Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10213

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
10/701119-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege voor poging tot doodslag op een rechter en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tegen een hulpverlener.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/701119-13

Datum uitspraak: 20 december 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1968,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Zwolle,

raadsvrouw mr. J.C.G.J. van der Linden, advocaat te Voorburg.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei A Tsoi, heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde poging moord;

- bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag en het onder 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord is niet wettig en overtuigend bewezen, nu de rechtbank de voorbedachte raad niet bewezen acht.

Nu dit oordeel overeen komt met het standpunt van de officier van justitie en van de raadsvrouw, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 19 april 2013 te 's-Gravenhage

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd[benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde 1] met een kapmes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, tegen/op het hoofd en/of de rug en/of de een handen heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te 's-Gravenhage

[benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als ik word opgenomen dan ga ik me goed gedragen zodat ik snel weg kan en dan vermoord ik je" en/of "Ik weet je te vinden en ik weet waar je werkt" en/of "Je hebt je doodvonnis getekend" en/of "Als je aan mijn deur komt dan vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking:

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Ook deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte de rechter (hierna: het slachtoffer) niet wilde doden, en dat bij de verdachte ook geen sprake was van voorwaardelijk opzet op haar dood, zodat de poging tot doodslag niet bewezen kan worden. De verdachte wilde zelf met zijn handelen bereiken dat de politie hem zou doodschieten en had dus enkel opzet op zijn eigen dood.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt:

De verdachte heeft een aantal malen bewust met een kapmes van ongeveer 57 centimeter op het hoofd van het slachtoffer geslagen, waarbij het slachtoffer ook op de rug en hand is geraakt. Zij heeft daarbij twee vingers verloren van haar linkerhand, die zij ter afwering van die aanval ophief. Dat de verdachte op dat moment de intentie had om het slachtoffer te doden kan niet worden vastgesteld. Hij heeft weliswaar bij de politie wisselend verklaard over zijn beweegredenen voor genoemde gedragingen, maar geen van die verklaringen houdt in dat hij het slachtoffer wilde doden. Gelet op zijn verklaringen, in samenhang met hetgeen uit het dossier blijkt over hetgeen aan het incident vooraf is gegaan, lijkt veeleer sprake te zijn geweest van woede en frustratie over de door het slachtoffer medegedeelde beslissing dat de verdachte gedwongen zou worden opgenomen. Van vol opzet is dus naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De vraag is of sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer - is aanwezig indien de verdachte zich door zijn gedragingen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard, of op de koop toe hebben genomen. Bij dat laatste verdient het opmerking dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het met een groot kapmes een aantal malen inslaan op iemands hoofd en in de directe nabijheid daarvan, is een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het intreden van de dood van de desbetreffende persoon dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook heeft aanvaard. Met het slaan op het hoofd worden immers vitale lichaamsfuncties in gevaar gebracht, nu het hoofd kwetsbaar is en vanuit de hersenen het gehele lichaam wordt aangestuurd. Uit het feit dat twee vingers van het slachtoffer kennelijk door één slag zijn afgehakt, leidt de rechtbank bovendien af dat sprake was van een scherp mes. Nu het verdachtes eigen mes was en hij het mes, volgens zijn verklaring ter terechtzitting, een aantal maanden voor het incident nog had geslepen, moet de verdachte zich daarvan bewust zijn geweest. Dat hij het slachtoffer uiteindelijk niet dodelijk heeft verwond doet daaraan niet af.

Van contra-indicaties voor deze vaststelling is ook niet gebleken. Dat de verdachte met zijn gedragingen enkel het opzet had om zelf gedood te worden door de politie, zoals door zijn raadsvrouw is gesteld, kan niet als zodanig gelden. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat de verdachte om die reden heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan, onder meer nu het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte niet wist dat de politie ook aanwezig was. Het proces-verbaal van aanhouding houdt immers in dat het verzoek aan de politie is gedaan om uit het zicht te gaan staan en dat de politie pas bij de voordeur is gaan staan nádat de rechter en de rest van de aanwezige personen naar binnen waren gegaan. De verdachte verklaart bovendien in zijn eerste verhoor bij de politie op de vraag wie er allemaal bij zijn woning waren gekomen op die bewuste dag, dat er buiten blijkbaar politie stond, maar dat hij dit pas later begreep. Dit strookt niet met het ter terechtzitting door de verdediging ingenomen standpunt dat de verdachte wist dat er politie aanwezig was. Bovendien heeft de verdachte verder bij de politie verklaard dat hij pas dacht dat de politie zou gaan schieten toen ze binnen kwamen, en hij niet zozeer ‘wist’ dat de politie buiten stond maar dat hij daar enkel op ‘rekende’.

Zelfs indien wordt aangenomen dat de wens om zelf gedood te worden de motivatie is geweest voor verdachtes handelen, dan nog doet dat niet af aan het oordeel dat de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven hebben geroepen dat ook het slachtoffer zou komen te overlijden en dat de verdachte dat gevolg bewust heeft aanvaard. De gestelde intentie van de verdachte sluit immers niet uit dat hij daarbij de dood van het slachtoffer op de koop toe heeft genomen.

De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsvrouw en acht bewezen dat het opzet van de verdachte – in de zin van voorwaardelijk opzet – was gericht op de dood van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van de aangifte van [benadeelde 2] niet voor het bewijs gebruikt kan worden nu dat proces-verbaal geen andere persoonsgegevens van de aangever bevat dan zijn naam en geboortedatum. Nu geen volledige personalia en adresgegevens zijn vermeld, zou het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 eerste lid EVRM zijn geschonden omdat de verdachte niet wist tegen wie hij zich moest verdedigen.

De rechtbank verwerpt ook dat verweer. Bedoeld proces-verbaal van aangifte vermeldt inderdaad niet het privéadres van de aangever. Dat proces-verbaal houdt echter wel in dat de aangever als sociaal psychiatrisch verpleegkundige werkzaam is bij het team Openbaar Geestelijke Gezondheidszorg van Psycho-Medisch Centrum Parnassia, gevestigd aan de Zoutkeetsingel 40 te ’s-Gravenhage. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de aangever in dat kader mensen met psychiatrische stoornissen begeleidt, onder wie de verdachte sinds december 2011. Reeds daaruit blijkt volstrekt duidelijk om wie het gaat. De rechtbank wijst er voorts op dat zowel uit de verklaringen van de verdachte bij de politie, als uit zijn verklaring op de terechtzitting, zonder meer blijkt dat er bij de verdachte geen enkele twijfel heeft bestaan of bestaat omtrent de identiteit van de aangever.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

primair

Poging tot doodslag.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

MOTIVERING STRAF EN MAATREGEL

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een kapmes een aantal malen in te slaan op het hoofd van het slachtoffer, waarbij hij haar ook op de rug en hand heeft geraakt. Het slachtoffer is een rechter die kort daarvoor had beslist dat de verdachte gedwongen zou worden opgenomen in een BOPZ-inrichting. Mede in aanmerking genomen dat het een groot en scherp kapmes was, is het een gelukkige, niet aan de verdachte te danken, omstandigheid dat de aanval geen dodelijk gevolg heeft gehad. Het slachtoffer heeft letsel opgelopen aan haar hoofd en rechterschouder, en heeft delen van twee vingers verloren toen zij de aanval met haar hand probeerde af te weren. Die delen van de vingers konden niet meer worden aangezet zodat zij deze voor altijd zal moeten missen. Daardoor is niet alleen sprake van een esthetische aantasting, maar zijn ook de functionele mogelijkheden fors en blijvend verminderd, zoals het slachtoffer ter terechtzitting heeft aangegeven. Daarnaast heeft het slachtoffer, zo is mede gebleken uit haar ter terechtzitting afgelegde verklaring, aanzienlijke psychische gevolgen ondervonden. Haar gevoel van veiligheid is aangetast en zittingen over opnames in psychiatrische ziekenhuizen zijn nu nog te beladen voor haar, waardoor zij in het verrichten van haar werk wordt beperkt.

De verdachte heeft daarnaast een hulpverlener via de telefoon verbaal bedreigd met de dood. De verdachte wilde die hulpverlener kennelijk duidelijk maken dat hij ontstemd was over diens bemoeienissen. Hij heeft er echter geen oog voor gehad dat hij door zijn handelwijze bij de hulpverlener gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakte.

Geweldsincidenten als waarvan hier sprake is schokken de rechtsorde zeer en brengen ook buiten de directe omgeving van de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Het gepleegde geweld en de bedreiging met geweld, werd de slachtoffers bovendien aangedaan terwijl zij als rechter dan wel professionele hulpverlener hun werkzaamheden uitoefenden en er bij uitstek op moeten kunnen rekenen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden gevrijwaard blijven van tegen hen gerichte vormen van geweld of dreiging daarmee.

Op dergelijke ernstige feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Dit kan anders zijn indien de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte daartoe aanleiding geeft. Daarover wordt het volgende overwogen.

Omtrent de verdachte zijn rapportages opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater, en door B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog.

De rapportage van de psychiater d.d. 24 september 2013 houdt het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een waanstoornis van het paranoïde type gecombineerd met autisme. Daarvan was ook sprake ten tijde van het plegen de ten laste gelegde feiten en deze stoornissen beïnvloedden op dat moment zijn gedragskeuzes en gedragingen. De verdachte is Parnassia gaan identificeren als de voornaamste bron van al zijn ellende, waarna de problemen hand over hand zijn toegenomen. Nadat aan hem de voorgenomen interventie middels een RM-machtiging wordt gecommuniceerd, ziet de verdachte allemaal doemscenario’s voor zich, waarbij hij levenslang bij Parnassia opgenomen wordt. Bij de rechtszitting in zijn huis voelt hij zich overdonderd door het aantal aanwezigen, ziet hij duidelijk de hand van Parnassia in het geheel en heeft hij het gevoel dat er nauwelijks naar hem geluisterd wordt. Hij voelt zich bozer en machtelozer, wat uiteindelijk culmineert in zijn uiterst agressieve gedrag, als de rechter hem van haar besluit op de hoogte stelt. De verdachte heeft weliswaar het ongeoorloofde en wederrechtelijke van zijn handelen naar de rechter kunnen inzien, doch zijn gedrag is voor het overgrote deel bepaald door zijn wanende beleving naar Parnassia, waarbij de rechter in kwestie in zijn beleving deel uitmaakte van het complot.

Op basis van het voorgaande is de rapporteur van mening dat de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Naast genoemde stoornissen is sprake van weinig ziektebesef en geen sprake van zieke-inzicht. Gelet daarop, en mede gezien de paranoïde en betrekkingswanen, zijn behoefte aan zelfbepaling en zijn verzet tegen iedere vorm van gedwongen behandeling, bestaat er een hoog recidivegevaar voor feiten zoals ten laste gelegd. Een langdurig behandelproces is nodig om genoemde gecombineerde pathologie adequaat te kunnen behandelen. Gelet op verdachtes lijdensdruk, zijn beperkte behandelmotivatie, en de aard en ernst van de pathologie, is een dwingend kader noodzakelijk om de verdachte gedurende lange tijd te kunnen behandelen, ook op momenten dat hij een behandeling niet of nauwelijks (meer) ziet zitten. Er is een groot gevaar voor de veiligheid, naast een absolute noodzaak tot (verdere) begeleiding en behandeling. De psychiater adviseert dan ook op te leggen een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het rapport van de psycholoog d.d. 15 augustus 2013 houdt – voor zover van belang - het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een paranoïde waanstoornis, mogelijk binnen het kader van een schizofrenie of als combinatie met een aan autisme verwante stoornis. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat uit narcistische persoonlijkheidstrekken. Daarvan was ook sprake ten tijde van het plegen de ten laste gelegde feiten en deze stoornissen beïnvloedden op dat moment zijn gedragskeuzes en gedragingen. Dat die dag een grote groep mensen voor zijn deur stond, moet zeer bedreigend zijn geweest voor deze solitaire man, aldus de psycholoog. Hij raakte nog verder uit zijn evenwicht, gekrenkt dat de rechter niet naar hem luisterde.

Als geen sprake is van voorbedachte rade dan werd het gedrag grotendeels bepaald door de autistische stoornis. Woede en angst liepen zeer hoog op door de gedwongen opname, betrokkene raakte overspoeld door zijn gevoel, pakte het mes en ging over tot het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om de verdachte in dat geval als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De kans op recidive is verhoogd en kan verder oplopen als zijn gevoelens van woede en machteloosheid worden opgestuwd door factoren in zijn omgeving zoals bemoeienis van derden of onverwachte gebeurtenissen.

De problematiek behoeft een klinische behandeling waarbij de verdachte stabiliseert en goed ingesteld wordt op medicatie. Daarnaast dient er aandacht te komen voor het ontwikkelen van ziektebesef en ziekte-inzicht en zou verdachte gemotiveerd moeten worden om medicatietrouw te zijn. Een voorwaardelijk juridisch kader wordt door rapporteur op basis van de zelfbepalende houding van verdachte, zijn weerstand tegen bemoeienis, zijn oppositionele houding en zijn paranoïde overtuigingen niet haalbaar geacht. Zelfs indien gekomen zou kunnen worden tot afspraken, gaat rapporteur er vanuit dat verdachte niet in staat zal zijn om zich aan deze afspraken te houden. De rapporteur adviseert daarom een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte kenbaar gemaakt dat hij er nog steeds van overtuigd is dat hij werd geterroriseerd door Parnassia, dat die terreur de bron is van al zijn problemen, en dat vrijwel alle professionele behandelaars en begeleiders, de rechter die hij heeft aangevallen, alsmede de deskundigen die de hiervoor genoemde rapportages hebben opgesteld, deel uitmaken van het complot. Hij heeft de indruk gewekt dat bij hem nog steeds een grote woede en frustratie bestaat over die vermeende terreur. De rechtbank wijst in dit verband op zijn eerdere “furieuze” reactie op de conclusie dat sprake is van een waanstoornis, tijdens de bespreking van voornoemde onderzoeksresultaten met de psycholoog. Hij zou daarbij hebben gezegd dat de rapporteur partijdig, onkundig en ‘totaal malafide’ is, en dat hij niet uitsluit dat de psycholoog is omgekocht door Parnassia.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank gaat er dus vanuit dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond in verband waarmee hij in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een noodzakelijke reactie is ter bescherming van de maatschappij en ter behandeling van de verdachte. Gelet op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het geconstateerde grote gevaar voor herhaling, eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen die terbeschikkingstelling van de verdachte en diens verpleging. Plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals door de raadsvrouw is bepleit, is hierom, maar ook gelet op de omstandigheid dat voor een dergelijke plaatsing alleen ruimte is bij een volledig ontoerekeningsvatbare verdachte, niet aan de orde.

Vastgesteld wordt dat de onder 1 primair en onder 2 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Op de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), wordt voorts vastgesteld dat het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege onder meer zal worden opgelegd een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit reeds redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van 4 jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

De rechtbank zal, om de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen, daarnaast nog een gevangenisstraf opleggen. Mede nu de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd en dus maar zeer beperkt verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedragingen, is deze straf echter aanzienlijk lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2013 een zeer beperkt strafblad heeft en slechts één maal onherroepelijk is veroordeeld voor een vernieling en er daarvoor bovendien met toepassing van artikel 9a Sr geen straf is opgelegd. Verder wordt van belang geacht dat op betrekkelijk korte termijn een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd: [benadeelde 1], wonende te[woonplaats], ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit, en [benadeelde 2], wonende te[woonplaats], ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De officier van justitie vordert toewijzing van beide vorderingen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

[benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 300,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen meer is gevorderd.

[benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een bedrag van in totaal € 24.500,53 waarvan als voorschot een bedrag van € 14.295,- aan immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht voor een bedrag van in totaal € 748,13. Dat betreft: € 156,15 aan reiskosten gemaakt ten behoeve van ziekenhuisbezoek door de benadeelde, € 404,18 aan medische kosten, € 14,- als ziekenhuisdaggeldvergoeding, € 150,- aan kleding die in het ziekenhuis kapot is geknipt teneinde [benadeelde 1] te kunnen behandelen, en € 23,80 aan kosten die zijn gemaakt voor de aanvraag van een ‘Verklaring van geschiktheid’ van het CBR.

Nu de vordering in zoverre genoegzaam is onderbouwd en ook niet namens de verdachte is betwist, zal deze voor het genoemde totale bedrag van € 748,13 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De overige posten, zijn namens de verdachte gemotiveerd betwist. De behandeling van de vordering van de benadeelde partij, levert ten aanzien van die posten een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op

€ 7.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor zover meer is gevorderd levert de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard en worden verwezen naar de burgerlijke rechter.

De raadsvrouw heeft in verband met de omstandigheden waaronder het onder 1 bewezenverklaarde feit zich heeft voorgedaan een verweer gevoerd strekkende tot matiging van de immateriële schadevergoeding. Zij wijst daarbij, kort gezegd, op de tekortschietende veiligheidsmaatregelen tijdens de bijeenkomst in de woning van de verdachte.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Voor een matiging zoals bepleit is onvoldoende aanleiding, nu, zoals de raadsvrouw zelf ook heeft opgemerkt, van eigen schuld van het slachtoffer geen sprake is geweest.

Toch ziet de rechtbank aanleiding enige algemene kanttekeningen te plaatsen bij de gang van zaken.

In het onderhavige geval was een rechterlijke machtiging aangevraagd teneinde de verdachte gedwongen op te laten nemen in een zogenaamde BOPZ-instelling. Een dergelijke procedure, waarbij de rechter de betrokkene hoort omtrent die aanvraag, is naar zijn aard risicovol. Het gaat hierbij immers steeds om personen van wie bekend is dat zij in verband met hun geestelijke gesteldheid mogelijk een gevaar voor zichzelf of voor anderen opleveren. Wanneer de rechter een gedwongen opname ter sprake brengt en in voorkomende gevallen de beslissing daarover terstond mededeelt, is de kans reëel dat de betrokkene heftig en emotioneel zal reageren of zelfs gewelddadig wordt, zoals in het onderhavige geval is gebeurd.

Het is dan ook zeer de vraag of het horen van de betrokkene in een BOPZ-zaak in diens eigen woning wel verantwoord is. Dit geldt te meer indien deze praktijk wordt bezien in het licht van de beveiligingsmaatregelen die bij andere gelegenheden binnen de rechtspraak gebruikelijk zijn.

Het op geringe afstand paraat houden van de politie biedt blijkbaar niet afdoende bescherming. Het is verder niet zeker dat de risico’s in voldoende mate ondervangen kunnen worden door de politie aanwezig te laten zijn in de ruimte waar het gesprek plaatsvindt. Vaak zal de woning van de betrokkene niet voldoende mogelijkheid bieden voor het bewaren van de nodige fysieke afstand en – zoals in het onderhavige geval ook is gebleken – valt niet uit te sluiten dat zich gevaarlijke voorwerpen in de directe nabijheid van de betrokkene bevinden.

[benadeelde 2] en [benadeelde 1]

Nu beide vorderingen van de benadeelde partijen voor een deel zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt ten aanzien van beide vorderingen, oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair (poging doodslag) en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) jaar,

met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te[woonplaats] toe tot een bedrag van € 7.748,13 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 7.748,13 (hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.748,13 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 73 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij[benadeelde 2], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 300,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 300,- (hoofdsom); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dat bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. H. Benaissa en S. Euwema, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 december 2013 .

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 20 december 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 19 april 2013 te 's-Gravenhage

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde 1] met een kapmes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, tegen/op het hoofd en/of de rug en/of de handen heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid:

(artikel 289/287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 19 april 2013 te 's-Gravenhage

aan [benadeelde 1], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg meerdere malen, althans eenmaal met een kapmes, althans een scherp en/of puntig voorwerp tegen/op het hoofd en/of rug en/of handen te slaan;

(artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht) art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 22 maart 2013 te 's-Gravenhage

[benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als ik word opgenomen dan ga ik me goed gedragen zodat ik snel weg kan en dan vermoord ik je" en/of "Ik weet je te vinden en ik weet waar je werkt" en/of "Je hebt je doodvonnis getekend" en/of "Als je aan mijn deur komt dan vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking:

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht