Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10115

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
DOR 12/1459
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk tegemoetkomen aan Wob-verzoek.

Het antikraakoverzicht is in Wob-verzoek niet als zodanig benoemd en daarmee een uitbreiding in beroep van het Wob-verzoek. De rechtbank laat het dan ook buiten verdere bespreking.

Eiser heeft ter zitting toegelicht wat hij met zijn verzoek om overleggen van een inschrijvingsoverzicht GBA heeft bedoeld. Dit is een andere uitleg dan verweerder heeft begrepen. Uitgaande van eisers toelichting heeft verweerder ter zitting verklaard dat een dergelijk overzicht niet als bestaand document bij hem aanwezig is en dus niet overgelegd kan worden. De mededeling van verweerder dat het gevraagde stuk er niet is, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door hem gevraagde inschrijvingsoverzicht GBA wel onder verweerder berust.

Met betrekking tot het door eiser verzochte juridisch kader heeft verweerder uitgelegd in welke gevallen tot antikraak wordt overgegaan. In zoverre heeft verweerder de gevraagde informatie aan eiser verstrekt. Voor zover eiser met zijn Wob-verzoek heeft beoogd een document te krijgen waarin deze informatie is vermeld, moet uit hetgeen verweerder heeft overwogen worden afgeleid dat er geen sprake is van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Eiser heeft niet gemotiveerd onderbouwd dat zulks wel het geval zou zijn.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: DOR 12/1459

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. G. Boukich, mr.drs. J.E. Ossewaarde en mr. E.A. van Dommelen.

Procesverloop

Bij brief van 22 april 2012 heeft eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verweerder verzocht om gegevens/informatie ten behoeve van de door verweerder in antikraak bewoning/bewaking afgegeven panden [adres 1] en [adres 2] te [plaats].

Bij besluit van 13 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzochte stukken niet verstrekt.

Bij besluit van 17 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 23 november 2012 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij brief van 22 april 2012 heeft eiser aan verweerder met een beroep op de Wob met betrekking de panden [adres 1] en [adres 2] te[plaats] diverse vragen gesteld en daarbij – voor zover thans nog van belang - verzocht om een juridisch kader op basis waarvan antikraak wordt afgegeven, huurovereenkomst (waarin de namen van de huurders/gebruikers weggelaten konden worden) per pand, een inschrijvingsoverzicht van het aantal in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) geregistreerde bewoners (waarin de namen van de huurders/gebruikers weggelaten konden worden) en kopieën van de antikraakovereenkomsten die door verweerder met de antikraakorganisaties zijn afgesloten ten behoeve van de hiervoorgenoemde panden.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en alsnog de antikraakovereenkomst, gesloten tussen de gemeente en de betreffende antikraakorganisatie ten behoeve van het pand, met weglakking van persoonsgegevens en financiële gegevens openbaar gemaakt. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gevraagde stukken niet aanwezig zijn dan wel niet verstrekt kunnen worden.

3.

Eiser stelt in beroep dat verweerder niet heeft aangeleverd het juridisch kader, het inschrijvingsoverzicht GBA en het antikraakoverzicht.

4.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt onder een document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b - voor zover hier van belang -, wordt onder een bestuurlijke aangelegenheid verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wob - voor zover hier van belang - verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van het tweede lid van dit artikel vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e - voor zover van belang - van de Wob blijft verstrekking van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

5.1.

Eiser stelt dat hij geen antikraakoverzicht heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat het antikraakoverzicht als zodanig niet genoemd is in het door eiser ingediende Wob-verzoek van 22 april 2012 en beschouwt het daarmee als een uitbreiding in beroep van het Wob-verzoek. De rechtbank kan alleen oordelen over onderdelen van het bij verweerder ingediende Wob-verzoek, zodat de vraag of verweerder aan eiser een antikraakoverzicht had moeten verstrekken geen deel uitmaakt van deze procedure. De rechtbank laat het dan ook buiten verdere bespreking.

5.2.

Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij met het gevraagde inschrijvingsoverzicht GBA heeft bedoeld een overzicht van hoeveel personen er in de betreffende panden wonen. De rechtbank stelt vast dat dit een andere uitleg betreft dan verweerder op grond van het verzoek en het bezwaarschrift van eiser heeft begrepen. Ervan uitgaande dat eiser een overzicht heeft bedoeld van het aantal personen dat er in de betreffende panden woont heeft verweerder ter zitting verklaard dat een dergelijk overzicht niet als bestaand document bij hem aanwezig is en dus niet overgelegd kan worden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1324) geldt dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat dat document toch onder het bestuursorgaan berust. De mededeling van verweerder dat het gevraagde stuk er niet is, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het door hem gevraagde inschrijvingsoverzicht GBA wel onder verweerder berust. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.3

Met betrekking tot het door eiser verzochte juridisch kader heeft verweerder in het primaire en bestreden besluit uitgelegd in welke gevallen tot antikraak wordt overgegaan. In zoverre heeft verweerder de gevraagde informatie aan eiser verstrekt. Voor zover eiser met zijn Wob-verzoek heeft beoogd een document te krijgen waarin deze informatie is vermeld, moet uit hetgeen verweerder heeft overwogen worden afgeleid dat er geen sprake is van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Eiser heeft niet gemotiveerd onderbouwd dat zulks wel het geval zou zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

6.

Het beroep dient ongegrond verklaard te worden.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. M.A. Veneberg, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.