Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10118

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
DOR 12/1326
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3797, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een natuurlijk persoon dient, om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Eiser is eigenaar/verhuurder van het pand in geding. Dit is onvoldoende om hem daarmee zonder meer aan te merken als belanghebbende, omdat daartoe ook de aard van het besluit en de omstandigheden van het geval van belang zijn. Eiser onderscheidt zich in dit geval onvoldoende van willekeurige anderen, zodat hij niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat aan eiser en zijn huurders geen exploitatievergunning wordt verleend en dat zij daarmee door verweerder anders behandeld worden, maakt niet dat hij wordt geraakt in een persoonlijk belang dat rechtstreeks bij de tijdelijke ontheffing van openings- en sluitingstijden is betrokken. Tegen de aan eiser en zijn huurders geweigerde exploitatievergunningen kunnen rechtsmiddelen worden aangewend waarvan eiser en zijn huurders ook gebruik hebben gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: DOR 12/1326

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. G. Boukich, mr.drs. J.E. Ossewaarde en mr. E.A. van Dommelen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam exploitant], exploitant van [bedrijf], gevestigd in het pand aan de[adres bedrijf], voor de periode van 20 juli 2012 tot en met 20 augustus 2012 ontheffing verleend van de openings- en sluitingstijden.

Bij besluit van 22 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 29 oktober 2012 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op 9 juli 2012 heeft [naam exploitant], exploitant van [bedrijf] (de exploitant), een ontheffing van de voor hem geldende openings- en sluitingstijden gedurende de ramadanperiode van 20 juli 2012 tot en met 20 augustus 2012 aangevraagd. Bij het primaire besluit verweerder de gevraagde ontheffing verleend.

2.

Eiser, eigenaar van het pand waarin[bedrijf] is gevestigd, heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft, met overneming van het advies van 15 oktober 2012 van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dordrecht, het primaire besluit gehandhaafd. De verleende ontheffing is geëxpireerd. Omdat de beslissing op bezwaar bij toekomstige aanvragen om ontheffing van de exploitant kan worden betrokken, wordt procesbelang van eiser aanwezig geacht. Verder stelt verweerder dat een ontheffingsbesluit niet onder de werking van zijn beleid inzake de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) valt. Bij de vergunningaanvragen van eiser en zijn huurders betrof het wel besluiten waarop de Wet bibob van toepassing was. Van ongelijke behandeling in gelijke gevallen is geen sprake.

3.

Eiser stelt in beroep – zakelijk weergegeven - dat hij in een handhavingzaak heeft verzocht om een toetsing op grond van de Wet bibob. Deze ontheffing is een onderdeel van de verleende exploitatievergunning. Met deze ontheffing heeft verweerder de mogelijkheden verruimd om de exploitatievergunning te misbruiken voor het plegen van strafbare feiten. Voor eisers huurders is al bij hele lichte vermoedens tot tweemaal toe een exploitatievergunning geweigerd.

4.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of eiser is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van verweerder om aan de exploitant een tijdelijke ontheffing van de openings- en sluitingstijden te verlenen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

6.

Op grond van vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2538, dient een natuurlijk persoon, om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Vast staat dat eiser de eigenaar/verhuurder is van het pand, waarin [bedrijf] gevestigd is. De enkele omstandigheid dat eiser eigenaar is van het pand, is onvoldoende om hem daarmee zonder meer aan te merken als belanghebbende. Daartoe zijn ook de aard van het besluit en de omstandigheden van het geval van belang. Gelet op de beroepsgronden van eiser, is de rechtbank van oordeel dat eiser zich in dit geval onvoldoende onderscheidt van willekeurige anderen, zodat hij niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat, zoals eiser stelt, aan hem en zijn huurders geen exploitatievergunning wordt verleend en dat zij daarmee door verweerder anders behandeld worden, maakt niet dat hij wordt geraakt in een persoonlijk belang dat rechtstreeks bij de tijdelijke ontheffing van openings- en sluitingstijden van [bedrijf] is betrokken. Tegen de aan eiser en zijn huurders geweigerde exploitatievergunningen kunnen rechtsmiddelen worden aangewend waarvan eiser en zijn huurders ook gebruik hebben gemaakt.

7.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen rechtstreeks belang heeft bij het primaire besluit, zodat verweerder eiser ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in zijn bezwaar.

8.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Aan een inhoudelijke beoordeling van de verleende ontheffing wordt dan ook niet toegekomen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en

mr. M.A. Veneberg, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.