Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
C/10/409512 / HA ZA 12-834
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring van een vordering tot vergoeding van (letsel)schade. Direct na de geboorte (september 1996) is gebleken dat de arm van de zoon van eisers niet (goed) functioneerde. Eisers stellen hiervoor de bij de bevalling aanwezige arts en het ziekenhuis aansprakelijk.

De verjaringstermijn in een geval als het onderhavige gaat lopen zodra de patiënt voldoende zekerheid heeft – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – dat de schade/het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Dit houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde bekend is met de exacte oorzaak van de schade en met de juridische beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden. Voor zover de arts kort na de bevalling aan eisers heeft meegedeeld dat het letsel in de toekomst zou herstellen, betekent dat niet dat de verjaringstermijn eerst is gaan lopen vanaf het moment dat een andere arts aan eisers heeft meegedeeld dat de functie van de arm niet meer kon worden verbeterd dan op dat moment (16 juni 2008) het geval was. Voor het gaan lopen van de verjarings¬termijn is immers niet vereist dat absolute duidelijkheid bestaat ten aanzien van het blijvende karakter van de schade of zelfs dat een medische eindtoestand is bereikt. Ook als het letsel in de toekomst (volledig) zou herstellen, laat zulks onverlet dat direct na de bevalling sprake was van schade en eisers vanaf dat moment in staat waren om daadwerkelijk een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Dat de exacte omvang van die schade hen op dat moment (nog) niet bekend was, stond het instellen van een vordering niet in de weg.

De casus in de uitspraak van het Europese Hof van 7 juli 2009 (EHRM 2009, 1062/07) is, anders dan eisers hebben betoogd, niet vergelijkbaar met de onderhavige casus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0008
RAV 2014/37

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/409512 / HA ZA 12-834

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

1 [eiser],

pro se en in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiseres],

pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon 1],

wonende te [woonplaats 1],

eisers,

advocaat mr. P. de Vries-Roetman,

tegen

1. de stichting

STICHTING HET VLIETLAND ZIEKENHUIS,

gevestigd te Schiedam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. O.L. Nunes.

Partijen zullen hierna [eisers], het Vlietland Ziekenhuis en [gedaagde 2] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk Vlietland c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 februari 2013 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van de op 9 september 2013 gehouden comparitie van partijen en de daaraan gehechte bijlage;

  • -

    de brief d.d. 11 september 2013 van mr. De Vries-Roetman;

  • -

    het voor akkoord door mr. Nunes ondertekende faxbericht d.d. 11 september 2013 van

mr. De Vries-Roetman, met bijlage;

- het voor akkoord door mr. Nunes ondertekende faxbericht d.d. 17 oktober 2013 van mr. De Vries-Roetman, met bijlagen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1.

Op 22 september 1996 is de zoon van [eisers], [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), in het Holyziekenhuis, de rechtsvoorganger van het Vlietland Ziekenhuis, te Vlaardingen geboren. Bij de bevalling was [gedaagde 2], destijds als gynaecoloog verbonden aan het Holyziekenhuis, aanwezig. De bevalling werd gecompliceerd door een schouderdystorsie. Direct na de geboorte bleek dat de rechterarm van [persoon 1] niet (goed) functioneerde. In verband hiermee is [persoon 1] na zijn geboorte gedurende een periode van twee jaar door een fysiotherapeut behandeld.

2.2.

Op 11 mei 2006 hebben [eisers] zich in verband met de rechterarm van [persoon 1] tot de huisarts gewend. Op 16 juni 2008 is [persoon 1] onderzocht door [persoon 2], orthopaedisch chirurg in het Erasmus MC te Rotterdam.

Bij brief d.d. 19 juni 2008 heeft [persoon 2] de huisarts van [persoon 1] het volgende bericht:

"Anamnese:

[persoon 1] heeft anamnestisch een Erbse parese gehad van zijn rechter schoudergordel in de neonatale periode. Hij kan zijn arm onvoldoende bewegen. Hij heeft te weinig kracht. De ouders vragen zich af of er nog iets aan te doen is.

[…]

Conclusie:

Restant Erbse parese rechter schoudergordel. Ik kan de functie van de arm niet beter maken dan hij nu is. Er zijn geen therapeutische opties."

2.3.

[eisers] hebben bij brief d.d. 19 maart 2009 het Vlietland Ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de door [persoon 1] geleden en nog te lijden schade.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van het Vlietland Ziekenhuis, Onderlinge Waarborgmaatschappij Centramed B.A. (hierna: Centramed), heeft bij brief d.d. 4 juni 2009 aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Vlietland c.s. jegens [eisers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen dan wel toerekenbaar onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld en mitsdien aansprakelijk zijn voor de schade die daaruit voor [eisers] is voortgevloeid en nog zal voortvloeien;

2. Vlietland c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [eisers] de schade te vergoeden die zij en [persoon 1] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen van Vlietland c.s. hebben geleden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 1996, althans vanaf de datum die de rechtbank redelijk acht;

3. Vlietland c.s. te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na eerste verzoek zijn voldaan.

3.2.

Vlietland c.s. voeren gemotiveerd verweer en verzoeken de rechtbank [eisers] in hun vordering niet ontvankelijk te verklaren, dan wel hun vordering af te wijzen, met veroordeling van [eisers] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vlietland c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat [eisers] in hun vorderingen niet ontvankelijk moeten worden verklaard aangezien zij mede in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [persoon 1] procederen doch gesteld noch gebleken is dat zij hiertoe de machtiging van de kantonrechter ingevolge artikel 1:349 lid 1 BW hebben verkregen. Naar aanleiding van dit verweer hebben [eisers] na de op

9 september 2013 gehouden comparitie van partijen en na daartoe verkregen toestemming van Vlietland c.s., op 11 september 2013 (alsnog) een verzoek tot het verlenen van vorenbedoelde machtiging bij deze rechtbank ingediend. Partijen hebben in verband met dit verzoek bij faxbericht d.d. 11 september 2013 de rechtbank verzocht het wijzen van vonnis in deze zaak aan te houden. De verzochte machtiging is bij beschikking d.d. 2 oktober 2013 van deze rechtbank (team kanton) aan [eisers] verleend. Het vorenstaande betekent dat [eisers] in hun vorderingen ontvankelijk zijn en in dit geding met rechterlijke machtiging mede namens [persoon 1] procederen.

4.2.

Vlietland c.s. hebben onder meer een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eisers] tot vergoeding van schade. Volgens Vlietland c.s. was het [eisers], gelet ook op hun eigen stellingen, kort na de bevalling duidelijk dat er schade was opgetreden aan de arm van [persoon 1] en dat [gedaagde 2] als de hiervoor (eventueel) aansprakelijke persoon zou kunnen worden aangemerkt. Aangezien [eisers] in de periode gelegen tussen de geboorte van [persoon 1] (22 september 1996) en de aansprakelijkstelling (19 maart 2009) geen stuitingshandeling(en) hebben verricht, was de vordering in 2009 verjaard, aldus Vlietland c.s. [eisers] hebben gemotiveerd weersproken dat hun vordering tot schadevergoeding is verjaard.

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een vordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De verjaringstermijn gaat niet lopen voordat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Tegen deze achtergrond gaat de termijn in een geval als het onderhavige lopen zodra de patiënt voldoende zekerheid heeft – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – dat de schade/het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Dit houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde bekend is met de exacte oorzaak van de schade en met de juridische beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden.

4.4.

[eisers] hebben gesteld dat direct na de geboorte van [persoon 1] bleek dat er letsel was aan de rechterschouder/arm van [persoon 1] en dat de rechterarm van [persoon 1] was verlamd. Voorts hebben [eisers] gesteld dat de dienstdoende gynaecoloog kort na de bevalling heeft meegedeeld dat er iets niet goed was gegaan, dat er schade aan de arm was opgetreden en dat hij heeft gezegd: "Ik moest erg duwen en trekken. Ik heb teveel op de schouder gedrukt, waardoor zenuwen zijn beschadigd. We gaan fysiotherapie inschakelen." Ter comparitie heeft de vader van [persoon 1] in aanvulling hierop verklaard dat "de arm dood was" en dat [gedaagde 2] hem direct na de bevalling heeft gezegd dat hij een fout had gemaakt waardoor het zenuwstelsel van [persoon 1] was beschadigd. Naar het oordeel van de rechtbank brengen deze stellingen van [eisers] mee dat zij kort na de bevalling daadwerkelijk bekend waren met de schade van [persoon 1] en de daarvoor (mogelijk) aansprakelijke (rechts-)persoon. Zij hadden, gelet op hun eigen stellingen, kort na de bevalling op 22 september 1996 voldoende zekerheid dat het letsel aan de arm van [persoon 1] (mede) was veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen van de dienstdoende gynaecoloog. Dit betekent dat de op hun vordering tot schadevergoeding toepasselijke verjaringstermijn in beginsel een dag later, op 23 september 1996, is gaan lopen.

4.5.

Ter comparitie heeft de vader van [persoon 1] aangegeven dat [gedaagde 2] hem destijds had verzekerd dat de arm van [persoon 1] na een aantal jaren zou herstellen en hij er daarom op vertrouwde dat het met de arm goed zou komen. Voorts hebben [eisers] aangegeven dat hun pas in 2008, toen [persoon 1] door [persoon 2] werd onderzocht, duidelijk werd dat de functie van zijn arm niet meer kon worden verbeterd en er geen therapeutische mogelijkheden meer voor [persoon 1] waren. Voor zover [eisers] hiermee bedoelen te stellen dat de verjaringstermijn eerst in 2008 is gaan lopen, dient die stelling te worden verworpen. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde 2] [eisers] na de bevalling heeft meegedeeld dat de arm van [persoon 1] in de toekomst zou herstellen (wat door Vlietland c.s. is betwist), betekent zulks niet dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het moment dat [persoon 2] aan [eisers] heeft meegedeeld dat de functie van de arm niet meer kon worden verbeterd dan op dat moment (16 juni 2008) het geval was. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is immers niet vereist dat absolute duidelijkheid bestaat ten aanzien van het blijvende karakter van de schade of zelfs dat een medische eindtoestand is bereikt. Bij het vorenstaande neemt de rechtbank in aanmerking dat ook als de arm in de toekomst (volledig) zou herstellen zulks onverlet laat dat direct na de bevalling sprake was van schade aan de arm van [persoon 1] en [eisers] vanaf dat moment in staat waren om daadwerkelijk een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Dat de exacte omvang van die schade [eisers] op dat moment, 22 september 1996, (nog) niet bekend was, stond het instellen van een vordering niet in de weg.

4.6.

[eisers] hebben ter comparitie, ter onderbouwing van hun stelling dat hun vordering tot schadevergoeding niet is verjaard, althans, zo begrijpt de rechtbank, het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nog verwezen naar een uitspraak van het Europese Hof van 7 juli 2009 (EHRM 2009, 1062/07). Volgens [eisers] heeft het Hof in die uitspraak geoordeeld dat rigide toepassing van verjaring niet wenselijk is en in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM.

Vlietland c.s. hebben ter comparitie gemotiveerd aangevoerd dat de casus in deze uitspraak een geheel andere is dan de onderhavige en derhalve hier niet van toepassing is.

De rechtbank is met Vlietland c.s. van oordeel dat de onderhavige casus niet vergelijkbaar is met die in de uitspraak van het Europese Hof van 7 juli 2009. In die casus (waarin een moeder een uitkering onder een levensverzekeringspolis ten behoeve van haar kinderen had verbrast, waarna de kinderen hun moeder, de verzekeringsmaatschappij en de spaarbank aanspraken) hadden klaagsters gesteld dat artikel 6 lid 1 EVRM was geschonden omdat zij geen effectieve toegang tot een rechterlijke instantie hadden gehad als gevolg van het feit dat de verjaringstermijn niet was opgeschort in de periode dat zij minderjarig waren en zij ook niet via een wettelijk vertegenwoordiger een procedure aanhangig konden maken. Het Hof heeft geoordeeld dat klaagsters in casu praktisch gezien geen procedure aanhangig konden maken alvorens zij meerderjarig werden. In deze omstandigheden leidt een strikte toepassing van de verjaringstermijnen tot een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter, aldus het Hof. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. In het onderhavige geval is immers niet gesteld of gebleken dat de verjaringstermijn is verlopen doordat [persoon 1] niet via zijn wettelijk vertegenwoordigers een procedure aanhangig kon maken.

[eisers] hebben verder geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.7.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verjaringstermijn voor de vordering van [eisers] tot vergoeding van schade op 23 september 1996 is gaan lopen en dat die vordering, tenzij sprake zou zijn van een rechtsgeldige stuiting, met ingang van 23 september 2001 als verjaard is te beschouwen. Niet gesteld of gebleken is immers dat de verjaringstermijn door [eisers] is gestuit voordat zij Vlietland c.s. bij brief d.d. 19 maart 2009 aansprakelijk stelden voor de door [persoon 1] geleden en nog te lijden schade. Dit betekent dat ten tijde van die aansprakelijkstelling inmiddels meer dan vijf jaren waren verstreken en de vordering van [eisers] mitsdien was verjaard.

4.8.

Nu het beroep op verjaring doel treft, behoeven de overige stellingen van partijen geen behandeling. De vorderingen van [eisers] zullen derhalve worden afgewezen.

4.9.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vlietland c.s. worden begroot op:

- griffierecht: € 575,--

- salaris advocaat: € 904,-- (2 punten x tarief 452,--)

Totaal € 1.479,--

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Vlietland c.s. tot op

heden begroot op € 1.479,--;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op

4 december 2013.1

1 1990/2537