Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10211

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
10/811025-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis, heropenen onderzoek ivm onderzoek naar mate van ontoerekeningsvatbaarheid verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 19 december 2013

Tegenspraak

Tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwersluis,

raadsvrouw H. Yilmaz-Altindag, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2013.

Het onderzoek is gesloten op 5 december 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. G. Sannes en M. Vreugdenhil, hierna de officier van justitie, heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

OVERWEGING MET BETREKKING TOT DE TUSSENBESLISSING

De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Door de psychiater, drs. P.C.A. van der Graaff, is omtrent de verdachte een rapport opgemaakt d.d. 1 juli 2013 en 3 november 2013. Dit rapport houdt het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een cognitieve stoornis Niet Anderszins Omschreven (hierna NAO) met daarnaast een intelligentie op zwakbegaafd niveau. Tevens is er sprake van een kwetsbare persoonlijkheid met afhankelijke en ontwijkende trekken. Ten tijde van het delict was sprake van een dissociatieve stoornis NAO met depressieve stemming, depersonalisatie en derealisatie die ontstaan is doordat de verdachte is onderworpen aan de geestelijke en fysieke mishandeling en indoctrinatie door de medeverdachte in de aan het delict voorafgaande weken. Zij kreeg vanuit die bijzondere omstandigheden een grote psychische drang om het delict te plegen. Er was voor haar geen andere mogelijkheid dan het delict te plegen. De verdachte moet als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd worden. De omstandigheden waren dermate uitzonderlijk dat de kans op recidive als laag moet worden ingeschat.

Door de psycholoog, drs. B.Y. van Toorn is een rapport opgemaakt d.d. 12 juni 2013 en

15 november 2013. Dit rapport houdt het volgende in.

Bij de totstandkoming van het ten laste gelegde is er sprake geweest van een combinatie van

structurele kwetsbaarheid, beperkte weerbaarheid, afhankelijkheid en de neiging om op spanningen te reageren met dissociatieve symptomen en met toenemende cognitieve desorganisatie. In combinatie met de wekenlange mishandelingen, intimidaties, bedreigingen en zeer ernstig seksueel geweld heeft dit uiteindelijk geleid tot een dissociatief toestandsbeeld waarbij betrokkene de grip op de werkelijkheid en haar handelen kwijt raakte en volledig verloor toen de medeverdachte dreigde haar kinderen te zullen vermoorden.

Het dissociatief toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde heeft er toe geleid dat betrokkene de grip op haar handelen verloren heeft, in die zin dat zij niet meer in staat was zelfstandig afwegingen te maken en haar handelen dienovereenkomstig te sturen waardoor zij op dat moment, vanuit de beschreven pathologie, geen andere keuze meer had dan te gehoorzamen aan de opdracht van de medeverdachte. Op basis hiervan is het advies om betrokkene als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive is laag.

Namens de verdachte is betoogd dat de verdachte op basis van de rapporten moet worden vrijgesproken omdat volgens de deskundigen bij haar elk inzicht in de draagwijdte van haar handelen en dus het opzet op de moord ontbrak. Subsidiair moet de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar worden verklaard en worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van de deskundigen dat sprake was van een dissociatieve stoornis te verstrekkend is en dat daarmee de onderbouwing van volledige ontoerekeningsvatbaarheid weg valt.

De deskundigen adviseren de rechtbank de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren gelet op de dissociatieve toestand waarin de verdachte zich ten tijde van het plegen van het delict zou hebben bevonden. Deze toestand zou zijn veroorzaakt door de voortdurende fysieke en geestelijke mishandelingen die zij onderging.

De rechtbank merkt ten aanzien daarvan op dat de deskundigen volledig lijken te zijn afgegaan op de verklaring van de verdachte in al haar facetten en dat bij het vaststellen van de dissociatieve stoornis bepalend is geweest wat de verdachte heeft verklaard over wat haar gedachten waren ten tijde van het delict en in de weken daaraan voorafgaand.

De rechtbank heeft de indruk dat de conclusies die de deskundigen hebben getrokken in (te) verregaande mate zijn gebaseerd op het verhaal dat de verdachte hen heeft verteld. De deskundigen lijken er zondermeer vanuit te zijn gegaan dat dit verhaal in alle opzichten de waarheid is en dat terwijl de verdachte aan hen twee totaal verschillende scenario’s over het delict en de aanloop daar naartoe heeft gegeven.

Zo verklaart verdachte aanvankelijk dat zij door het slachtoffer in zijn kantoor is verkracht, waarbij de psycholoog opmerkt, dat de “angst en verdriet goed voelbaar zijn in het contact”. Op dat moment neemt de psycholoog dit verhaal kennelijk voor waar aan. In het rapport van 12 juni 2013 merkt de psycholoog op dat er nieuwe informatie is binnengekomen waardoor de problematiek niet te linken is aan het door de verdachte gegeven delictscenario, nu het maar de vraag is of het verhaal dat betrokkene aanvankelijk heeft verteld wel betrouwbaar is. Nadat de verdachte heeft verklaard dat haar echtgenoot haar tot de moord heeft aangezet gaan de deskundigen vervolgens zonder meer uit van de juistheid van dít verhaal.

De rechtbank zet echter een aantal vraagtekens bij de verklaring van de verdachte. Zo heeft ze verklaard dat haar kinderen bedreigd werden door de medeverdachte. De deskundigen hebben over dit deel van haar verklaring gesteld dat dit “de druppel” was waardoor ze toegaf aan de medeverdachte. De rechtbank acht dit deel van haar verklaring echter niet zonder meer geloofwaardig, nu de verdachte – ook nadat zij haar verhaal over de toedracht van het delict had gewijzigd - meermalen heeft verklaard dat haar man goed was voor haar kinderen en geen geweld tegen hen gebruikte. Dit verhoudt zich bovendien slecht tot het maandenlange zwijgen over de rol van de medeverdachte zodat de kinderen bij hun vader konden blijven. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de medeverdachte constant bij haar was en zij geen enkel moment meer alleen was waardoor zij gedurende die periode niet kon slapen. Dit laatste is feitelijk onjuist nu vaststaat dat de verdachte in elk geval op 26 januari 2013 alleen thuis is geweest.

Nu het verhaal dat de verdachte in tweede instantie heeft verteld vragen oproept, acht de rechtbank de daarop gebaseerde conclusie van de deskundigen dat de verdachte op het moment van het doden van het slachtoffer geen enkele grip meer had op de werkelijkheid en daardoor als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, onvoldoende onderbouwd. Tevens zet de rechtbank vraagtekens bij de door de deskundigen vastgestelde dissociatieve stoornis, nu de verdachte wel in staat lijkt te zijn te verklaren over wat zich in de periode naar de aanloop van die stoornis en het moment waarop het delict is gepleegd, heeft afgespeeld.

Voorts is onduidelijk wat de intellectuele capaciteiten van de verdachte zijn. De psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte zwakbegaafd is. De psycholoog komt in haar eerste rapport ook tot die conclusie maar herziet die in haar tweede rapport. Ook is onduidelijkheid over de vraag of er sprake is van een tijdens de geboorte ontstane hersenbeschadiging of niet.

Nu bij de rechtbank vragen zijn gerezen omtrent de juistheid van de conclusies van de deskundigen, acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om te kunnen bepalen of de verdachte al dan niet toerekeningsvatbaar is en zo ja in welke mate. Om die reden acht zij het noodzakelijk dat er opnieuw en op basis van het thans voorliggende dossier onderzoek wordt gedaan naar de geestestoestand van de verdachte. De rechtbank draagt de officier van justitie op een en ander in gang te zetten en geeft daarbij in overweging dit onderzoek te laten uitvoeren in het Pieter Baan Centrum.

Het onderzoek in de zaak wordt om die reden heropend.

BESLISSING

De rechtbank:

- heropent het onderzoek ter terechtzitting;

- schorst het onderzoek in het belang daarvan voor onbepaalde tijd, waarbij de termijn van de schorsing op maximaal drie maanden wordt gesteld;

- schorst het onderzoek voor een termijn die langer is dan één maand, aangezien de hiervoor genoemde onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen één maand gereed zullen zijn;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde over de verdachte een nieuw psychiatrisch rapport en een psychologisch rapport te laten uitbrengen;

- beveelt de oproeping tegen de nadere terechtzitting van:

- de verdachte, met verstrekking van een afschrift van die oproeping aan haar raadsvrouw mr. H. Yilmaz-Altindag, advocaat te Rotterdam

- de nabestaanden van het slachtoffer, met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de raadsvrouw W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl- de Jong, voorzitter,

en mrs. H.J.M. van der Kaaij en A. Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.H. Eelderink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2013.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.