Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10154

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
DOR 12/1439
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:818, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terechte weigering van exploitatievergunning op grond van advies Bureau bibob.

Reeds het vermoeden dat eiser handelt in strijd met de Algemene wet inzake de rijksbelastingen, in samenhang met zijn weigering om het Bureau bibob antwoord te geven op de gestelde vragen over onder meer de financiering van de onderneming, bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat verweerder bevoegd was de exploitatievergunning te weigering omdat ernstig gevaat bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel om strafbare feiten te plegen.

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3,4,7,12,30, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: DOR 12/1439

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te[plaats], eiser,

en

de burgemeester van Dordrecht, verweerder,

gemachtigden mr. G. Boukich en mr.drs. J.E. Ossewaarde.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een vergunning te verstrekken voor de exploitatie van inrichting ‘[bedrijf]’ op het adres [adres bedrijf] (de inrichting).

Bij besluit van 13 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 23 december 2012, zaaknummer AWB 12/1440, heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op 16 maart 2012 heeft eiser zijn vergunningaanvraag bij verweerder ingediend.

Bij brief van 26 juli 2012 heeft verweerder zijn voornemen tot afwijzing van de aanvraag aan eiser meegedeeld. Door verweerder is op 31 juli 2012 eisers zienswijze tegen dit voornemen ontvangen.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob). Daartoe heeft verweerder overwogen dat de organisatie- en financieringsstructuur onduidelijkheden bevat, dat het Bureau bibob op goede gronden heeft geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bibob, dat uit het bibob-advies voortvloeit dat een ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bibob en dat eiser heeft geweigerd aanvullende informatie in het kader van het bibob-onderzoek te verstrekken hetgeen kan worden aangemerkt als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob. Verweerder heeft in de door eiser ingediende zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van het voornemen op de gevraagde exploitatievergunning te weigeren.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe is - samengevat - overwogen dat in overeenstemming met de bibob-beleidslijn van 16 december 2003 is besloten tot het vragen van advies van het Bureau bibob, omdat er na indiening van de aanvraag vragen bleven over de organisatie- en financieringstructuur en over de persoon van aanvrager. Verweerder heeft in redelijkheid het bibob-advies kunnen aanvragen. De eerdere adviezen zagen op andere aanvragers.

Verweerder meent dat in het onderhavige advies de motivering van het ernstige gevaar voldoende specifiek en onderbouwd is en dat eiser dit advies onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van het advies van het Bureau bibob dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob.

Eisers beroep op de onschuldpresumptie kan niet slagen nu dit een grondbeginsel is in het strafrecht. Leedtoevoeging wordt hier echter niet beoogd, ook al kan de weigering van de vergunning door eiser wel als zodanig worden ervaren.

Onder verwijzing naar jurisprudentie stelt verweerder dat informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheden (CIE) in combinatie met steunbewijs grond kan opleveren voor een vermoeden in de zin van artikel 3 van de Wet bibob.

Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. De exploitatievergunning voor [derde bedrijf] is inmiddels vervallen en de indicaties zijn kennelijk na het verlening van die vergunning, opgekomen. De loterijvergunning is volgens de bibob-beleidslijn geen vergunning in verband waarmee een bibob-advies kan worden opgevraagd. Dat voor een aantal andere inrichtingen wel een exploitatievergunning is afgegeven, leidt verweerder niet tot een andere conclusie. Het ingevulde bibob-vragenformulier in combinatie met de destijds bekende feiten en omstandigheden gaven toen onvoldoende aanleiding voor het aanvragen van een bibob-advies. Dat door andere gemeenten aan eiser wel vergunningen zijn verleend is voor de beoordeling van het primaire besluit niet relevant.

Verweerder stelt verder dat de weigering van de vergunning evenredig is als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob.

Verweerder meent dat hij op grond van de artikelen 3, eerste lid, en 4, tweede lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob bevoegd was om de vergunning te weigeren en dat hij in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.

Eiser stelt in beroep - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de weigering, evenals het derde negatieve bibob-advies, in strijd is met de onschuldpresumptie, alsmede dat er geen gevaar is dat eiser de vergunning kan gebruiken om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op waardeerbare voordelen te benutten of om strafbare feiten te plegen. De weigering hem een exploitatievergunning te verlenen is volgens eiser punitief van aard omdat verweerder met betrekking tot anderen wel gedoogbeschikkingen heeft afgegeven waarbij expliciet is afgezien van handhavend optreden. Eiser heeft een aantal handhavingsverzoeken ten aanzien van horeca-exploitanten ingediend, waarbij wel sprake is van onherroepelijke veroordelingen of een crimineel samenwerkingsverband en waarbij door verweerder geen bibob-toets is uitgevoerd. Hieruit blijkt volgens eiser dat aan hem hogere eisen worden gesteld voor het verkrijgen van een exploitatievergunning.

Met betrekking tot het bibob-advies stelt eiser zich op het standpunt dat de diverse bibob-toetsen niet eenduidig zijn maar zelfs tegenstrijdig, dat er niets mis is met de organisatie en financieringsstructuur van eisers ondernemingen. Eiser stelt dat door hem geen strafbare feiten zijn gepleegd, wat volgens eiser blijkt uit het feit dat geen aanleiding bestaat voor het openbaar ministerie om hem te vervolgen of in staat van beschuldiging te stellen. Eiser stelt dat op basis van de telefoontaps van de afgelopen twee jaren ook geen feiten en bewijzen zijn geleverd die de beschuldigingen kunnen onderbouwen. Met betrekking tot zijn weigering om aanvullende gegevens te leveren, stelt eiser dat verweerder niet de complete verklaring van eiser aan Bureau bibob heeft overgenomen.

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en verwijst daarvoor naar het feit dat hij tot deze aanvraag altijd exploitatievergunningen heeft gekregen, onder andere voor [derde bedrijf] en [derde bedrijf] en recent voor een loterijvergunning voor [derde].

Eiser meent dat bij de gemeente Dordrecht de bibob-toets afhankelijk is van de willekeur van ambtenaren, verweerder blind vaart op de expertise en deskundigheid van het Bureau bibob, alsmede dat verweerder op de stoel van het openbaar ministerie en de Belastingdienst is gaan zitten en dat eiser als burger zich daar moeilijk tegen kan verdedigen.

5.1

Op grond van artikel 2:27, aanhef onder 1º, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dordrecht (APV) wordt in deze afdeling verstaan onder inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden, tenzij deze expliciet zijn uitgezonderd.

Artikel 2:28, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Op grond van het tweede lid geldt het eerste lid niet voor een inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie van deze inrichting ondergeschikt is aan de winkelactiviteit.

In het derde lid is bepaald dat het eerste lid voorts niet geldt voor bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen en ziekenhuizen, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze uitsluitend gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling waar de inrichting onderdeel van uitmaakt.

5.2

Artikel 3 van de Wet bibob luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4.

De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5.

De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Artikel 4 van de Wet bibob luidt als volgt:

“1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wordt de weigering van de betrokkene, niet zijnde de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is gegund, de onderaannemer of de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is aangegaan, om een formulier als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is gegund, de onderaannemer of de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is aangegaan, weigert aanvullende gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, vierde lid.”

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Artikel 12 van de Wet bibob - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

“1. Het Bureau verzamelt en analyseert persoonsgegevens uitsluitend ten behoeve van het advies.

2.

Het verzamelen van persoonsgegevens wordt beperkt tot:

a. persoonsgegevens uit openbare registers,

b. persoonsgegevens die overeenkomstig artikel 8, aanhef en onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn verkregen, en

c. persoonsgegevens die op grond van de artikelen 13, 27 of 27a zijn verstrekt.

4.

In afwijking van het tweede lid kan het Bureau in het geval dat het door de betrokkene ingevulde formulier, bedoeld in artikel 30, onvoldoende informatie verschaft voor het onderzoek ten behoeve van het advies, dan wel de gegevens die door middel van dat formulier en uit de verschillende bestanden of registraties zijn verkregen niet gelijkluidend zijn, de betrokkene verzoeken om nadere gegevens over:

a. de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die het formulier heeft ingevuld;

b. de identiteit en vertegenwoordigingsbevoegdheid van personen die direct of indirect leiding geven;

c. de identiteit van personen die direct of indirect zeggenschap uitoefenen;

d. de identiteit van personen die direct of indirect vermogen verschaffen;

e. de wijze van financiering.”

Artikel 30 van de Wet bibob luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“1. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen bij de aanvraag van een beschikking, de gunning van een overheidsopdracht, de acceptatie als onderaannemer of het aangaan van een vastgoedtransactie onderzoek te verrichten naar:

a. feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede, derde en zesde lid, en artikel 9, tweede lid, onderdelen a en b en derde lid;

b. aspecten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen c en d.

2.

De in het eerste lid bedoelde gegevens omvatten in ieder geval:

a. de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de betrokkene;

b. de naam, het adres en de woonplaats van de persoon door wie de betrokkene zich laat vertegenwoordigen;

c. het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de persoon, bedoeld in de onderdelen a en b;

d. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

e. de rechtsvorm van de betrokkene;

f. de handelsnaam of handelsnamen waarvan de betrokkene gebruik maakt of heeft gemaakt;

g. de naam, het adres en de woonplaats van de natuurlijke personen of rechtspersonen die, voorzover van toepassing:

1°. direct of indirect leiding geven of hebben gegeven aan betrokkene;

2°. direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad over betrokkene;

3°. direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft aan betrokkene;

4°. onderaannemer van betrokkene zijn;

h. de wijze van financiering.

3.

De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak tevens de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht dan wel de opschorting of ontbinding van een overeenkomst of de beëindiging van een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie.

5.

Bij ministeriële regeling worden een of meer formulieren vastgesteld voor het verstrekken van de in het eerste en derde lid bedoelde gegevens en bescheiden alsmede voor de bevindingen van het eigen onderzoek.

6.1

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting dient allereerst de vraag te worden beantwoord of in het geval van eiser voor verweerder voldoende aanleiding bestond voor het aanvragen van een bibob-advies. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

6.2

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht heeft bij besluit van 16 december 2003 onder meer de Beleidslijn inzake de Wet bibob voor drank- en horecawetvergunningen, horeca-exploitatievergunningen, vergunningen voor seksinrichtingen, de escortvergunningen en de vergunningen voor speelautomatenhallen (Beleidslijn) vastgesteld.

Volgens de Beleidslijn wordt allereerst een aanvraag beoordeeld aan de hand van de specifieke wetgeving die op de vergunning van toepassing is. Indien er geen grond is voor weigering dan wel intrekking maar er nog wel vragen zijn ten aanzien van een limitatief aantal onderwerpen, dan wordt aan de hand van eigen onderzoek getracht de vragen te beantwoorden. Volgens de Beleidslijn wordt een bibob-advies aangevraagd indien de gerezen vragen niet bevredigend kunnen worden beantwoord.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank is de Beleidslijn niet in strijd met de wet. Voorts acht de rechtbank de Beleidslijn niet kennelijk onredelijk of anderszins onrechtmatig. Onder meer het gegeven dat eiser met naam wordt genoemd in een bibob-advies met betrekking tot een aanvraag exploitatievergunning van een derde en de onduidelijkheid die bestaat omtrent de financiering van de panden die eiser in eigendom heeft, zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij Bureau bibob een bibob-advies ten aanzien van eiser aan te vragen. Verweerder heeft hiermee gehandeld in overeenstemming met zijn Beleidslijn. Door eiser zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die verweerder in redelijkheid had moeten nopen om af te wijken van de Beleidslijn en dus had moeten afzien van het aanvragen van een bibob-advies bij het Bureau bibob.

7.

Met betrekking tot het advies van het Bureau bibob van 11 juni 2012 overweegt de rechtbank allereerst dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5278, een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau bibob, in beginsel van het advies van het Bureau mag uitgaan. Dit laat onverlet dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

Voorts is van belang dat een bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het Bureau, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan.

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval het bibob-advies aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Uit het advies blijkt dat de gebruikte informatie afkomstig is van verschillende bronnen. Behalve de CIE-informatie zijn er documenten van de politie en van de Belastingdienst benoemd. Ook zijn er een veelheid aan verklaringen opgenomen, is de informatie vrij specifiek en zijn de gebruikte bronnen als betrouwbaar beoordeeld.

8.2

Uit het advies blijkt onder meer dat er een voldoende geconcretiseerd vermoeden bestaat dat eiser handelt in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen, onder meer doordat hij ten aanzien van verschillende bedrijven over diverse belastingjaren geen binnen een redelijke termijn controleerbare administratie heeft gevoerd, alsmede dat eiser, ook na aanmaningen, niet heeft voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. In verband hiermee zijn aan eiser verzuimboetes, naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. Eiser heeft de in het advies opgenomen en gemotiveerde vermoedens niet bestreden.

8.3

Verder is - onweersproken - door eiser geweigerd om antwoord te geven op vragen die het Bureau bibob hem heeft gesteld over onder meer de financiering van de onderneming. Op grond van artikel 12, vierde lid, aanhef en onder e, van de Wet bibob is het Bureau bevoegd om in het geval onvoldoende informatie is verschaft voor het onderzoek ten behoeve van het advies, eiser te verzoeken om nadere gegevens te verschaffen met betrekking tot de wijze van financiering. Een weigering om de gevraagde informatie te verschaffen wordt op grond van het tweede lid van artikel 4 van de Wet bibob al aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

8.4

Reeds op grond van het gestelde in rechtsoverwegingen 8.2 en 8.3 bestaat naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor de conclusie dat verweerder bevoegd is de aangevraagde exploitatievergunning te weigering omdat ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel om strafbare feiten te plegen.

8.5

Daarnaast blijkt uit het advies onder meer dat in het kader van de Wet op de kansspelen aan eiser is tegengeworpen dat in de inrichting [derde bedrijf], waarvan hij indertijd eigenaar was, illegaal wordt gegokt. Dit blijkt onder andere uit informatie van de politie Zuid-Holland-Zuid, die, in samenwerking met de Belastingdienst, op 11 december 2008 een controle heeft gehouden waarbij een wedstrijdticket, wedstrijdformulieren en een internetzuil zijn aangetroffen. Ook is er een getuigenverklaring van het illegale gokken. Verder blijkt uit een proces-verbaal van de RIEC Zuid-Holland-Zuid dat door verschillende informanten is verklaard dat in de inrichting [derde bedrijf] illegaal voor grote bedragen wordt gegokt op voetbalwedstrijden. Deze informatie is als betrouwbaar aangemerkt.

8.6

Het feit dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld voor één of meer van de in het advies genoemde overtredingen, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat geen grond aanwezig is voor toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. Voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, is niet vereist dat een veroordeling door de strafrechter is gevolgd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat aan eiser door de Belastingdienst vergrijpboetes ter hoogte van 50% van de niet opgegeven belasting zijn opgelegd. Een (bestuursrechtelijke) vergrijpboete wordt opgelegd in geval sprake is van opzet of grove schuld. Bij opzet bedraagt de boete 50% van de belasting die opzettelijk is verzwegen. Gesteld noch gebleken is dat tegen de opgelegde vergrijpboetes door eiser rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat deze boetes rechtens onaantastbaar zijn geworden. Hiermee is ook het strafbaar handelen van eiser komen vast te staan.

9.1

Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op artikel 1 van Eerste Protocol bij het EVRM (EP), overweegt de rechtbank het volgende.

9.2

Naar het oordeel van de rechtbank vindt door overneming van het advies van Bureau bibob en de weigering van de exploitatievergunning geen vaststelling van schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5278, is de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob niet gericht op het bestraffen van personen, maar op het voorkomen dat het plegen van strafbare feiten door de overheid wordt gefaciliteerd. Voor zover bij de vaststelling van ernstig gevaar strafbare feiten in de besluitvorming worden betrokken, is niet vereist dat betrokkenen ter zake van die strafbare feiten zijn veroordeeld, maar is slechts vereist dat voldoende aannemelijk is dat betrokkenen die strafbare feiten hebben gepleegd. In het onderhavige geval is de conclusie gerechtvaardigd dat verweerders weigering om eiser een exploitatievergunning te verlenen ingrijpende gevolgen voor hem heeft, maar maakt dat enkele feit niet dat de weigering strekt tot een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 van het EVRM.

9.3

Op grond van artikel 1 van het EP zijn inmengingen in het daarin neergelegde recht op het ongestoord genot van eigendom toegestaan, mits deze bij wet zijn voorzien en door het algemeen belang worden gerechtvaardigd. Verweerders bevoegdheid tot weigering van de exploitatievergunning is neergelegd in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob zodat daarin bij wet is voorzien. Voorts is het algemeen belang gediend met de toepassing van deze bevoegdheid in dit geval. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat geen redelijk evenwicht bestaat tussen het met de weigering gediende algemeen belang en de nadelige gevolgen daarvan voor eiser.

10.

De verder door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden zijn gelijk aan de gronden die hij in bezwaar naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder afdoende gemotiveerd op grond waarvan die gronden niet kunnen leiden tot verlening van de gevraagde vergunning. Verwijzend naar de motivering ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

11.

Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en

mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.