Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10378

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
C/10/419615 / HA ZA 13-242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Peeters q.q./Gatzen-vordering. Bestuurder aansprakelijk geacht wegens selectieve betaling waarvan hem een ernstig persoonlijk verwijt treft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0008
RI 2014/38
JONDR 2014/452

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/419615 / HA ZA 13-242

Vonnis van 11 december 2013

in de zaak van

mr. M. Windt, handelende in zijn hoedanigheid van curator in het

faillissement van de besloten vennootschap VIP MONTAGE B.V.,

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.M. van den Berg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOVENO BEHEER B.V.,

gevestigd te Krimpen aan de Lek,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. J. van Schaik,

Partijen worden aangeduid als “de curator”, “Doveno” en “[gedaagde 2]”, tenzij anders wordt vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding met producties,

- conclusie van antwoord met producties, tevens incidentele conclusie tot zekerheidsstelling,

- tussenvonnis van 17 juli 2013,

- akte wijziging van eis tevens overlegging producties,

- proces-verbaal van comparitie van partijen, bij welke gelegenheid de curator mondeling voor antwoord concludeerde in het incident,

- de brief van mr. Van Schaik van 25 oktober 2013.

1.2.

Tegen Doveno is verstek verleend. Het thans te wijzen vonnis wordt op grond van artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangemerkt als een vonnis op tegenspraak gewezen tussen de curator enerzijds en Doveno en [gedaagde 2] anderzijds.

1.3.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Door erkenning dan wel onvoldoende betwisting zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.1.

Bij vonnis van 29 juni 2010 is het faillissement van VIP Montage B.V. (hierna: VIP) uitgesproken met benoeming van de curator.

2.2.

De aandelen in VIP werden ten tijde van de faillietverklaring gehouden door Doveno. De aandelen in Doveno werden gehouden door de Stichting Administratiekantoor Doveno (hierna: STAK). [gedaagde 2] bezat alle certificaten van de aandelen. Doveno was enig statutair bestuurder van VIP. [gedaagde 2] was zowel bestuurder van STAK als van Doveno.

2.3.

Vanaf de bankrekening van VIP zijn de volgende betalingen (totaal € 34.000,00) verricht:

a. betaling d.d. 6 mei 2010 van € 3.500,00 aan Doveno,

b. betaling d.d. 27 mei 2010 van € 5.000,00 aan Doveno,

c. betaling d.d. 17 juni 2010 van € 5.000,00 aan Doveno,

d. betaling d.d. 25 juni 2010 van € 16.000 aan de belastingdienst,

e. betaling d.d. 25 juni 2010 van € 4.500,00 aan [X] (broer van [gedaagde 2]).

2.4.

Bij brief d.d. 18 augustus 2010 aan Doveno en [gedaagde 2] heeft de curator het standpunt ingenomen dat deze betalingen een onrechtmatige daad jegens de boedel vormen dan wel paulianeus zijn. Aan de sommatie tot betaling van deze bedragen aan de boedel hebben Doveno en [gedaagde 2] niet voldaan.

2.5.

Tussen VIP en Doveno bestond een managementovereenkomst op grond waarvan Doveno gerechtigd was tot een vergoeding voor de verrichte directiewerkzaamheden.

VIP en Doveno vormden een fiscale eenheid zodat zij beiden jegens de belastingdienst hoofdelijk verbonden waren voor de betaling van de verschuldigde omzetbelasting. [X] verhuurde een auto aan VIP zodat VIP aan hem huur was verschuldigd.

2.6.

Over 2009 heeft VIP een negatief resultaat van € 50.445,00 geboekt. Het jaar 2010 werd aangevangen met een negatief eigen vermogen van € 13.335,00. Vanaf december 2009 werd elke maand verlies gedraaid met uitzondering van maart 2010 toen er sprake was van een klein positief resultaat. Over het eerste kwartaal van 2010 werd door VIP een verlies geleden van € 221.071,00.

2.7.

Vanaf 1 mei 2010 werden de salarissen van vijf werknemers van VIP niet meer betaald. Begin mei 2010 is aan een aantal werknemers medegedeeld dat zij niet meer op het werk hoefden te verschijnen. Enkelen van hen zijn, nadat bleek dat zij niet akkoord gingen met een beëindigingregeling, direct ontslagen door VIP.

2.8.

Zes dagen voordat het faillissement ter zitting door de rechtbank werd behandeld wist [gedaagde 2] van de aanvraag door middel van de oproeping door de rechtbank.

3 De vorderingen van de curator

Na wijziging van eis wordt door de curator gevorderd:

“dat de rechtbank, voorzover de wet het toelaat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

1. voor recht zal verklaren dat de betalingen a tot en met e op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig zijn verricht door Doveno in haar hoedanigheid van bestuurder van VIP jegens de gezamenlijke schuldeisers van VIP;

2. voor recht zal verklaren dat de bestuurdersaansprakelijkheid van Doveno in verband met de onrechtmatig verrichte betalingen a tot en met e, op grond van artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk rust op [gedaagde 2];

3. Doveno en [gedaagde 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 36.664,54 (inclusief wettelijke rente vanaf 1 september 2010 tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

4. Doveno en [gedaagde 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan de curator van de kosten van dit geding, de kosten van de beslaglegging daaronder begrepen, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening, dan wel € 199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

SUBSIDIAIR

5. de betalingen a tot en met c zal vernietigen op grond van art. 42 Faillissementswet (Fw) jo art. 3:51 BW dan wel art. 47 Fw jo. Art. 3:51 BW;

6. Doveno hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 14.548,49 (inclusief wettelijke rente vanaf 1 september 2010 tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

7. Doveno hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan de curator van de kosten van dit geding, de kosten van de beslaglegging daaronder begrepen, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening, dan wel € 199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”

4. De vordering en het verweer in het incident en het verweer van [gedaagde 2] in de hoofdzaak

[gedaagde 2] werpt een incident tot zekerheidstelling van proceskosten op. Hij vordert van de curator zekerheid voor proceskosten te stellen in de zin van artikel 224 Rv. De curator heeft de incidentele vordering betwist. In de hoofdzaak concludeert [gedaagde 2] tot afwijzing van de vorderingen van de curator dan wel hem hierin niet ontvankelijk te verklaren. Verder verzoekt hij de rechtbank om een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om de curator in de proceskosten, inclusief de nakosten, te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5 De beoordeling

in het incident

5.1.

De rechtbank is met de curator van oordeel dat artikel 224 Rv ziet op het stellen van zekerheid indien een procespartij zonder woonplaats of vaste verblijfplaats in Nederland een vordering instelt voor de Nederlandse rechter. Duidelijk is dat de curator wel woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit artikel analoog toe te passen. Daarvoor is in elk geval onvoldoende de enkele omstandigheid dat deze vordering is ingesteld door een faillissementscurator als gevolg waarvan de boedel mogelijk de proceskosten niet aan [gedaagde 2] kan betalen. De incidentele vordering wordt dus afgewezen. Nu de vordering is ingesteld bij antwoord in de hoofdzaak en de curator daarop tijdens de comparitie heeft gereageerd worden de proceskosten aan de zijde van de curator in het incident op nihil begroot.

in de hoofdzaak

5.2.

Kort en zakelijk weergegeven voert de curator de volgende argumenten aan. Na wijziging van eis beroept de curator zich primair op artikel 6:162 BW terzake alle gewraakte betalingen. Hij stelt daartoe dat VIP zich in een zodanig slechte financiële situatie bevond dat het Doveno als statutair bestuurder van VIP niet meer vrij stond met voorrang zichzelf te betalen, te bevoordelen (betaling aan belastingdienst) of de broer van [gedaagde 2] te betalen. In plaats daarvan had Doveno de paritas creditorum in acht moeten nemen en zelf het faillissement moeten aanvragen. Wat betreft de betalingen a, b en c geldt dat steeds een “vennootschappelijk gelieerde partij” selectief wordt betaald ten nadele van de overige crediteuren van VIP. Ten aanzien van de betaling sub d geldt dat ook hierdoor Doveno wordt bevoordeeld omdat zij hoofdelijk met VIP jegens de belastingdienst is verbonden. De betaling sub e ziet op bevoordeling van [X] boven andere crediteuren. Doveno is aansprakelijk uit onrechtmatige daad en op grond van artikel 2:11 BW is [gedaagde 2] dat dus ook. De curator stelt tot slot dat hij bevoegd is op grond van artikel 6:162 BW namens de gezamenlijke crediteuren Doveno en [gedaagde 2] aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken (HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597; Peeters q.q. / Gatzen). Subsidiair beroept de curator ten aanzien van vorderingen a, b en c zich op artikelen 42 en 47 Fw.

5.3.

Doveno heeft verstek laten gaan.

5.4.

[gedaagde 2] weerspreekt de argumenten van de curator gemotiveerd. Op zijn verweer zal de rechtbank hierna ingaan.

5.5.

De rechtbank overweegt het volgende. De primaire stellingname van de curator ziet op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde 2] voert aan dat de pauliana een lex specialis is. Deze gaat voor de vordering uit onrechtmatige daad. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 juni 2000 (NJ 2000, 578 Van Dooren q.q. / ABN AMRO I) stelt hij dat de vordering uit onrechtmatige daad enkel bestaanbaar is als niet aan de pauliana-vereisten is voldaan. In zijn primaire vordering dient de curator dus niet ontvankelijk te worden verklaard. [gedaagde 2] voert voorts aan dat de curator een Peeters q.q.-Gatzenvordering niet toekomt omdat er geen sprake is van een opdracht van de gezamenlijke schuldeisers op grond van artikel 68 lid 1 Fw. De ingestelde vordering strekt er enkel toe, gelet op de stand van de boedel, om de belangen van de boedelcrediteuren (en dus niet van de pre-faillissementscrediteuren) te behartigen. De paritas creditorum wordt hiermee dus niet gediend. Er is dus geen sprake van dat door de gewraakte betalingen de faillissementscrediteuren in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op niet-ontvankelijkheid geen doel treft en overweegt daartoe als volgt. [gedaagde 2] is niet de ontvanger van de betalingen van VIP. Er rust op hem dus geen ongedaanmakingsverbintenis na vernietiging van die betalingen op grond van pauliana. Dat betekent dat de curator zijn vordering jegens [gedaagde 2] niet kan baseren op pauliana. Doveno heeft verstek laten gaan zodat de aangevoerde verweren niet namens haar zijn gevoerd.

5.7.

Op grond van de Peeters q.q./Gatzen-jurisprudentie is de curator slechts bevoegd om een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen jegens bijvoorbeeld een bestuurder die betrokken is bij de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers, indien er sprake is van een algemene schuldeisersbenadeling. [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat hiervan geen sprake is omdat bij toewijzing van de vordering, enkel de boedelcrediteuren gebaat zijn en niet de gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een selectieve behartiging van belangen als bedoeld in het arrest Butterman q.q. / Rabobank (14 januari 2011, NJ 2011, 366) waarnaar [gedaagde 2] verwijst. Het is duidelijk dat de onrechtmatige daad vordering van de curator namens alle schuldeisers is ingesteld. De curator beoogt klaarblijkelijk de belangen van de gezamenlijke schuldeisers te behartigen door eerst alle mogelijke baten, waaronder de onderhavige vordering, te incasseren. Hiermee vergroot de curator de kans dat een uitkering aan (pre-faillissements)crediteuren kan worden gedaan. Dat is voldoende voor ontvankelijkheid in een Peeters q.q./Gatzen-vordering.

5.8.

Zoals gezegd heeft Doveno verstek laten gaan. De primaire vorderingen van de curator tegen Doveno dienen te worden toegewezen, nu deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank gehouden is om in de rechtsverhouding tussen de curator en [gedaagde 2] zelfstandig zonodig de rol van Doveno te beoordelen.

5.9.

De rechtbank dient thans te onderzoeken of Doveno als bestuurder van VIP onrechtmatig handelde in de zin van artikel 6:162 BW. Als dat zo is, dan staat niet ter discussie dat de aansprakelijkheid van Doveno tevens hoofdelijk op [gedaagde 2] rust. De rechtbank dient te onderzoeken of Doveno heeft bewerkstelligd, door opdracht te geven tot het doen van de ter discussie gestelde betalingen, dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele bepalingen jegens de gezamenlijke crediteuren niet meer kan nakomen en dat haar daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (HR 8 december 2006, NJ 2006/659 inzake Ontvanger / Roelofsen).

5.10.

Ter comparitie heeft [gedaagde 2] erkend dat hij (als bestuurder van Doveno) zes dagen voor de behandeling van het faillissementsrekest de oproepingsbrief van de rechtbank heeft ontvangen. De betalingen sub d en e hebben dus plaatsgevonden terwijl Doveno wist dat het faillissement was aangevraagd, zodat zij terdege rekening moest houden met de mogelijkheid dat dit werd uitgesproken. Dit zou wellicht anders zijn als Doveno er, gelet op de financiële situatie van VIP, redelijkerwijs geen rekening mee behoefde te houden dat het faillissement daadwerkelijk zou worden uitgesproken. Gelet op de in 2.6 vermelde feiten doet die situatie zich echter niet voor. Vast staat dat VIP tegen de faillietverklaring geen hoger beroep heeft ingesteld. Tegen deze achtergrond stond het Doveno als bestuurder niet vrij om betalingen aan specifieke schuldeisers te verrichten, omdat zij hierdoor de kans heeft vergroot dat VIP haar schulden aan andere crediteuren niet zou kunnen voldoen, beter gezegd er minder actief in het faillissement overbleef voor een eerlijke verdeling op grond van de Faillissementswet. Hiervan treft Doveno als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt, met name omdat het betalingen betreft waarvan zijzelf indirect beter werd (haar schuld aan de belastingdienst nam met het betaalde bedrag immers navenant af) en waardoor de broer van haar bestuurder [gedaagde 2] werd bevoordeeld, zulks terwijl vaststaat dat VIP nog tal van andere schuldeisers had zoals onder andere de aanvrager van het faillissement die een opeisbare vordering op grond van niet uitbetaald loon had. Een en ander nog daargelaten dat de curator betwist dat betaling e zag op een opeisbare vordering en hetgeen hierna betreffende de betalingen a, b en c wordt overwogen.

5.11.

Ook ten aanzien van de betalingen a, b en c is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van selectieve betaling ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers. Uit de door de curator overgelegde mutatieoverzichten, die door [gedaagde 2] niet dan wel onvoldoende zijn weersproken, volgt dat er sprake is van openstaande vorderingen van (handels)crediteuren op VIP, nog daterende uit 2009 en de eerste helft van 2010. Dit gevoegd bij de door de rechtbank onder 2.6. bedoelde jaarcijfers, die van financieel moeilijke omstandigheden getuigen, betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat ook bij de betalingen vermeld onder a, b en c, sprake is van selectieve betaling door Doveno als statutair bestuurder aan haarzelf ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers van VIP. Van een statutair bestuurder mag immers worden verwacht dat hij rekening houdt met de financiële situatie van de vennootschap en de mogelijkheden van de crediteuren om betaling door deze vennootschap te verkrijgen. Van deze betalingen treft Doveno een ernstig persoonlijk verwijt nu zij hierdoor bewerkstelligde dat zijzelf betaling verkreeg terwijl andere schuldeisers dit niet kregen en de kans dat zij betaling in de toekomst zouden verkrijgen van VIP afnam. Een en ander nog daargelaten dat de curator betwist dat de onder a, b en c bedoelde betalingen zagen op opeisbare vorderingen. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van [gedaagde 2] dat de onderneming van VIP werd gereorganiseerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe de betalingen aan Doveno voor die reorganisatie instrumenteel zijn.

5.12.

Door [gedaagde 2] wordt aangevoerd dat hij na faillietverklaring met de curator een koopovereenkomst heeft gesloten ertoe strekkende dat hij bepaalde vermogensbestanddelen uit de boedel kon kopen ten behoeve van een doorstart. Hiervoor heeft hij een behoorlijke prijs betaald. Hij voert aan dat de curator met de onderhavige aansprakelijkstelling en procedure handelt in strijd met artikel 6:2 BW. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het enkele feit dat [gedaagde 2] met de curator over een doorstart een akkoord heeft bereikt en dat hij daarbij mede heeft gehandeld in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is onvoldoende voor de conclusie dat [gedaagde 2] er op mocht vertrouwen dat de curator hem in zijn hoedanigheid van bestuurder niet aansprakelijk zou kunnen houden. [gedaagde 2] heeft geen feiten gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat het onaanvaardbaar is dat hij aansprakelijk wordt gehouden. Voor zover [gedaagde 2] zou menen dat hij en de curator finale kwijting overeen zijn gekomen (het verweer wordt gevoerd onder het kopje “finale kwijting” in de conclusie van antwoord), wordt ook dat - door de curator betwiste - standpunt verworpen. In de stellingen van [gedaagde 2] noch in de door hem ingebrachte producties blijkt van een document dan wel een andere onderbouwing waaruit kan worden afgeleid dat tussen de curator en [gedaagde 2] een dergelijke finale kwijting is overeengekomen.

5.13.

[gedaagde 2] voert verder aan dat eerst sprake kan zijn van bestuurders-aansprakelijkheid als de eventuele acties van de curator op grond van de faillissements-pauliana jegens de ontvangers van de gewraakte betalingen zouden falen. Dit zou volgen uit het systeem van de wet. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Het staat de curator vrij ervoor te kiezen de bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad aan te spreken en de schade van de boedel op hem te verhalen. Evenzeer is de curator gerechtigd om de betalingen te vernietigen op grond van pauliana en de ontvangers van de betalingen tot terugbetaling te noodzaken. Daarbij tekent de rechtbank aan dat het vanzelfsprekend niet de bedoeling is dat de curator ten aanzien van de gewraakte betalingen zowel schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad als terugbetaling op grond van pauliana realiseert omdat dan de boedel dubbel wordt gebaat. Aan een veroordeling van [gedaagde 2] in deze procedure staat die mogelijkheid niet in de weg, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat te verwachten valt dat een dergelijke situatie zich zal voordoen. Indien dat toch zou gebeuren is het aan de curator om daarvoor een passende oplossing te vinden.

5.14.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 september 2010 (de datum dat de sommatietermijn in de brief van de curator d.d. 18 augustus 2010 afliep) tot 21 november 2012 (de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht) stelt [gedaagde 2] dat er sprake is van eigen schuld van de curator die met zich brengt dat hij de rente niet is verschuldigd. De curator wijst er op dat die periode niet ongebruikt voorbij is gegaan. Er zijn vele schikkingspogingen ondernomen, [gedaagde 2] was niet goed bereikbaar omdat hij gedetineerd is geweest, de broer van [gedaagde 2] heeft om een langere dagvaardingstermijn na beslaglegging verzocht en de curator heeft op verzoek van [gedaagde 2] uitstel verleend omdat de administratie van VIP was beslagen. Deze omstandigheden zijn door [gedaagde 2] niet dan wel onvoldoende weersproken zodat de rechtbank moet vaststellen dat het beroep op eigen schuld niet opgaat.

5.16.

Aan het slot van de conclusie van antwoord verzoekt [gedaagde 2] de rechtbank om een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu door [gedaagde 2] geen redenen hiervoor zijn aangevoerd zodat de rechtbank niet aan een belangenafweging in de zin van artikel 233 Rv toekomt.

5.17.

Een en ander betekent dat alle vorderingen aan de curator op de primaire grondslag worden toegewezen, behoudens de wettelijke rente over de rente die is opgebouwd in de periode 1 september 2010 – 21 november 2011 nu daarvoor geen grondslag is gesteld. Als in het ongelijk gestelde partijen dienen Doveno en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure te worden veroordeeld. De curator vordert tevens veroordeling van Doveno en [gedaagde 2] in de beslagkosten. Een specificatie noch de beslagexploten heeft de rechtbank echter in het dossier aangetroffen zodat de beslagkosten niet kunnen worden toegewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

in het incident:


wijst de vordering af,

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator begroot op nihil,

in de hoofdzaak:

verklaart voor recht dat de betalingen a tot en met e op grond van artikel 6:162 onrechtmatig zijn verricht door Doveno in haar hoedanigheid van bestuurder van VIP jegens de gezamenlijke schuldeisers van VIP,

verklaart voor recht dat de bestuurdersaansprakelijkheid van Doveno in verband met de onrechtmatig verrichte betalingen a tot en met e, op grond van artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk rust op [gedaagde 2],

veroordeelt Doveno en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 36.664,54 (inclusief wettelijke rente vanaf 1 september 2010 tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over € 34.000,00 vanaf 21 november 2012 tot aan de dag van algehele betaling,

veroordeelt Doveno en [gedaagde 2] hoofdelijk, zoals voormeld, in de proceskosten bestaande uit dagvaardingskosten van € 92,17, griffierecht € 821,00 en salaris advocaat

€ 1.158,00 alsmede in de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening, dan wel

€ 199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. C.M.E. Russell-van der Hoeven en mr. A.J.J. van Rijen en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

1354/1980/39