoordelijkheid van [persoon 4] opgestelde periodebalansen ontzenuwen derhalve de stelling dat Belamio voor Ushant heeft betaald ter voldoening aan de stortingsplicht van laatstgenoemde.

Voorts volgt uit de wijze van boeking van de betalingen door Belamio aan of ten behoeve van ZP Service als schuld van ZP Service in rekening-courant met Belamio, dat uit de omstandigheid dat Belamio een groter bedrag aan of ten behoeve van ZP Service heeft betaald dan de optelsom van de stortingsverplichtingen van Belamio, Ushant en [bedrijf 1] tezamen, niet kan worden afgeleid dat Belamio de stortingsverplichtingen van deze drie, althans die van Ushant heeft nagekomen.

2.13.

Gesteld noch gebleken is dat een jaarrekening of balans van ZP Service is opgesteld die ook door Ushant of [Gedaagde 2] is goedgekeurd, waarin wel een storting op de aandelen door Ushant is vermeld, voorafgaande aan of per 20/23 november 2012, de datum dat Ushant en [Gedaagde 2] uit de samenwerking en uit ZP Service zijn getreden.

Uit de stukken van ZP Service in de periode dat Ushant en [Gedaagde 2] van de samenwerking deel uit maakten valt derhalve geen storting door Ushant (op grond van een of meer betalingen door Belamio) af te leiden.

Dit oordeel wordt niet anders door de omstandigheid dat later, in 2013, nadat Ushant en [Gedaagde 2] uit de samenwerking en uit ZP Service waren uitgetreden en ZP Service bij de Beëindigingsovereenkomst van 20 november 2012 kwijting aan Ushant en [Gedaagde 2] had verleend, door de accountant-administratieconsulent van ZP Service in rapporten (producties 10 en 19 van Belamio) of in de (zonder betrokkenheid van Ushant of [Gedaagde 2] opgestelde en goedgekeurde) balans over 2012 (productie 18 van Belamio) wordt verklaard dat betalingen door Belamio in 2012 – alsnog – als storting op de aandelen, ook door Ushant zijn aangemerkt.

2.14.

Noch uit de onder 2.2 en 2.3 genoemde bescheiden, noch uit de stellingen van Belamio valt af te leiden dat Belamio bij betalingen aan of ten behoeve van ZP Service een mededeling aan Ushant/[Gedaagde 2] of ZP Service heeft gedaan van de aard van de betaling, met uitzondering van het afschrift van de bankrekening ten name van ZP Service van 29 februari 2012 waarin bij een betaling van Belamio aan ZP Service van € 45.000,- per 16 februari 2012 is vermeld “storting [persoon 1] en [Gedaagde 2]” (onderdeel van productie 10 van Belamio). Kennelijk is met [Gedaagde 2] en derhalve Ushant bedoeld en met “[persoon 1], derhalve [bedrijf 1]

2.14.1.

Op dat afschrift van 29 februari 2012 staat niet aangegeven welk bedrag daarbij voor “[Gedaagde 2]” en welk voor “[persoon 1]” is gestort.

Zoals gezegd is deze betaling in de periodebalansen van ZP Service van 29 mei en 29 augustus 2012 niet geboekt als (deel)storting door Ushant of [bedrijf 1]

In een bijlage bij een e-mail van 5 maart 2012 (productie 17 van Belamio) getiteld “inbreng oprichters.docx” beschrijft [persoon 4] deze betaling zonder verdere specificatie dan “45.000 op 16 februari 2012” onder het kopje “inbreng [persoon 1]/[Gedaagde 2] en [persoon 4]/Belamio in ZP/PA service”. Volgens dat overzicht kan de betaling derhalve als storting door “[persoon 1]”, dus[bedrijf 1], dan wel “[Gedaagde 2]”, dus Ushant, dan wel “[persoon 4]/Belamio”, dus Belamio worden aangemerkt.

2.14.2.

Ter comparitie hebben Ushant en [Gedaagde 2] over die betaling aangevoerd dat uit een en ander blijkt dat Belamio met die betaling niet voor Ushant betaalde, althans dat niet blijkt welk deel van het bedrag van € 45.000,- dient te worden toegerekend aan een betaling voor [bedrijf 1], respectievelijk voor Ushant en dat daarom niet geconcludeerd kan worden dat die betaling voor de helft of meer aan Ushant moet worden toegerekend.

De rechtbank volgt Ushant en [Gedaagde 2] niet in dat betoog.

De omstandigheid dat de betaling van € 45.000,- bij ZP Service niet als storting voor Ushant en [bedrijf 1] is geboekt brengt niet mee dat die betaling niet als zodanig dient te worden aangemerkt, dan wel toegerekend, omdat het rechtskarakter van de betaling bij de overmaking stond vermeld. Voor ZP Service was derhalve duidelijk welk rechtskarakter de betaling had, zij het dat de verdeling van de “storting” tussen “[persoon 1]” dus [bedrijf 1], respectievelijk “ [Gedaagde 2]” dus Ushant niet was aangegeven. Derhalve bestond voor ZP Service geen andere keus ten aanzien van de wijze waarop zij de betaling diende toe te rekenen dan die verdeling. Afgezien van die toerekeningsvraag, had ZP Service slechts de keuze tussen de betaling als “storting” voor Ushant en [persoon 1] Beheer B.V. te aanvaarden of de betaling niet te aanvaarden. Nu niet gesteld of gebleken is dat ZP Service de betaling niet heeft aanvaard – integendeel: de betaling is bij ZP Service als ontvangen geboekt – dient de betaling derhalve te worden aangemerkt als betaling op de schulden van Ushant en [persoon 1] Beheer B.V. ter zake van hun stortingsverplichtingen.

Inderdaad is bij die “storting” niet aangegeven welk bedrag voor [bedrijf 1] en welk voor Ushant werd betaald. Echter, nu Ushant en [bedrijf 1] in de Aandeelhoudersovereenkomst gelijke verplichtingen ten opzichte van ZP Service op zich hadden genomen, ligt het voor de hand de betaling van 45.000,- gelijkelijk tussen deze te verdelen.

2.14.3.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat Belamio met haar betaling aan ZP Service van € 45.000,- per 16 februari 2012 een bedrag van € 22.500,- voor Ushant heeft betaald ter voldoening aan dier stortingsverplichting ten opzichte van ZP Service.

2.15.

In geen van de overige in het geding gebrachte bescheiden wordt voldoende concreet en specifiek enige betaling door Belamio aan of ten behoeve van ZP Service ter delging van de schuld van Ushant beschreven. Ook niet in de op schrift gestelde verklaringen.

2.16.

Belamio heeft in haar Akte nader getuigenbewijs aangeboden. Ushant en [Gedaagde 2] maken daartegen bezwaar.

Zoals in het tussenvonnis van 28 augustus 2013 en hierboven is overwogen, gaat het hier om bewijs van betalingen tussen rechtspersonen. Die betalingen kunnen bij geschrift worden bewezen, zodat in beginsel geen plaats is voor getuigenbewijs.

Belamio heeft niet voldoende concreet bewijs aangeboden van specifieke punten (zoals specifieke door haar verrichte betalingen) die voor de beoordeling van belang zijn.

Daarom passeert de rechtbank het (nadere) bewijsaanbod van Belamio.

2.17.

Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat Belamio erin is geslaagd aan te tonen dat zij (op 16 februari 2012) een bedrag van € 22.500,- voor Ushant heeft betaald bij wijze van geldverstrekking onder de overeenkomst van geldlening, maar niet meer dan dat bedrag.

2.18.

De rechtbank verwijst voor de rentevergoeding naar hetgeen zij heeft overwogen in 2.15 van het tussenvonnis van 28 augustus 2013.

Ingevolge de leningovereenkomst zijn Ushant en [Gedaagde 2] over het te leen verschafte bedrag rente verschuldigd van “vast 5%, te betalen achteraf per kwartaal”, waarmee kennelijk is bedoeld: 5% per jaar te berekenen vanaf de datum van geldverstrekking.

Daarom zijn Ushant en [Gedaagde 2] 5% rente verschuldigd vanaf 16 februari 2012.

Belamio vordert vergoeding van de overeengekomen rente tot 28 november 2012. Ushant en [Gedaagde 2] zijn over de periode 16 februari 2012 tot 28 november 2012, derhalve 286 dagen, aan contractuele rente verschuldigd geworden: (286/366 x 5% x € 22.500,- =) € 879,10.

Zoals Belamio ter comparitie nader heeft verklaard, vordert zij na de datum van ontbinding, derhalve vanaf 28 november 2012, de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Ushant en [Gedaagde 2] hebben daartegen geen verweer gevoerd. Daarom zal de rechtbank vanaf 28 november 2012 over de hoofdsom van € 22.500,- en de per 28 november 2012 verschuldigde rente de bedoelde wettelijke rente toewijzen.

2.19.

Gesteld noch gebleken is dat Belamio buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht die niet geacht moeten worden begrepen te zijn in de ingevolge de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde proceskosten. Daarom zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afwijzen.

In reconventie:

2.20.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 augustus 2013, met name in rov. 2.23.

Op de daar genoemde gronden zal de rechtbank de vordering afwijzen.

In conventie en in reconventie

2.21.

De rechtbank zal Ushant en [Gedaagde 2] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de aan de zijde van Belamio gevallen proceskosten, waaronder mede begrepen de beslagkosten. De rechtbank zal het salaris voor de advocaat bepalen op basis van het bij de in conventie toe te wijzen hoofdsom van € 22.500,- behorende Liquidatietarief III van € 579,- per punt. Derhalve zal de rechtbank het bedrag van de proceskosten begroten op:

- beslagkosten: griffierecht € 575,-, één punt salaris voor de advocaat en € 374,02 aan deurwaarderskosten;

- dagvaarding: griffierecht € 1.261,-, één punt salaris en € 312,75 aan deurwaarderskosten;

- conclusie van antwoord in reconventie en aktes: één punt salaris;

- comparitie: één punt salaris;

- akte bewijslevering: één punt salaris;

derhalve in totaal € 5.417,77.

Voorts zal de rechtbank het nasalaris toewijzen als gevorderd. Het nasalaris zal worden begroot op € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, verhoogd met € 68 in geval van betekening.

2.22.

Als gevorderd en niet inhoudelijk bestreden, zullen de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

3.1.

veroordeelt Ushant en [Gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan Belamio te betalen € 22.500,- (tweeëntwintigduizendvijfhonderd euro), alsmede € 879,10 (achthonderdnegenenzeventig 10/100 euro) aan rente, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen met ingang van 28 november 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

in reconventie:

3.2.

wijst de vorderingen af;

in conventie en reconventie voorts:

3.3.

veroordeelt Ushant en [Gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de aan de zijde van Belamio gevallen proceskosten, hierbij begroot op € 5.417,77, alsmede tot betaling van de na dit vonnis vallende kosten waarvan het salaris voor de advocaat hierbij wordt begroot op € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, te verhogen met € 68 in geval van betekening;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

3.5.

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen bevat uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2013. 1928/32