Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10164

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
C-11- HA ZA 10-2946
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Moeder en twee jonge kinderen missen echtgenoot / vader door doodslag (strafvonnis) gedaagde. Moeder en één kind hebben shockschade (na deskundigenonderzoek). Door het missen van vader zijn beide kinderen aangetast in hun persoon (art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW). Moeder en beide kinderen hebben recht op immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/20
NJF 2014/121

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer: C/11/ 90330 / HA ZA 10-2946

vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2013

in de zaak van

1. [eiseres] voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen

2. [kind X],

3. [kind Y],

allen wonende te Dordrecht,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. P. Meijer,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. T.K.A.B. Eskes.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eisers] (in enkelvoud, dan wel afzonderlijk [eiseres], [kind X] c.q. [kind Y]) en [gedaagde].

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- het tussenvonnis van 13 maart 2013 en de daarin genoemde stukken,

- het op 13 mei 2013 ter griffie ontvangen deskundigenrapport van dr. D.H.J. Boeykens;

- het op 5 juli 2013 ter griffie ontvangen deskundigenrapport van dr. P.J.H. Notten;

- conclusie na deskundigenbericht van [eisers] c.s.;

- conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2

In het tussenvonnis van 25 juli 2012 is in rechtoverweging 4.4.7 in de eerste regel na het woord ‘onder’ weggevallen: ‘4.4.5 hiervoor’. Hiermee wordt het tussenvonnis aangevuld.

2 De verdere beoordeling van het geschil

in conventie

2.1

In het tussenvonnis van 25 juli 2012 is ter beoordeling van het gevorderde smartengeld een onderzoek naar eventueel bij [eiseres], [kind X] en [kind Y] aanwezig geestelijk letsel naar aanleiding van de confrontatie met de gevolgen van het door [gedaagde] gepleegde misdrijf.

2.2

[eiseres].

2.2.1

P.J.H. Notten, psychiater, heeft als door de rechtbank benoemde deskundige [eiseres] onderzocht. Dr. Notten is van oordeel dat het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid leidend tot een posttraumatische stressstoornis. Een dergelijk psychiatrisch erkend ziektebeeld treedt op na ernstig schokkende gebeurtenissen, waarbij sprake is van een levensbedreigende situatie voor betrokkene zelf of naasten en er ook sprake is van machteloosheid, aldus de deskundige.

Partijen betwisten de juistheid van dit oordeel niet.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundige over en maakt het tot de hare. Geoordeeld wordt dat [eiseres] recht heeft op vergoeding van shockschade als bedoeld in art 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW.

2.2.2

De rechtbank acht het gevorderde bedrag in overeenstemming met de ernst van de feiten en met vergelijkbare gevallen (bijvoorbeeld Hof Arnhem 26 mei 2009 Smartengeld 18e druk 2012 nummer 797). De volgende feiten zijn in dit verband van belang:

[gedaagde] heeft door opzettelijk messteken in gezicht, hoofd, hals, borst, buik van [echtgenoot/vader] toe te brengen, laatstgenoemde zo ernstig verwond dat hij aan de gevolgen is overleden. [eiseres] is geconfronteerd geweest met haar ernstig verminkte en stervende echtgenoot, waardoor zij thans lijdt aan een post traumatische stressstoornis. De deskundige beschrijft haar klachten als volgt: De beperkingen zijn vooral gelegen in het feit dat betrokkene leeft in een soort cocon. Ze heeft een muur om zichzelf heen gebouwd, zodat ze niets kan voelen. Ze kan niet van dingen genieten en nergens plezier in hebben (…).

De deskundige acht het waarschijnlijk dat deze toestand blijvend is. De standaardbehandeling heeft niet of nauwelijks geholpen. Het is zelfs mogelijk dat zij meer last zal gaan krijgen van post traumatische verschijnselen en bijvoorbeeld last krijgt van nachtmerries, slechter gaat slapen en angstklachten krijgt, waardoor ze meer zal lijden onder haar posttraumatische stress verschijnselen. Gelet op deze omstandigheden is smartengeld van € 30.000,-- zeker niet te veel. Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

2.3

[kind X] en [kind Y]

2.3.1

Beide kinderen zijn onderzocht door de door de rechtbank benoemde deskundige D.H.J. Boeykens, zenuwarts, kinder- en jeugdpsychiater. Dr. Boeykens concludeert, samengevat, het volgende.

Ten aanzien van [kind X]:

Bij [kind X] werd geen psychiatrische stoornis of ziekte aangetroffen en zij maakt een gunstige en voorspoedige ontwikkeling door (pag. 7). Wel heeft zij te lijden onder de afwezigheid van haar vader. Het betekent, zoals voor elk ander kind, niet alleen het wegvallen van een belangrijke bijdrage aan de eigen identiteit maar ook een factor van veiligheid, rust en welvaart. Het wegvallen van deze factor betekende hoe dan ook voor [kind X] een verlies, ook al vertaalt het verlies zich niet in een psychiatrische diagnose (pag. 11).

Ten aanzien van [kind Y]:

Bij [kind Y] is er sprake van een posttraumatische stressstoornis waarbij de nachtmerries beschouwd dienen te worden als pathologische revivalbelevingen van een niet verwerkt trauma. De secundaire enuresis hangt samen met de psychische stress van het trauma. (…) Belangrijk is dat de nachtmerries steeds als inhoud het overlijden van vader hadden (pag 12 onder f.). Door het trauma heeft [kind Y] verminderde levensenergie, verminderd gevoel van fitheid, verminderde beschikbaarheid voor de ontwikkeling van objectrelaties (pag 12 onder g.). De gevolgen acht de deskundige blijvend, al zullen deze afslijten, maar dit impliceert niet dat de beperkingen volledig zullen verdwijnen (pag 12 onder h.).

Gewezen moet worden op de nadelige gevolgen van het wegvallen van vader op nog zeer jonge leeftijd. Meer dan bij [kind X] kan het wegvallen van vader leiden tot aantasting van de identiteitsontwikkeling en ondermijning van het zelfvertrouwen. Door het wegvallen van vader werd [kind Y] gedwongen op te groeien zonder een belangrijke factor van veiligheid, voorspelbaarheid, welvaart en structuur. Het wegvallen van vader geschiedde bij [kind Y] op een jongere leeftijd dan bij [kind X] en dit op zichzelf vergroot de schade van het verlies (pag 13 en 14). (…)

2.3.2

[eiseres] stelt dat uit het deskundigenonderzoek blijkt dat [kind X] geestelijk letsel heeft opgelopen door het verlies van haar vader en dat [kind Y] door de directe confrontatie met het door [gedaagde] gepleegde misdrijf een posttraumatische stressstoornis heeft.

2.3.3

[gedaagde] stelt dat uit het onderzoek blijkt dat [kind X] geen geestelijk letsel heeft en dat de posttraumatische stressstoornis van [kind Y] door het overlijden van zijn vader komt en niet door de directe confrontatie, zodat geen van de kinderen recht heeft op smartengeld wegens shockschade.

2.3.4

Geen van partijen betwist de juistheid van het door Dr. Boeykens gerapporteerde. De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven conclusie over en maakt deze tot de hare.

2.3.5

Uit het onderzoek van dr. Boeykens blijkt dat [kind X] geen geestelijk letsel heeft opgelopen. Voor vergoeding van shockschade is dus geen plaats.

2.3.6

Voor aantasting in de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW kan echter ook sprake zijn zonder geestelijk letsel. Zoals de deskundige opmerkt heeft het wegvallen van de vaderfiguur voor beide kinderen nadelige gevolgen voor hun ontwikkeling en zelfvertrouwen. Beide kinderen moeten hun vader missen en hun moeder heeft ernstig psychisch letsel bekomen, zo blijkt uit het door dr. Notten uitgebrachte rapport. Ook dit laatste zal zijn weerslag hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Deze ernstige aantasting van de persoon geeft recht op vergoeding van immateriële schade. Voor [kind X] is een bedrag van € 30.000,-- een billijke schadevergoeding. Het zelfde geldt voor [kind Y].

2.3.7

Uit het deskundigenrapport blijkt dat [kind Y] een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld. Anders dat [gedaagde] aanvoert, is deze stoornis wel terug te voeren op de aanwezigheid van [kind Y] in de ziekenhuis waar zijn vader na het door [gedaagde] gepleegde misdrijf lag. Dr. Boeykens omschrijft op pag 9 van zijn rapport, voor zover thans van belang:

(…) Bij [kind Y] kan de diagnose van een chronische posttraumatische stressstoornis wel degelijk gesteld worden. [kind Y] beleefde dat zijn vader vermoord werd, was dan in het ziekenhuis waar zijn vader uiteindelijk zou komen te overlijden, had gedurende langere tijd nachtmerries die hem kwelden, plaste in bed, kan zich nog steeds niet van het trauma losmaken en vindt de confrontatie met het overlijden van zijn vader verwarrend en pijnlijk. Hij heeft duidelijk moeite met inslapen en is behoorlijk gespannen (DSM-iv, AS I: 309.81 posttraumatische stressstoornis). (…)

Ook op deze grondslag (psychisch letsel) heeft [kind Y] recht op vergoeding van immateriële schade.

2.3.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het door elk van eisers gevorderde smartengeld geheel toegewezen.

2.4

In het vonnis van 25 juli 2012 is onder 4.8 een overzicht gegeven van reeds genomen beslissingen. De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen tot een bedrag van € 269.598,42.

De vorderingen van [kind X] worden toegewezen tot een bedrag van € 94.136,25.

De vorderingen van [kind Y] worden toegewezen tot een bedrag van € 103.002,68.

De vordering van de erven [eisers] wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.016,11.

2.5

[eisers] vordert wettelijke rente vanaf de schadedatum. Niet van elke schadepost is duidelijk wanneer deze schade werd geleden. De immateriële schade wordt geacht te zijn geleden vanaf de datum van overlijden van de heer [eisers], zodat de wettelijke rente over deze schadepost wordt toegewezen vanaf 21 april 2008. Voor de overige posten kan niet worden beoordeeld vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is, zodat de wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de dagvaarding.

2.6

[gedaagde] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

[eisers] procedeert op basis van een toevoeging, zodat aan de griffier betaald dient te worden:

Exploitkosten* € 160,03

Kosten deskundigen

  • -

    Dr. Notten € 3.025,00

  • -

    Dr. Boeykens € 2.769,98 +

€ 5.955,01

Aan [eisers] moeten de volgende kosten worden vergoed:

Eigen bijdrage toevoeging € 50,00

Griffierecht € 70,00

Exploitkosten* € 53,35 +

€ 173,35

* dagvaarding + beslagexploiten samen € 213,38 (75% = 160,03 en 25% = 53,35)

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting te betalen aan:

[eiseres] € 269.598,42 met de wettelijke rente:

over € 239.598,42 vanaf 26 november 2010;

over € 30.000,00 vanaf 21 april 2007;

[kind X] [eisers] € 94.136,25 met de wettelijke rente:

over € 64.136,25 vanaf 26 november 2010;

over € 30.000,00 vanaf 21 april 2007;

[kind Y] € 103.002,68 met de wettelijke rente:

over € 73.000,68 vanaf 26 november 2010;

over € 30.000,00 vanaf 21 april 2007;

de erven [eisers] € 4.016,11 met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] bepaald op

- € 5.955,01 € 5.955,01 te betalen aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.602 onder vermelding van zaaknummer

C/11/ 90330 / HA ZA 10-2946;

- € 173,35 € 173,35 te betalen aan [eisers];

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst af het gevorderde;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] bepaald op € 453,-- aan salaris van de advocaat, te betalen aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.602 onder vermelding van zaaknummer

C/11/ 90330 / HA ZA 10-2946.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.C. Halk, I. Bouter en A. Eerdhuijzen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 december 2013.

350, 420, 493