Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10066

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
C-10-419645 HA ZA 13-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geldleningen gesloten in de jaren '90 tussen zus en broer voor onbepaalde tijd en renteloos. Verjaard? 3:307, lid 2 BW, Nee. De 5- en 20 jaarstermijn beginnen bij opeisbaarheid en die is afhankelijk van het feit dat gedaagde "geld" heeft. Gedaagde verschijnt niet ter comparitie. Hij heeft de leningen (op één na) onvoldoende betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/100

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer: C/10/419645 / HA ZA 13-245

vonnis van 11 december 2013

in de zaak van

1 [Eiser 1]

2. [Eiser 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. M.G.G. de Bruin,

tegen

[Gedaagde 1] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde.

advocaat mr. H.M. Huetink.

Partijen worden hieronder aangeduid als [beide eisers](of afzonderlijk als [Eiser 1]en [Eiser 2] en [Gedaagde 1].

1 Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding van 11 februari 2013,

conclusie van antwoord,

tussenvonnis van 19 juni 2013,

proces-verbaal van comparitie van 30 juli 2013,

de door [Eiser 1]overgelegde producties.

2 De vaststaande feiten

2.1

[Eiser 2] is de zus van [Gedaagde 1] en de echtgenote van [Eiser 1].

2.2

In een brief van 24 juli 2012 (productie 2 bij antwoord) heeft de advocaat van [beide eisers], voor zover thans van belang, het volgende aan [Gedaagde 1] meegedeeld:

(…) Cliënten hebben in de periode vanaf 1990 diverse malen geldsommen aan u ter leen verstrekt, uit hoofde waarvan cliënten opeisbaar van u hebben te vorderen, de navolgende bedragen:

hoofdsom (f. 174.775,00) € 79.309,44

waarvan door u voldaan ( f. 7.000,00) € 3.176,46 -/-

totaal € 76.132,98

Ondanks diverse door cliënten met u gevoerde gesprekken, herhaalde aanmaningen en ingebrekestelling bent u tot op heden weigerachtig gebleven het volledig verschuldigde aan cliënten te voldoen.

Ik verzoek u en zonodig sommeer ik u daartoe het verschuldigde bedrag ad € 76.132,98 binnen acht dagen na heden te voldoen (…).

3 De vordering

3.1

[beide eisers] vorderen dat [Gedaagde 1] bij vonnis wordt veroordeeld om aan [beide eisers] te betalen:

1. hoofdsom € 74.803,85

2. rente PM

3. buitengerechtelijke kosten € 1.828,23

4. wettelijke rente PM

met veroordeling van [Gedaagde 1] in de proceskosten.

3.2

Aan de hoofdsom leggen [beide eisers] primair het volgende ten grondslag.

[beide eisers] hebben een aantal bedragen aan [Gedaagde 1] renteloos ter leen verstrekt voor onbepaalde tijd. [Gedaagde 1] zou terugbetalen als hij geld had. Het gaat om de volgende bedragen:

  1. op 10, 11 en 12 augustus 1990 en op 21 september 1990 (in totaal) f. 40.000

  2. in de periode van 18 januari 1991 t/m 26 maart 1991 (in totaal) f. 100.000

  3. in 1991 betaling advocaat [Gedaagde 1] (in totaal) f. 12.000

  4. [Eiser 1]betaalde via werkgever schuld van [Gedaagde 1] (auto [betrokkene 2]) f. 12.000

  5. bekeuring voor [Gedaagde 1] betaald op 1 juli 1992 f. 500

  6. motorrijtuigenbelasting (acceptgiro van december 1990)

voor [Gedaagde 1] betaald f. 595

belastingschuld voor [Gedaagde 1] betaald op 15 juni 1995 f. 6.000

[beide eisers] betaalde, een uit 1987 stammende, schuld van

[Gedaagde 1] aan dochter [beide eisers] f. 1.000

i. premie ziektekostenverzekering voor [Gedaagde 1] betaald

op 22 januari 1997 f. 751

[beide eisers] hebben aanspraak gemaakt op terugbetaling van deze bedragen (waarbij al rekening is gehouden met de betaling van f. 8.000) en zij hebben [Gedaagde 1] op 24 juli 2012 in gebreke gesteld.

Subsidiair leggen [beide eisers] aan hun vordering ten grondslag dat [Gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat zij verarmd zijn met bovengenoemde bedragen terwijl er geen rechtens te respecteren rechtvaardiging bestond voor deze betalingen.

Het verweer

3.3

De conclusie van [Gedaagde 1] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, hoofdelijk, van [beide eisers] in de kosten van het geding, met nakosten en wettelijke rente.

3.4

[Gedaagde 1]betwist het gestelde en als verweer voert hij aan dat alle vorderingen zijn verjaard.

4 De beoordeling van het geschil

4.1

Verjaring

4.1.1

[Gedaagde 1] stelt het volgende.

Volgens de hoofdregel geldt zowel voor wanprestatie als voor ongerechtvaardigde verrijking een verjaringstermijn van vijf jaar. Op 24 juli 2012 heeft [Gedaagde 1] de eerste ingebrekestelling ontvangen, zodat alle vorderingen zijn verjaard (antwoord onder 10).

Voor een overeenkomst van onbepaalde tijd is bovendien art 3:307 lid 2 BW van toepassing. De vordering tot nakoming verjaart na 20 jaar, alle vorderingen die vóór 24 juli 1992 (24 juli 2012 -/- 20 jaar) zijn ontstaan zijn verjaard.

4.1.2

Voor een geslaagd beroep op verjaring dient [Gedaagde 1] voldoende te stellen om te kunnen begrijpen op welk wetsartikel hij een beroep doet en vervolgens moet hij de feiten stellen die volgens dat artikel tot verjaring van de rechtsvordering leiden.

Ten aanzien van de primaire grondslag (nakoming van de gestelde geldleningen) baseert [Gedaagde 1] zich op art. 3:307 leden 1 en 2 BW en ten aanzien van de subsidiaire grondslag noemt hij geen wetsartikel, maar kennelijk bedoelt hij zich te beroepen op de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW (de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade; meer specifiek de vordering op grond van art 6:212 BW).

Verjaring van de vorderingen tot nakoming

4.1.3

In geschil is of de door [beide eisers] gestelde geldleningen zijn overeengekomen. [beide eisers] stellen dat partijen mondeling hebben afgesproken dat [Gedaagde 1] het geld renteloos en voor onbepaalde tijd zou lenen en dat hij zou terugbetalen als hij weer geld had. Indien deze afspraak, waarvan [beide eisers] de bewijslast dragen, komt vast te staan, geldt het volgende ten aanzien van het beroep op verjaring.

4.1.4

[beide eisers] beroepen zich op een overeenkomst waarbij geen tijd voor nakoming is bepaald. Op grond van art. 3:307 lid 2, eerste zin, BW vangt ingeval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de vijfjaarstermijn aan op de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Vast dat [beide eisers] op 24 juli 2012 aanspraak hebben gemaakt op terugbetaling, zodat de verjaringstermijn aanvangt op 25 juli 2012. De dagvaarding is op 11 februari 2013 uitgebracht, dus binnen de verjaringstermijn van vijf jaar.

4.1.5

De twintigjaarstermijn vangt aan na aanvang van de dag, volgende op die waartegen opeising, zonodig na opzegging door de schuldenaar, op zijn vroegst mogelijk was (art 3:307 lid 2, tweede zin BW).

4.1.6

[Gedaagde 1] stelt niet op welk moment de verjaringstermijn is aangevangen. Hij volstaat met ‘terugrekenen’ in die zin dat hij vanaf de dag van de dagvaarding twintig jaar terug rekent. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de verjaringstermijn is aangevangen. Voor het geval hij bedoelt te stellen dat de uitgeleende bedragen steeds direct opeisbaar waren, wordt het volgende overwogen.

4.1.7

Het enkele feit dat partijen niet expliciet een termijn voor nakoming hebben bepaald, brengt nog niet mee dat de vordering direct opeisbaar is. Juist bij overeenkomsten als door [beide eisers] gesteld, waarbij voor onbepaalde tijd renteloos geld ter leen wordt verstrekt, zal gezien de eisen van redelijkheid en billijkheid niet terstond nakoming (terugbetaling) worden gevorderd (vgl. de Advocaat Generaal, conclusie onder 12 LJN: AA3369). Indien is overeengekomen dat terugbetaald diende te worden als [Gedaagde 1] weer geld had, zoals [beide eisers] stellen, was de vordering pas vanaf de mogelijkheid tot terugbetalen opeisbaar.

4.1.8

Omdat onbekend is op welke tijdstippen in het verleden sprake was van de mogelijkheid van terugbetaling kan niet worden vastgesteld dat de verjaringtermijn is aangevangen. Er kan dus evenmin worden geoordeeld dat de verjaringstermijn was verstreken ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding.

De rechtsvorderingen tot nakoming van terugbetalingsverplichting uit de geldlenings-overeenkomst zijn dus niet verjaard.

4.1.8

Aangezien aan de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking niet zal worden toegekomen, zoals volgt uit hetgeen hierna zal worden overwogen, zal het beroep op verjaring van vorderingen op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet worden besproken.

4.2

Geldlening

Indien [Gedaagde 1] geld ter leen heeft ontvangen (hetgeen hij betwist), is hij gehouden de geleende bedragen terug te betalen (art 7A:1800 BW). Hierna worden de verschillende vorderingen besproken.

4.3.

Ad a. f. 40.000 geleend op 10, 11 en 12 augustus 1990 en op 21 september 1990

4.3.1

[beide eisers] stellen het volgende.

Op verzoek van [Gedaagde 1] heeft [Eiser 1]in augustus en september 1990 bedragen tot in totaal f. 40.000 in de winkel van [Gedaagde 1] aan [betrokkene 1] (de zakenpartner van [Gedaagde 1]) betaald, omdat [Gedaagde 1] had gevraagd dit bedrag voor te schieten.

4.3.2

[Gedaagde 1] betwist dat de gestelde bedragen aan hem of ten behoeve van hem zijn betaald.

4.3.3

Uit de overgelegde productie 5 van [beide eisers] blijkt dat [Eiser 1]op 10 september 1990 f. 40.000 heeft opgenomen. Dat van het opgenomen bedrag daarvóór al drie contante betalingen aan of ten behoeve van [Gedaagde 1] zijn verricht, zoals [beide eisers] stellen, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarmee hebben [beide eisers] tegenover de betwisting door [Gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [Gedaagde 1] bedragen heeft ontvangen. Zowel voor geldlening als voor ongerechtvaardigde verrijking is dus onvoldoende gesteld. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.4

Ad b. f. 100.000 geleend in de periode van 18 januari 1991 t/m 26 maart 1991

4.4.1

[beide eisers] stellen het volgende.

[Gedaagde 1] had geld nodig voor zijn autohandel, welk geld [Eiser 1]hem in de periode van 18 januari 1991 t/m 26 maart 1991 steeds in contanten aan hem ter leen heeft verstrekt. In 1991 is een terugbetalingschema gemaakt en [Gedaagde 1] heef de volgende bedragen (in totaal f. 8.000) terugbetaald, zo blijkt uit de door [beide eisers] als prod. 14 overgelegde, door [Gedaagde 1] gemaakte, kwitanties:

17 oktober 1992 f. 1.000

24 oktober 1992 f. 1.000

31 oktober 1992 f. 1.000

7 november 1992 f. 1.000

14 november 1992 f. 1.000

21 november 1992 f. 1.000

28 november 1992 f. 1.000

5 december 1992 f. 1.000

4.4.2

[Gedaagde 1] betwist dat hij f. 100.000 ter leen heeft ontvangen. De advocaat van [Gedaagde 1] heeft ter comparitie aangevoerd, dat hij de als productie 14 overgelegde kwitanties ter zitting voor het eerst heeft gezien en dat hij deze niet met [Gedaagde 1] heeft kunnen bespreken. Hij wijst er op dat de kwitanties opeenvolgende nummers hebben, terwijl er tijd tussen de betalingen zit.

4.4.3

[Gedaagde 1] is niet ter comparitie verschenen, omdat de zaak hem te zeer zou emotioneren. Wat hier van zij, indien hij stellingen die hij had kunnen weerspreken onbetwist laat, zal dat tot gevolg hebben dat de door [beide eisers] gestelde feiten komen vast te staan (art 149 Rv). Productie 14 is per brief van 15 juli 2013 (tijdig voor de comparitie van 30 juli 2013 ingekomen ter griffie op 16 juli 2013) aan de rechtbank en de advocaat van [Gedaagde 1] gestuurd. Het is dus onjuist dat [Gedaagde 1] daarop niet heeft kunnen reageren. Hij heeft de betalingen niet weersproken, zodat deze vast staan. Evenmin heeft hij weersproken dat de kwitanties door hemzelf zijn opgemaakt, zodat juist [Gedaagde 1] een verklaring zou moeten geven voor de doorlopende nummers.

4.4.4

In het algemeen moet betaling worden aangemerkt als erkenning van een schuld (vgl jurisprudentie bij art 3:318 BW). In dit geval zijn termijnbetalingen verricht waarvoor de schuldenaar kwitanties heeft afgegeven. De vraag is of hieruit mag worden afgeleid dat [Gedaagde 1] erkent een bedrag van f. 100.000 te hebben geleend. Het antwoord hierop moet bevestigend luiden. [Gedaagde 1] betwist namelijk niet dat de terugbetaalde bedragen zijn gebaseerd op een in 1991 gemaakt terugbetalingsschema. Vast staat dus dat hij een bedrag van f. 100.00 heeft geleend en dat hij hierop conform het schema) f. 8.000 heeft afgelost. Op grond van deze geldlening hebben [beide eisers] nog recht op f. 92.000.

4.4.5

Als vaststaande moet worden aangenomen dat [Gedaagde 1] verplicht is dit bedrag terug te betalen als hij weer geld heeft. Of daarvan sprake is, kan niet worden beoordeeld, omdat [Gedaagde 1] daarover geen informatie heeft verstrekt en gelet op de verhouding tussen partijen ligt het niet voor de hand dat hij deze informatie nog zal geven.

Er is evenwel geen belemmering [Gedaagde 1] te veroordelen alle verschuldigde bedragen te betalen, want er zal niet meer ten uitvoer gelegd kunnen worden dan de wet (die een beslagvrije voet kent) toestaat. Als er verhaal gevonden wordt, heeft [Gedaagde 1] dus geld.

4.5

Ad c. f. 12.000 betaling advocaat [Gedaagde 1]

4.5.1

[beide eisers] stellen dat zij ten behoeve van [Gedaagde 1] € 12.000 aan de advocaat van [Gedaagde 1] hebben betaald en dat hij dit bedrag zou terugbetalen als hij weer geld had.

4.5.2

[Gedaagde 1] betwist in de conclusie van antwoord dat zijn zuster zijn advocaatkosten voor hem heeft betaald. Ter comparitie kan zijn advocaat desgevraagd niet verklaren of [Gedaagde 1] zelf zijn advocaat heeft betaald, terwijl het toch voor de hand ligt dat [Gedaagde 1] weet hoe zijn schulden, dus ook zijn schuld aan zijn advocaat die als onbetwist vaststaat, zijn voldaan. Uit de overgelegde en niet door [Gedaagde 1] betwiste producties staat dat [Eiser 2] met de toenmalig advocaat van [Gedaagde 1] heeft gesproken en dat zij -tenminste één maal- een bedrag van f. 500 aan de toenmalig advocaat van [Gedaagde 1] heeft betaald (zie productie 7 bij dagvaarding). Aldus heeft [Gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd betwist dat zijn zuster dit bedrag voor hem heeft betaald bij wijze van een aan hem verstrekte lening.

Dit onderdeel van de vordering (f.12.000) zal dus worden toegewezen (zie ook 4.3.5).

4.6

Ad d. f. 12.000 [Eiser 1]betaalde via werkgever schuld van [Gedaagde 1] (auto [betrokkene 2])

4.6.1

[beide eisers] stellen het volgende.

Een collega van [Eiser 1], de heer [betrokkene 2] (verder [betrokkene 2]), heeft zijn auto door [Gedaagde 1] laten verkopen. [Gedaagde 1] heeft de door hem ontvangen koopprijs van f. 12.000 niet aan [betrokkene 2] afgedragen. De werkgever van [Eiser 1]heeft dit bedrag aan [betrokkene 2] betaald en op het salaris van [Eiser 1]ingehouden. [Gedaagde 1] heeft beloofd dit geld terug te betalen als hij geld had.

4.6.2

[Gedaagde 1] betwist het gestelde. Zijn advocaat voert ter zitting slechts aan dat hij ‘dit verhaal’ niet herkent. Juist voor het bespreken van de details van dit op zichzelf opmerkelijke verhaal, waarbij vooral de stelling dat [Gedaagde 1] heeft toegezegd [beide eisers] terug te betalen bespreking behoeft, was het noodzakelijk dat [Gedaagde 1] zelf ter zitting aanwezig was. Niet kan worden volstaan met een blote ontkenning. Aldus heeft hij de stellingen van [beide eisers] niet voldoende betwist, zodat deze vast staan.

Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

4.7

Ad e. f. 500 bekeuring voor [Gedaagde 1] betaald

4.7.1

[beide eisers] stellen het volgende.

[Gedaagde 1] zat gedetineerd. [Eiser 2] heeft op 1 juli 1992 deze boete betaald.

4.7.2

[Gedaagde 1] betwist niet dat er een boete was die een ander voor hem heeft betaald, maar hij betwist dat er een lening was.

4.7.3

De betwisting van [Gedaagde 1] is onvoldoende. Van hem had verwacht mogen worden dat hij inzicht had gegeven wie zijn boete betaald had als hij bedoelt te betwisten dat zijn zus dit voor hem gedaan heeft. Hij heeft, gelet op de voortdurende hulp van [beide eisers] in de vorm van een reeks leningen, aldus evenmin de algemene stelling dat alle bedragen als lening zijn verstrekt onvoldoende betwist, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

4.8

Ad f. 595 motorrijtuigenbelasting voor [Gedaagde 1] betaald

4.8.1

[beide eisers] stellen het volgende.

Op verzoek van [Gedaagde 1] hebben wij motorrijtuigenbelasting betaald voor een van zijn auto’s omdat hij geen geld had. Hij zou het terugbetalen.

4.8.2

[Gedaagde 1] betwist niet dat een ander motorrijtuigenbelasting heeft betaald voor een auto uit zijn zaak, maar hij weet niet wie er heeft betaald en hij betwist dat er sprake was van een lening.

4.8.3

De betwisting van [Gedaagde 1] is onvoldoende. Van hem had verwacht mogen worden dat hij inzicht had gegeven wie deze motorrijtuigenbelasting heeft betaald als hij bedoelt te betwisten dat het zijn zus was. Hij heeft de gestelde lening aldus evenmin voldoende betwist. Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen

4.9

Ad g. f. 6.000 belastingschuld voor [Gedaagde 1] betaald

4.9.1

[beide eisers] stellen het volgende.

[Gedaagde 1] stond ingeschreven bij zijn moeder maar woonde elders. De belastingdienst had ten laste van hem beslag gelegd bij zijn moeder. Omdat zij haar spullen dreigde kwijt te raken hebben [beide eisers] de belastingschuld voldaan en [Gedaagde 1] heeft beloofd dit met [beide eisers] in orde te maken.

4.9.2

[Gedaagde 1] erkent dat hij bij zijn moeder stond ingeschreven en betwist het gestelde voor het overige. Hij voert aan dat de schuld is voldaan ten bate van zijn moeder.

4.9.3

Ook dit onderdeel van de vordering heeft [Gedaagde 1] onvoldoende betwist. Het is juist dat zijn moeder is gebaat bij het verdwijnen van de dreiging dat haar spullen executoriaal verkocht zouden worden, maar [Gedaagde 1] betwist daarmee niet dat het om zijn belastingschuld gaat. De overgelegde betalingsbewijzen (productie 10 bij de dagvaarding) heeft hij onvoldoende betwist. Van [Gedaagde 1] mag worden verwacht dat hij weet of kan meedelen wie zijn schulden heeft betaald als hij bedoelt te betwisten dat [beide eisers] deze hebben betaald. Aldus heeft hij de gestelde lening niet voldoende betwist, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

4.10

Ad h. f. 1.000 [Eiser 1]betaalde schuld van [Gedaagde 1] aan dochter

4.10.1

[beide eisers] stellen het volgende.

[Gedaagde 1] heeft de auto van zijn nicht, de dochter van [beide eisers], verkocht en de koopsom van f. 1.000,-- niet aan haar afgedragen. [beide eisers]hebben het bedrag aan haar voorgeschoten en [Gedaagde 1] heeft beloofd het aan hen terug te betalen.

4.10.2

[Gedaagde 1] voert slechts aan dat hij zich dit niet kan herinneren. Deze betwisting is volstrekt onvoldoende, zodat ook dit onderdeel van de vordering wordt toegewezen.

4.11

Ad i. f 751 premie ziektekostenverzekering voor [Gedaagde 1]

4.11.1

[beide eisers] stellen het volgende.

[beide eisers] hebben op verzoek van moeder [Gedaagde 1] in januari 1997 de premie voor de ziektekostenverzekering van [Gedaagde 1]betaald.

4.11.2

[Gedaagde 1] betwist niet dat [beide eisers] dit bedrag voor hem hebben betaald maar hij betwist de gestelde lening.

4.11.3

Vast staat dat [beide eisers] premie ten behoeve van [Gedaagde 1] hebben betaald.

Hij heeft, gelet op de voortdurende hulp van [beide eisers] in de vorm van leningen, moeten begrijpen dat dit bedrag aan hem ter leen werd verstrekt onder de tussen partijen gebruikelijke voorwaarde dat hij zou terugbetalen als hij geld had.

4.12

Recapitulatie

Ten aanzien van de hoofdvordering zijn de volgende beslissingen genomen (achter het bedrag wordt verwezen naar de relevante rechtsoverweging):

Afgewezen zal worden:

ad. a. f. 40.000 (4.3.3)

Toegewezen zal worden:

ad. b. f. 92.000 (4.4.4)

ad c. f. 12.000 (4.5.2)

ad. d. f. 12.000 (4.6.2)

ad e. f. 500 (4.7.3)

ad f. f. 595 (4.8.3)

ad g. f. 6.000 (4.9.3)

ad h. f. 1.000 (4.10.2)

ad i. f. 751 (4.11.2)

totaal f. 124.846 = € 56.652,62

4.13

De wettelijke rente wordt als niet betwist toegewezen.

4.14

[beide eisers] stellen dat zij ter verkrijging van betaling buiten rechte de volgende kosten hebben gemaakt: verzenden van herinnering- en sommatiebrieven, correspondentie met [Gedaagde 1], een gesprek met zijn echtgenote, correspondentie met de advocaat van [Gedaagde 1], telefonische verzoeken en vooroverleg met haar (zijn?) raadsman (dagvaarding onder 18). [Gedaagde 1] gaat op deze stellingen niet in en voert slechts aan dat niet is onderbouwd dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Deze betwisting is onvoldoende, zodat de buitengerechtelijke kosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen toegewezen.

4.15

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [Gedaagde 1] worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [beide eisers] worden tot op heden begroot op:

- exploitkosten € 94,65

- griffierecht € 842,--

- advocaat € 1.788,-- + (dagvaarding, comparitie: 2 punten tarief IV à € 894,--)

€ 2.724,65

4.16

[Gedaagde 1] verzoekt een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat hij de vordering slechts zou zijn ingesteld uit rancune, zodat misbruik van recht moet worden gevreesd. Subsidiair verzoekt hij aan een eventuele uitvoerbaarverklaring de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.

4.17

Er is geen reden om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of om een voorwaarde aan de uitvoerbaarheid te verbinden. De vorderingen worden toegewezen omdat in rechte is komen vast te staan dat [Gedaagde 1] de hiervoor genoemde bedragen moet terugbetalen. Emoties van partijen staan hier los van. Op voorhand kan niet worden geoordeeld dat tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van recht zal opleveren. Daaraan doet niet af dat ten uitvoerlegging van het vonnis, zolang dit nog niet onherroepelijk is, voor risico van [beide eisers] geschiedt.

5 De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [Gedaagde 1] om tegen kwijting aan [beide eisers] te betalen een bedrag van

  • -

    € 56.652,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2012 tot de voldoening;

  • -

    € 1.828,23, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 februari 2013 tot de voldoening;

veroordeelt [Gedaagde 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [beide eisers] bepaald op € 2.724,65;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 december 2013.

350