Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10094

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
C-11-100288 - HA ZA 12-2229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

2 geldleningen. Gedaagde betwist beide leningen onvoldoende en moet terugbetalen. Russisch recht + boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/11/100288 / HA ZA 12-2229

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

[Eiseres],

wonende te Zwijndrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.M. Broere-Blokland,

tegen

1 [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende in Rusland, danwel Nederland,

gedaagden,

advocaat mr. X.H.C. Woodhouse.

Partijen zullen hierna [Eiseres], [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 6 februari 2013 en de daaraan ten grondslag liggende

processtukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 5 september 2013 en de daarin genoemde
processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiseres] heeft een uit het Russisch naar Nederlands vertaalde overeenkomst van 15 mei 2007 overgelegd (productie 1 bij dagvaarding), waarvan de inhoud - voor zover relevant - luidt als volgt:

“1. ONDERWERP VAN DE OVEREENKOMST

1.1.

Aangezien de partijen gezamenlijk verklaren dat ze wensen en bevoegd zijn deze overeenkomst te sluiten erkent de schuldenaar door hem ter leen genomen gelden schuldig aan de schuldeiser, een bedrag groot € 230.558 (…) EURO. De schuldenaar dient het in deze overeenkomst bedoelde leenbedrag terug te betalen binnen de bij deze overeenkomst vastgestelde termijn.

1.2.

Vanaf de datum van ontvangst van het leenbedrag en tot de datum van het terugbetalen van het leenbedrag is de schuldenaar verplicht de rente, zijnde een bedrag van 2.000 (…) EURO, maandelijks te voldoen, niet later dan op de vijftiende van iedere maand.

1.3.

De geldlening als bedoeld in lid 1.1. is verstrekt aan de schuldenaar voor een tijdsduur van één jaar vanaf de datum van verstrekking van de geldlening (het deel van de geldlening).

(…)

3. AANSPRAKELIJKHEID VAN DE PARTIJEN

(…)

3.2.

Indien het leenbedrag en de in lid 1.2. van deze overeenkomst bedoelde rente niet terug wordt betaald binnen de in lid 1.2. van deze overeenkomst bedoelde termijn, dient de schuldenaar boete te betalen ten grootte van 0,5% van het niet terugbetaalde bedrag voor iedere dag van achterstand in betaling.

(…)

3.4.

Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van deze overeenkomst zal
recht van pand worden gesteld op de woning op het volgende adres: [adres 1], Zwijndrecht, Koninkrijk der Nederlanden, welke eigendom is van de schuldenaar.

(…)

6. GESCHILLENOPLOSSING

(…)

6.3.

Op de huidige overeenkomst is recht van de Russische Federatie van toepassing.”

2.2.

Op 29 december 2007 heeft [Eiseres] een “Statement of money” ondertekend (productie 18 zijdens [Eiseres]), waarin zij het volgende heeft verklaard:

[Eiseres] (…) verklaart bij deze dat de door haar naar de Derdengeldenrekening tnv Notarispraktijk Interwaert bij de Rabobank overgemaakte bedragen (thans € 21.000,00 d.d. 12/13-11-2007,
€ 21.000,00 d.d. 19/20-12-2007 en € 180.000,00 12/13-11-2007) geheel aangewend mogen worden voor de aankoop (met de daarbij behorende kosten koper) van de woning [adres 1] te Zwijndrecht door mevrouw [adres 1].”

2.3.

Op 16 januari 2008 heeft [Gedaagde 1], met de hiervoor onder 2.2. genoemde bedragen die door [Eiseres] ter beschikking zijn gesteld, de woning aan de [adres 1] te Zwijndrecht (hierna: de woning) gekocht voor een bedrag van € 210.000,00.

2.4.

Op 30 augustus 2010 zijn [Eiseres] en [Gedaagde 1] bij “Aanvullende overeenkomst Bij de geldlening overeenkomst d.d. 15 mei 2007” (productie 6 zijdens [Eiseres]) het volgende overeengekomen - voor zover relevant - :

[Eiseres] (…) en [Gedaagde 1] (…) verklaarden deze aanvullende overeenkomst van geldlening d.d. 15.05.2007 te sluiten als volgt:

Schuldenaar verbindt zich de maandelijkse betalingen als bedoeld in artikel 1.2 van de Overeenkomst van geldlening d.d. 15 mei 2007 naar de volgende bankrekening (Rb: in Spanje) over te maken:”

2.5.

In de periode van juli 2008 tot en met 20 juni 2012 zijn in opdracht van [Gedaagde 1] vanaf diverse bankrekeningnummers, diverse betalingen verricht aan de volgende begunstigden: [Eiseres], [betrokkene 3] (de moeder van [Eiseres]) en [advocaat], een advocaat.

2.6.

Bij e-mail van 7 maart 2012 heeft [Eiseres] aan [Gedaagde 1] (volgens een Nederlandse vertaling uit het Russisch, productie 7 zijdens [Gedaagde 1]) het volgende geschreven - voor zover relevant - :

“Jij en ik, wij hadden een verschil in het tellen van het geld, dat jij voor mij op de rekening van [advocaat] (Rb: [advocaat]) hebt gestort, om mij geld terug te geven, dat jij van mij geleend hebt voor het huis in Holland. Je hebt mij gevraagd om meer details van Vadim te vragen, hoeveel geld hij van jou heeft gehad voor mij. [dochter 1] is bij hem geweest en heeft van hem een overzicht gekregen.”

2.7.

Bij e-mail van 14 maart 2012 heeft [Eiseres] aan [Gedaagde 1] (volgens een Nederlandse vertaling uit het Russisch, productie 11 zijdens [Gedaagde 1]) het volgende geschreven - voor zover relevant - :

“Zoals je gevraagd hebt, zal ik opnieuw jouw lening voor de aankoop van het huis in Zwijndrecht berekenen, daarbij in acht nemend de papieren van [advocaat].

(…)

Dat is alles wat je me terug gegeven hebt. Het bedrag is 172949

Het totaal bedrag dat ik je gaf om het huis te kopen was 217840

Op dit moment is het bedrag dat je met schuldig bent voor het kopen van het huis

217840 – 172949 = 44891 euro”

2.8.

Op 27 juni 2012 heeft [Gedaagde 1] de woning aan de [adres 1]verkocht aan haar dochter, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), en schoonzoon, [betrokkene 2](hierna: [betrokkene 2]), voor een bedrag van € 200.000,00. Dit bedrag is door kopers gestort op rekening van Derdengelden Venekamp en Daams, notarissen te Papendrecht.

2.9.

Bij e-mail van 18 juli 2012 te 14:36 uur heeft [Gedaagde 1] aan [Eiseres] (volgens de door [Eiseres] in het geding gebrachte Nederlandse vertaling, productie 4 bij antwoord in het incident zijdens [Gedaagde 1]/productie 11 zijdens [Eiseres]) het volgende geschreven - voor zover relevant - :

“Ik ben al lange tijd op zoek naar de oplossing van onze situatie.

Tot op de dag van vandaag heb ik niet helemaal begrepen wat je wilt. Alles wat ik je kan bieden om de situatie op te lossen is het geld overmaken naar een voor jou geschikte rekening nadat ik het geld voor mijn huis heb gekregen.

Volgende week teken ik het verkoopcontract voor het huis en daarna krijg ik de datum waarop het geld aan mij overgemaakt wordt, voor zover ik begrijp is dat niet langer dan zes weken (Rb: in de door [Gedaagde 1] overgelegde vertaling staat vermeld “zes maanden”). Dan binnen zes weken (Rb: in de door [Gedaagde 1] overgelegde vertaling staat vermeld “zes maanden”) zou ik geld krijgen voor mijn meubels en de rest dat niet in het contract voor de hypotheek zit.

De papieren voor het huis zijn al gecontroleerd en natuurlijk zit op het huis geen borgstelling. De overeenkomst met jou heb ik ook naar Nederland gestuurd en wij hebben er over een uitleg gekregen. Dit is een overeenkomst tussen ons en het kan gebruikt worden om geschillen tussen ons op te lossen, ik heb geen borgstelling geregeld. De bedoeling is geen borgstelling.

In geen enkel geval zie ik onze situatie zo, dat ik van plan ben om je niet terug te betalen, in tegendeel.

Ik kan zeker beloven 200 duizend euro (Rb: in de door [Gedaagde 1] overgelegde vertaling staat geen valuta vermeld) over te maken, nadat ik het op mijn rekening zou krijgen. In oktober 40 duizend en de rest uiterlijk in januari.

Als je niet akkoord gaat met mijn voorstel, wil je mij dat dan zo snel mogelijk schrijven. Schrijf als je het huis wilt krijgen in ruil voor mijn schuld.

Het huis staat nu te koop in de staat waarin het nu is en na verkoop is er geen sprake van dat iemand nog daar in gaat wonen met huisdieren. Wil je mij je beslissing schrijven en ik ga dat niet meer verkopen maar wij regelen het als terug geven van een schuld.”

2.10.

Bij e-mail van 19 juli 2012 heeft [Gedaagde 1] aan [Eiseres] (volgens de Nederlandse vertaling, productie 7 zijdens [Gedaagde 1]) het volgende geschreven:

“Yulia, Ik zal in Nederland zijn van het moment dat jij daar aan komt tot 20 augustus. De exacte datum dat het geld op jouw rekening gestort wordt, kan ik je niet vertellen, maar niet later dan 10 september. Opnieuw, als je het nodig hebt, dan kan ik het aan je geven in Nederland.”

2.11.

Bij e-mail van 21 juli 2012 heeft [Eiseres] aan [Gedaagde 1] (volgens de Nederlandse vertaling, productie 7 zijdens [Gedaagde 1]) het volgende geschreven - voor zover relevant - :

“Nee, niet naar Nederland. Daar heb ik een lening van 30.000,- euro. Dus als ik daar iets op mijn rekening zet, dan wordt het direct tot op de laatste cent weggenomen. (…) Maar in ieder geval heb ik een bedrag nodig voordat ik aankom, je kunt het nu naar mij sturen op de bankrekening van mijn moeder in Spanje. (…) Je schreef dat als je tot 10 september me niet al het geld terug zult geven, dat je het dan tot Nieuwjaar in twee termijnen zult sturen, correct? En de rest van jouw lening zul je terugbetalen met een percentage rente sinds ik nog steeds 12% per jaar betaal op dit moment. Correct?

Hoeveel zul je me nu sturen en hoeveel tot 10 september?”

2.12.

Op 19 september 2012 is de woning aan de [adres 1] geleverd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

2.13.

Krachtens verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 september 2012 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [Eiseres] ten laste van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] conservatoir beslag doen leggen onder - onder meer - de onder 2.8. genoemde notarissen onder wie het bedrag van € 200.000,00 is gestort.

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert  samengevat - veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 285.558,00 en € 1.630.864,00 en veroordeling van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] in de (na)kosten van deze procedure, met rente, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

3.2.

Aan de vordering jegens [Gedaagde 1] van het bedrag van € 285.558,00 heeft [Eiseres] ten grondslag gelegd dat zij op 15 mei 2007 met [Gedaagde 1] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten, waarbij zij een bedrag van € 230.558,00 aan [Gedaagde 1] heeft geleend ter financiering van de aankoop door [Gedaagde 1] van de woning aan de [adres 1]. Deze overeenkomst van geldlening is vastgelegd in een onderhandse akte (zie 2.1.), die is ondertekend door [Gedaagde 1], in het bijzijn van [Eiseres] en haar dochter [dochter 1]. De rente van deze lening is opgelopen tot een bedrag van € 129.000,00 (64,5 maanden x € 2.000,00 per maand).

Daarnaast heeft [Eiseres] aan [Gedaagde 1] nog aanvullende leningen verstrekt van € 25.000,00 en
€ 50.000,00.

Op de leningen heeft [Gedaagde 1] een bedrag van € 26.700,00 ingelost, zodat aan lening nog een bedrag resteert van € 278.858,00 (€ 305.558 - € 26.700,00).

[Gedaagde 1] heeft aan rente een bedrag van € 122.300,00 ingelost, zodat nog een bedrag resteert van € 6.700.00 (129.000,00 - € 122.300,00).

In totaal resteert derhalve nog een bedrag van € 285.558,00 (€ 278.858,00 + € 6.700,00), te vermeerderen met de contractuele rente van € 2.000,00 per maand over de geldlening van
€ 230.558,00 en de wettelijke rente over de geldleningen van € 25.000,00 en € 50.000,00.

3.3.

Aan de vordering jegens [Gedaagde 1] van het bedrag van € 1.630.864,00 heeft [Eiseres] ten grondslag gelegd dat dit de boete betreft die [Gedaagde 1] op grond van artikel 3.2. van de overeenkomst van 15 mei 2007 aan haar verschuldigd is, omdat [Gedaagde 1] de hoofdsom niet binnen één jaar na ingang van de overeenkomst heeft terugbetaald. De boete bedraag per datum van de dagvaarding 0,5% van het niet terugbetaalde bedrag voor iedere dag van achterstand in de betaling, derhalve 1600 x (€ 230.558,00 - € 26.700,00) = € 1.630.864,00.

3.4.

Aan de vordering jegens [Gedaagde 2] heeft [Eiseres] ten grondslag gelegd dat [Gedaagde 2] beschikt over de met het geld uit de geldleningsovereenkomst gekochte woning aan de [adres 1]. Nu de woning is verkocht, komt de opbrengst toe aan zowel [Gedaagde 1] als [Gedaagde 2], op grond van de huwelijksgemeenschap. Door er niet voor zorg te dragen dat de geldlening voor de woning aan [Eiseres] wordt terugbetaald, maakt [Gedaagde 2] misbruik van de wanprestatie van [Gedaagde 1], hetgeen onrechtmatig jegens [Eiseres].

3.5.

Tot slot voert [Eiseres] aan dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt als zij hun terugbetalingsverplichtingen niet nakomen en ook niet voldoen aan de verplichting om een hypotheek te verstrekken op de woning aan de [adres 1] welke met het geleende bedrag is aangekocht. De woning is immers verkocht en als betaling aan [Eiseres] uitblijft, komt de koopprijs ten onrechte toe aan [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2].

3.6.

[Gedaagde 1] betwist dat zij de schriftelijke overeenkomst van 15 mei 2007 met [Eiseres] is aangegaan, althans dat daaraan gevolg is gegeven. Zij heeft de overeenkomst van 15 mei 2007 niet ondertekend. [Eiseres] heeft wel twee keer een bedrag van € 21.000,00 en een keer een bedrag van € 180.000 aan haar ter beschikking gesteld voor de aankoop van de woning aan de [adres 1]. Daarbij is geen rente of boeteclausule overeengekomen. Met [Eiseres] is afgesproken dat [Gedaagde 1] mocht terugbetalen “naar draagkracht en behoefte”.

Voor zover wel sprake is van een schriftelijke overeenkomst van 15 mei 2007, betoogt [Gedaagde 1] ter zitting ten aanzien van de gevorderde boete, dat de boeteclausule alleen verwijst naar artikel 1.2. van de overeenkomst, welk artikel aflossing van de rente betreft en niet aflossing van de hoofdsom.

3.7.

[Gedaagde 1] voert verder het volgende aan als verweer.

  1. de vordering van [Eiseres] is verjaard;

  2. de boete moet worden gematigd;

  3. [Gedaagde 1] heeft aan al haar terugbetalingsverplichtingen voldaan.

3.8.

[Gedaagde 2] betwist dat hij aansprakelijk is voor terugbetaling van de geldlening, nu hij niet met [Gedaagde 1] in gemeenschap van goederen is getrouwd, maar in 1991 is gescheiden. Bovendien zijn de door [Eiseres] ter beschikking gestelde bedragen nooit aan [Gedaagde 2] ten goede gekomen of in zijn vermogen gekomen.

4 De beoordeling

ten aanzien van de vordering jegens [Gedaagde 1]

4.1.

De vordering van € 75.000.

4.1.1.

[Eiseres] stelt dat er sprake is van een geldlening waarbij zij in totaal € 75.000,00 heeft uitgeleend aan [Gedaagde 1]. Aangezien [Eiseres] in Nederland woont en zijn de karakteristieke prestatie levert, is Nederlands recht op deze vordering van toepassing.

4.1.2.

[Eiseres] heeft in dit kader onder punt 6. van de dagvaarding het volgende aangevoerd: “Daarnaast hebben gedaagde(n) ter zake andere leningen nog een tegoed ter hoogte van EUR 75.000,00”, onder verwijzing naar haar productie 4, zijnde twee “debit advices” van overboekingen op 24 juli 2007 en 11 augustus 2007 van een bankrekening op naam van [Eiseres] en haar dochter [dochter 1] naar een bankrekening op naam van [Gedaagde 1].

4.1.3.

[Gedaagde 1] erkent dat zij in totaal € 75.000,00 van [Eiseres] heeft ontvangen. Zij voert echter aan dat deze bedragen aan haar ter beschikking zijn gesteld om “door te sluizen naar de dochter van [Eiseres] om de fiscus te foppen” (zie proces-verbaal comparitie), voor welk doel schriftelijke overeenkomsten waren opgemaakt. Deze schriftelijke overeenkomsten kan zij echter niet laten zien en evenmin heeft zij haar stelling dat de bedragen daadwerkelijk zijn doorbetaald aan de dochter van [Eiseres] onderbouwd met bijvoorbeeld betalingsbewijzen.

4.1.4.

[Gedaagde 1] heeft op de hiervoor bedoelde wijze de gestelde geldlening onvoldoende betwist. Zij dient beide bedragen terug te betalen. Als geen leningsovereenkomst bestaat dient zij terug te betalen omdat [Eiseres] in dat geval onverschuldigd aan [Gedaagde 1] heeft betaald.

4.1.5.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dagvaarding, nu geen datum van verzuim is gesteld.

4.2.

De vorderingen van € 230.558,00 en € 1.630.864,00.

4.2.1.

Vast staat dat [Eiseres] aan [Gedaagde 1] een bedrag van € 222.000,00 (twee keer € 21.000,00 en één keer € 180.000,00, zie 2.2.) ter beschikking heeft gesteld voor de aankoop van de woning (koopprijs van € 210.000,00). Voorts heeft [Eiseres] ter zitting verklaard dat het verschil tussen het ter beschikking gestelde bedrag van € 222.000,00 en het in de overeenkomst van geldlening genoemde bedrag van € 230.558,00, de makelaarskosten betreft die zij per bank aan de notaris heeft overgemaakt.

4.2.2.

[Eiseres] stelt dat partijen in verband met bovenstaande bedrag de hiervoor onder 2.1 weergegeven schriftelijke overeenkomst hebben gesloten. [Gedaagde 1] betwist dat zij deze tekst heeft ondertekend. Wel erkent zij dat zij voor haar aankoop van de woning € 222.000,00 van [Eiseres] heeft ontvangen. Zij stelt over de inhoud van de overeenkomst het volgende. Er was geen rente verschuldigd en geen boeteclausule overeengekomen.

4.2.3.

[Gedaagde 1] heeft haar betwisting van de schriftelijke overeenkomst onvoldoende gemotiveerd. Vast staat dat [Gedaagde 1] en [Eiseres] op 30 augustus 2010 een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten (zie 2.4 hiervoor), die wordt aangeduid als aanvullende overeenkomst. Bovenaan deze overeenkomst wordt verwezen naar de overeenkomst van 15 mei 2007. Ook in de tekst van de aanvullende overeenkomst wordt naar de overeenkomst van 15 mei 2007 verwezen, met name naar artikel 1.2 van die overeenkomst (€ 2.000,00 rente per maand). [Gedaagde 1] geeft geen verklaring voor deze verwijzing. De handtekeningen onder beide overeenkomsten vertonen op het oog bovendien grote gelijkenis. Van een stellige ontkenning van haar handtekening als bedoeld in art 159 lid 2 Rv is onder de hiervoor weergegeven omstandigheden geen sprake, zodat aan bewijslevering van de echtheid van de handtekening niet wordt toegekomen.

Als onvoldoende betwist staat vast dat [Gedaagde 1] de hiervoor onder 2.1 weergegeven schriftelijke overeenkomst van 15 mei 2007 heeft ondertekend. Evenmin heeft [Gedaagde 1] betwist dat [Eiseres] de makelaarskosten voor haar heeft betaald, zodat vast staat dat het bedrag van € 230.558,00 aan haar ter leen is verstrekt, zoals is bepaald in artikel 1.1 van de overeenkomst.

4.2.4.

Partijen hebben recht van de Russische Federatie van toepassing verklaard, zodat de rechten en plichten uit deze overeenkomst volgens dit recht zullen worden beoordeeld.

4.2.5.

Naar Russisch recht is [Gedaagde 1] in beginsel gehouden de hoofdsom (€ 230.558,00) en de contractuele rente te betalen.

4.2.6.

[Gedaagde 1] doet een beroep op verjaring. Volgens haar is de vordering van [Eiseres] verjaard, omdat de overeenkomst van 15 mei 2007 gold voor de duur van één jaar. Vanaf 15 mei 2008 is derhalve de verjaringstermijn gaan lopen, welke termijn ex artikel 196 Burgerlijk Wetboek van de Russische Federatie drie jaar bedraagt. Dit betekent dat de vordering van [Eiseres] op 15 mei 2011 is verjaard.

Met [Eiseres] oordeelt de rechtbank dat, indien de verjaringstermijn al is begonnen te lopen, de verjaring is gestuit. Immers zijn in opdracht van [Gedaagde 1] in de periode van juli 2008 tot en met 20 juni 2012, derhalve ook na 15 mei 2011, vanaf diverse bankrekeningnummers, diverse betalingen verricht aan [Eiseres], [betrokkene 3] (de moeder van [Eiseres]) en [advocaat] (een advocaat), van welke betalingen [Gedaagde 1] zelf aanvoert dat zij deze betalingen heeft (laten) verricht(en) ter aflossing van de lening. Voorts heeft [Gedaagde 1] in haar e-mail van 18 juli 2012 (zie 2.9.) aan [Eiseres] nog beloofd om in het kader van de aflossing van deze geldlening, geld aan haar over te maken, nadat [Gedaagde 1] het geld voor haar huis had gekregen. Naar Russisch recht geldt dit als een erkenning van schuld waardoor een eventuele verjaring is gestuit (artikel 203 Burgerlijk Wetboek van de Russische Federatie).

4.2.7.

Ter onderbouwing van haar verweer dat zij inmiddels heeft voldaan aan al haar terugbetalingsverplichtingen heeft [Gedaagde 1] als productie 4 een betalingsoverzicht in het geding gebracht, welk overzicht in productie 5 is onderbouwd met bankbescheiden. Uit dit betalingsoverzicht blijkt dat [Gedaagde 1] in de periode van juli 2008 tot en met 20 juni 2012 een bedrag van € 217.258,00 aan [Eiseres] heeft betaald. Overigens schrijft [Eiseres] in haar e-mail van 14 maart 2012 aan [Gedaagde 1] (zie 2.7.) zelf ook dat [Gedaagde 1] tot op dat moment uit hoofde van de geldlening al een bedrag van € 172.949,00 aan haar heeft betaald.

Een gedeelte van de bedragen op het betalingsoverzicht zijn door [Gedaagde 1] aan [advocaat] en de moeder van [Eiseres] betaald. [Eiseres] betwist ter zitting dat [Gedaagde 1] met deze bedragen bevrijdend aan haar heeft betaald, omdat zij daarvoor geen opdracht heeft gegeven, niet weet of [advocaat] deze bedragen heeft ontvangen en [advocaat] deze bedragen niet aan haar heeft doorbetaald. De rechtbank verwerpt deze betwisting, nu uit e-mails van [Eiseres] aan [Gedaagde 1] (zie 2.6. en 2.11.) blijkt dat [Gedaagde 1] daarvoor soms wel opdracht gaf en uit de op zichzelf niet betwiste bankbescheiden blijkt dat de bedragen op de bankrekening van [advocaat] zijn bijgeschreven. Dat [advocaat] deze bedragen vervolgens niet aan [Eiseres] zou hebben doorbetaald, kan [Gedaagde 1] niet worden tegengeworpen.

[Gedaagde 1] is naast aflossing van de hoofdsom gehouden om de contractuele rente te voldoen. Volgens [Eiseres] is de rente opgelopen tot een bedrag van
€ 129.000,00 (64,5 maanden x € 2.000,00 per maand), hetgeen op zichzelf door [Gedaagde 1] niet is betwist. Het door [Gedaagde 1] betaalde bedrag van € 217.258,00 dient eerst in mindering te worden gebracht op de rente. [Gedaagde 1] heeft derhalve een bedrag van € 88.258,00
(€ 129.000,00 -/- € 217.258,00) betaald op de hoofdsom. [Gedaagde 1] heeft dus nog niet voldaan aan al haar terugbetalingsverplichtingen.

4.2.8.

Slotsom is dat aan hoofdsom resteert een nog door [Gedaagde 1] te betalen bedrag van
€ 142.300,00 (€ 230.558,00 -/- € 88.258,00). Overigens schrijft [Gedaagde 1] in haar e-mail van 18 juli 2012 aan [Eiseres] (zie 2.9.) zelf ook dat zij [Eiseres] nog geld schuldig is. De stelling van [Gedaagde 1] ter zitting dat het in deze e-mail gaat om roebels, passeert de rechtbank als onvoldoende onderbouwd. Het blijkt nergens uit en alle transacties in deze zaak zijn steeds in euro’s betaald. De vordering van [Eiseres] ligt tot een bedrag van € 142.300,00 voor toewijzing gereed.

4.3.1.

[Eiseres] heeft aan de door haar gevorderde boete van € 1.630.864,00 artikel 3.2. van de overeenkomst van 15 mei 2007 ten grondslag gelegd, stellende dat [Gedaagde 1] deze boete verschuldigd is omdat zij de hoofdsom niet binnen één jaar na ingang van de overeenkomst heeft terugbetaald. Artikel 3.2. bepaalt echter dat [Gedaagde 1] een boete verschuldigd is van 0,5% van het niet terugbetaalde bedrag voor iedere dag van achterstand in betaling, wanneer zij het leenbedrag en de in artikel 1.2. van de overeenkomst bedoelde rente niet terugbetaalt binnen de in artikel 1.2. van de overeenkomst bedoelde termijn. Artikel 1.2. van de overeenkomst betreft alleen de verplichting om vanaf de datum van ontvangst van het leenbedrag tot de datum van het terugbetalen van het leenbedrag de maandelijkse rente van € 2.000,00 te voldoen en rept niet over de termijn waarbinnen de hoofdsom dient te worden terugbetaald. [Eiseres] heeft op basis van deze bepaling dus geen recht op de gevorderde contractuele boete, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.3.2.

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Indien al aanspraak bestaat op een contractuele boete, kan naar Russisch recht de boete worden gematigd. Naast een forse rente van € 2.000,00 per maand en de afwezigheid van schade aan de zijde van [Eiseres] zou deze boete zijn gematigd tot nihil.

Proceskosten

4.4.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te noemen.

ten aanzien van de vordering jegens [Gedaagde 2]

4.5.

[Gedaagde 2] is geen contractspartner van [Eiseres]. De woning stond op naam van [Gedaagde 1], [Gedaagde 1] heeft de woning verkocht en de verkoopopbrengst die is gestort op de rekening van de notaris waaronder beslag is gelegd, komt toe aan [Gedaagde 1]. Tegen deze achtergrond heeft [Eiseres] haar stelling dat [Gedaagde 2] beschikte over de met het geld uit de geldleningsovereenkomst gekochte woning aan de [adres 1], thans beschikt over de opbrengst van deze inmiddels verkochte woning en ongerechtvaardigd is verrijkt, niet voldoende onderbouwd. De stelling van [Eiseres] dat de verkoopopbrengst valt in de huwelijksgoederengemeenschap en [Gedaagde 2] uit dien hoofde onrechtmatig handelt jegens [Eiseres], is, in het licht van het door [Gedaagde 1] in het geding gebrachte certificaat van echtscheiding, waarin staat vermeld dat het huwelijk tussen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] op 24 december 1991 is ontbonden, eveneens onvoldoende onderbouwd. Dat in geval van echtscheiding een stempel zou moeten staan op de huwelijksakte, zoals [Eiseres] nog heeft betoogd en door [Gedaagde 2] wordt betwist, is evenmin onderbouwd en wordt dan ook gepasseerd.

4.6.

[Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu niet is gebleken welke afzonderlijke kosten [Gedaagde 2] heeft moeten maken, zullen de proceskosten worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in de procedure tegen [Gedaagde 1]

veroordeelt [Gedaagde 1] om tegen kwijting aan [Eiseres] te betalen het bedrag van
€ 142.300,00, te vermeerderen met de contractuele rente van € 2.000,00 per maand vanaf 2 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Gedaagde 1] om tegen kwijting aan [Eiseres] te betalen het bedrag van
€ 75.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijs af het meer of anders gevorderde;

in de procedure tegen [Gedaagde 2]

wijst af het gevorderde;

veroordeelt [Eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagde 2] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

615/2396