Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
C-11-101300 - HA ZA 13-2001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na inhoudelijk tussenvonnis.

Volgens eiseres is gedaagde jegens haar aansprakelijk primair op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, subsidiair op grond van artikel 6:162 jo 3:45 BW en meer subsidiair omdat gedaagde heeft nagelaten haar te waarschuwen voor een risicovolle groepsstructuur. Eiseres heeft haar stellingen echter onvoldoende onderbouwd. Haar vordering wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0029

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/11/101300 / HA ZA 13-2001

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

de stichting

STICHTING RIVAS ZORGGROEP,

gevestigd te Gorinchem,

eiseres,

advocaat mr. P.A. Lanting,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENGENERUS BEHEER B.V.,

gevestigd te Gorinchem,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. de Haij.

Partijen zullen hierna Rivas en Beheer worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 juli 2013 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de akte aanvulling gronden en wijziging c.q. vermeerdering eis van Rivas (hierna: akte na tussenvonnis),

  • -

    de antwoordakte van Beheer.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis is overwogen dat de gevorderde betaling van het bedrag van

€ 100.000,00 per jaar of enig lager bedrag op de grondslag van artikel 479a Rv niet toewijsbaar is. Voor zover Rivas bedoeld heeft aan haar vordering tevens ten grondslag te leggen dat Beheer jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, is zij in de gelegenheid gesteld bij akte haar stellingen aan te passen en/of aan te vullen.

2.2.

Rivas heeft hierop bij akte na tussenvonnis haar eis vermeerderd.

2.3.

In aanvulling op haar primaire en subsidiaire vordering in de dagvaarding, vordert Rivas meer subsidiair a. vast te stellen dat Beheer onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en b. betaling van een bedrag van in totaal € 372.569,89, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering legt zij ten grondslag dat Beheer onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, als gevolg waarvan zij is benadeeld. Zij stelt daartoe het volgende.

2.4.

Primair kan Beheer als bestuurder/enig aandeelhouder van Consultancy een voldoende ernstig verwijt worden gemaakt van het onbetaald en onverhaald blijven van de vordering van Rivas op Consultancy. Beheer heeft immers op het moment dat Consultancy mogelijk aansprakelijk was jegens Rivas, de onderneming/praktijk/goodwill van haar overgenomen en [betrokkene] van haar ingeleend zonder voor die overname en inlening een vergoeding te betalen. Daarmee heeft zij bewerkstelligd dat Consultancy activa verloor en geen inkomsten meer zou verkrijgen, waardoor zij haar verplichtingen niet kon nakomen en geen verhaal kon bieden voor Rivas. Subsidiair is Beheer aansprakelijk op de voet van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 3:45 BW. Zij heeft immers als begunstigde meegewerkt bij de onverplichte rechtshandeling tot voormelde overname en inlening, terwijl zij als moedermaatschappij wist of in elk geval behoorde te weten dat daarvan benadeling van Rivas en mogelijk andere schuldeisers het gevolg zou zijn. Uiterst subsidiair is er sprake van onrechtmatig handelen van Beheer jegens Rivas, omdat Beheer haar niet heeft gewaarschuwd voor de risicovolle groepsstructuur van Beheer en Consultancy, waardoor zij is benadeeld.

2.5.

Beheer concludeert dat (ook) de meer subsidiaire vordering van Rivas dient te worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat Beheer geen activiteiten van Consultancy heeft overgenomen en dat [betrokkene] niet door Consultancy aan Beheer wordt uitgeleend.

2.6.

Indien een schuldeiser van een vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld indien hem, mede gelet op zijn verplichtingen tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt als maatstaf dat het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 8 december 2006, NJ 2006, 659).

2.7.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op Rivas de stelplicht en bewijslast van de stelling dat Beheer als bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het onbetaald en onverhaald blijven van de vordering van Rivas op Consultancy.

2.8.

Rivas stelt dat Beheer jegens haar aansprakelijk, omdat zij [betrokkene] van Consultancy heeft ingeleend en de onderneming/praktijk/goodwill van Consultancy heeft overgenomen op het moment dat Consultancy mogelijk aansprakelijk was jegens Rivas, zonder voor die inlening en overname een vergoeding te betalen. Deze inlening en overname blijkt volgens Rivas uit de volgende omstandigheden. Beheer voert tegenwoordig adviserende werkzaamheden uit, terwijl in 2003 en 2006 de adviserende werkzaamheden werden uitgevoerd door Consultancy. Uit de naamgeving blijkt dat “Rengenerus Beheer B.V.” (van oorsprong) een Beheer B.V. is en geen advies B.V. Uit de publicatiestukken van 2008 tot en met 2010 volgt verder dat Beheer in tegenstelling tot Consultancy geen personeelsleden in dienst had. Beheer heeft geen bewijs overgelegd dat zij vóór 2006 al (advies)opdrachten uitvoerde.

2.9.

Zoals is overwogen onder 5.4. en 5.5. van het tussenvonnis, heeft Rivas haar stelling dat [betrokkene] door Beheer is ingeleend van Consultancy onvoldoende onderbouwd. Nu Rivas deze stelling ook in haar akte na tussenvonnis niet van een nadere onderbouwing heeft voorzien, wordt geen aanleiding gezien om terug te komen van hetgeen hieromtrent in het tussenvonnis is beslist. Derhalve is niet komen vast te staan dat [betrokkene] door Beheer is ingeleend van Consultancy.

2.10.

Beheer heeft gemotiveerd betwist dat zij activiteiten van Consultancy heeft overgenomen. Volgens haar is er altijd een onderscheid geweest tussen kortlopende opdrachten van projectadviseurschap die door Consultancy worden verricht en langlopende opdrachten van interimmanagement die door Beheer worden gedaan. Ter onderbouwing van haar betwisting verwijst Beheer naar de uittreksels van de Kamer van Koophandel van Consultancy en Beheer. Bij beide vennootschappen staat als omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in elk geval vermeld “bedrijfsorganisatie-adviesbureau”. Bij Beheer is aan deze omschrijving toegevoegd “het geven van planeconomische adviezen, het voeren van project- en interimmanagement, het beheren en exploiteren van een adviesbureau op bedrijfsorganisatorisch gebied.”

2.11.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van Beheer, welke betwisting al bij conclusie van antwoord naar voren is gebracht, lag het op de weg van Rivas haar stelling dat Beheer de activiteiten van Consultancy heeft overgenomen op het moment dat aansprakelijkheid-stelling van haar in beeld kwam, nader (feitelijk) te onderbouwen. Op de comparitie en in haar akte na tussenvonnis heeft Rivas echter slechts nader gesteld dat de bedrijfs-omschrijving van Beheer in de Kamer van Koophandel “later, wellicht toen aansprakelijk-heidstelling in zicht kwam”, met voormelde zinsnede is aangevuld. Dit vermoeden alleen is echter onvoldoende om aan te nemen dat van de gestelde overname van de activiteiten van Consultancy door Beheer sprake is. Die overname komt dan ook niet vast te staan.

2.12.

De omstandigheid dat Beheer geen bewijs heeft overgelegd dat zij vóór 2006 geen (advies)opdrachten uitvoerde, zoals Rivas stelt, kan haar niet baten. Zoals is overwogen onder 2.7. rust op Rivas ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat Beheer een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbetaald en onverhaald blijven van haar vordering op Consultancy. Er wordt geen aanleiding gezien van die hoofdregel af te wijken. Ook indien Rivas met haar stelling bedoelt dat Beheer niet aan haar verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan, treft die stelling geen doel. In het kader van de vordering ex artikel 6:162 BW is van een dergelijke verzwaarde motiveringsplicht van Beheer geen sprake.

2.13.

Gezien het voorgaande is het gestelde onrechtmatige handelen van Beheer op de voet van bestuurdersaansprakelijkheid niet komen vast te staan.

2.14.

De meer subsidiaire vordering op grond van artikel 6:162 jo. 6:45 BW is slechts toewijsbaar, indien komt vast te staan dat Beheer als begunstigde heeft meegewerkt aan de onverplichte rechtshandeling van Consultancy tot uitlening van [betrokkene] en tot overdracht van haar onderneming/praktijk/goodwill aan Beheer op het moment dat aansprakelijkheidstelling in zicht kwam, terwijl tegenover die overname en uitlening geen vergoeding stond en Beheer als moedermaatschappij wist of in elk geval behoorde te weten dat die handelwijze benadeling van Rivas als schuldeiser van Consultancy, het gevolg zou zijn. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Rivas onvoldoende onderbouwd dat [betrokkene] door Consultancy aan Beheer is uitgeleend en dat de onderneming/praktijk/goodwill van Consultancy aan Beheer is overgedragen. Het gestelde onrechtmatige handelen van Beheer jegens Rivas op de voet van artikel 6:162 jo. 3:45 BW komt dan ook niet vast te staan.

2.15.

Een moedervennootschap kan op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk worden gehouden voor schulden van haar dochtervennootschap, indien zij haar zorgplicht jegens die schuldeisers heeft geschonden. Hiervan is sprake indien een moedervennootschap, ondanks een bestaande risicovolle groepsstructuur van de vennootschappen, nalaat de schuldeisers van haar dochtervennootschap hiervoor te waarschuwen (vgl. HR 11 september 2009, NJ 2009, 565).

2.16.

Dat de activiteiten/onderneming en werknemers vrijelijk van Consultancy naar Beheer kunnen worden geschoven, zoals Rivas stelt, impliceert op zichzelf geen groepsstructuur waaraan dusdanige risico’s zijn verbonden, dat Beheer de schuldeisers van haar dochtervennootschap hiervoor diende te waarschuwen. Bovendien valt zonder een nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat Beheer genoodzaakt was Rivas hiervoor te waarschuwen op het moment dat Rivas in 2003 de opdracht aan Consultancy gaf. Het gestelde onrechtmatige handelen van Beheer jegens Rivas wegens het nalaten te waarschuwen voor een risicovolle groepsstructuur van Beheer en Consultancy, is dan ook onvoldoende onderbouwd.

2.17.

Gezien het voorgaande zal (ook) de meer subsidiaire vordering van Rivas worden afgewezen.

2.18.

Rivas zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Beheer worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 5.000,00 (2,5 punten x tarief VI à € 2.000,00)

Totaal € 5.575,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt Rivas in de proceskosten, aan de zijde van Beheer tot op heden begroot op € 5.575,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

type: 2545

coll: 2326/2515