Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:10063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
C/10/403703 / F1 RK 12-2111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige, rekening moet worden gehouden met een fictief kindgebonden budget.

De persoonlijke keuze van de vrouw om na uiteengaan met de man, te gaan samenwonen met een (voor recht op een kindgebonden budget te hoog) verdienende partner die niet onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige, dient voor rekening en risico van de vrouw te blijven. Het is niet redelijk de gevolgen van die keuze op de man af te wentelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 1

Datum uitspraak: 2 december 2013

Zaak- / Rekestnummer: C/10/403703 / F1 RK 12-2111

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster], de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk,

t e g e n

[verweerder], de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,

Het verdere verloop van de procedure

Bij tussenbeschikking d.d. 12 december 2012 heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijf-plaats van, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] te[geboorteplaats 1], en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2].

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd

14 mei 2013.

Van de zijde van de vrouw zijn brieven ingekomen, gedateerd 16 mei 2013, 30 september 2013(met bijlagen), 10 oktober 2013 (met bijlagen) en tweemaal 24 oktober 2013 (met bijlagen).

Van de zijde van de man zijn brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd

24 mei 2013, 8 oktober 2013, 11 oktober 2013, 14 oktober 2013 en 24 oktober 2013.

Na aanhouding op 26 november 2012 is de zaak verder behandeld op 29 oktober 2013.

Bij die gelegenheid zijn gehoord de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat, de heer Van der Sande namens Bureau Jeugdzorg Rotterdam en de heer Kuhn namens de raad voor de kinderbescherming.

Ter zitting heeft de vrouw het verzoek ten aanzien van kinderbijdrage gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt een kinderbijdrage te bepalen met ingang van 19 juli 2013, zijnde de datum waarop de minderjarigen bij de vrouw zijn geplaatst.

De nadere vaststaande feiten

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 15 augustus 2013 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 28 augustus 2014 en is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarigen bij de vrouw tot 15 februari 2014.

De beoordeling

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 12 december 2012.

In geschil zijn nog:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen;

  • -

    de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hierna: de zorgregeling;

  • -

    de kinderbijdrage.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen

Hoewel de man aanvankelijk heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen

bij hem te bepalen, kan hij zich thans vinden in het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen. De man vindt het reëler en praktischer dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben gelet op het feit dat zij inmiddels door Bureau Jeugdzorg bij de vrouw zijn geplaatst. Bovendien is het de man meer te doen is om een goede zorgregeling met de minderjarigen.

In dat licht zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen, met afwijzing van het verzoek van man.

De zorgregeling

Uit de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen van onder meer de gezinsvoogd is naar voren gekomen dat Bureau Jeugdzorg in het kader van de omgang van de man met de minderjarigen het nodig vond dat de man een persoonlijkheidsonderzoek laat doen naar aanleiding van een voorval waarbij de man tijdens omgang de minderjarigen belastte met zijn emoties en boosheid.

De rechtbank is echter van oordeel dat de noodzaak voor genoemd onderzoek nu niet meer aanwezig is. De man is na het voorval daarop aangesproken door de hulpverlening en heeft blijkens de overgelegde brief van Horizon van 24 juni 2013 sindsdien zijn gedrag verbeterd en zijn emoties in bedwang gehouden. De man heeft ter zitting ook verklaard dat hij er inmiddels van doordrongen is dat hij de minderjarigen niet moet belasten met zijn eigen emoties en boosheid. Verder heeft de gezinsvoogd ter zitting aangegeven dat de man stabiliteit in zijn leven gevonden lijkt te hebben door zijn nieuwe partner en door zijn werk. Tot slot neemt de rechtbank bij haar oordeel in aanmerking dat de contacten tussen de man en de minderjarigen volgens alle betrokkenen sinds het voorval goed zijn verlopen en dat de minderjarigen van het contact genieten hetgeen door de gezinsvoogd en de vrouw ter zitting is beaamd.

Ter zitting is met partijen gesproken om in het kader van de uitbreiding van de omgang, zowel in duur, frequentie en de vraag of en hoe daar begeleiding bij nodig is onder leiding van de gezinsvoogd een eigenkrachtconferentie op te zetten met de vier personen die uitvoering geven aan de omgang (de vrouw en haar nieuwe partner en de man en zijn nieuwe partner). De raad voor de kinderbescherming heeft ter zitting aangegeven hiervan sterk voorstander te zijn. De gezinsvoogd heeft ter zitting aangegeven dat hoewel het gebruikelijk is om in het kader van een eigenkrachtconferentie meerdere mensen te betrekken, hij het zeker niet uitgesloten acht dat het in het onderhavige geval ook tot goede resultaten zou kunnen leiden met alleen partijen en hun partners.

In afwachting van de resultaten van die eigenkrachtconferentie zal de rechtbank het verzoek omtrent de definitieve zorgregeling pro forma aanhouden en voor de tussenliggende tijd een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij aard, frequentie en duur daarvan wordt overgelaten aan de gezinsvoogd waarbij als minimale zorgregeling heeft te gelden de thans geldende. Thans is er eenmaal in de twee weken anderhalf uur omgang bij de man thuis in aanwezigheid van de gezinsvoogd. Gelet op de positieve ontwikkelingen geeft de rechtbank de gezinsvoogd in overweging dat bezien moet worden of een langere duur van de omgang mogelijk is en of de omgang kan plaatsvinden zonder aanwezigheid van de gezinsvoogd.

De kinderbijdrage

De ingangsdatum

Allereerst dient beoordeeld te worden naar welke normen de behoefte en draagkracht dienen te worden berekend. De minderjarigen zijn, na uithuis te zijn geplaatst, op 19 juli 2013 teruggeplaatst bij de vrouw. De vrouw heeft in verband hiermee haar verzoek ten aanzien van de ingangsdatum van de kinderbijdrage gewijzigd in voornoemde datum. Dit betekent dat de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage is gelegen na 1 april 2013, zodat de rechtbank de behoefte en draagkracht zal berekenen conform de aanbevelingen uit het rapport alimentatienormen zoals die vanaf die datum luiden.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te betalen € 350,-- per kind per maand.

De man betwist de behoefte aan deze kinderbijdrage en de verdeling van die behoefte over beide ouders.

Behoefte minderjarigen

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangs-punten zoals neergelegd in de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen zoals die vanaf 1 januari 2013 luiden en de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) te worden bepaald, waarvan bij het bepalen van dat eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan.

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhouds-gerechtigde daarover verschuldigd is. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente, de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Vast staat dat partijen in december 2011 uiteen zijn gegaan zodat moet worden uitgegaan van het inkomen dat partijen toen ontvingen.

Uitgaande van de jaaropgave 2011 blijkens welke de man een loon van € 52.744,-- heeft ontvangen, had de man een netto inkomen van € 2.765,-- per maand.

De vrouw stelt dat haar netto inkomen uit de door haar gedreven salon toen ongeveer

€ 200,-- per maand bedroeg. De man heeft hiervan gesteld dat dit bedrag kan kloppen. Gelet hierop gaat de rechtbank dan ook uit van dit bedrag.

Aan de hand hiervan becijfert de rechtbank het NBI van partijen ten tijde van het huwelijk op afgerond € 3.000,-- per maand.

Gesteld noch gebleken is dat dit bedrag vermeerderd dient te worden met een eventueel kindgebonden budget dat partijen destijds ontvingen, zodat daarmee geen rekening wordt gehouden.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (2 x 2 = 4), levert een tabelbedrag op van totaal € 665,-- per maand.

De man stelt dat hierop een fictief kindgebonden budget in mindering dient te worden gebracht omdat de vrouw hiervoor in aanmerking zou zijn gekomen als zij niet met een verdienende partner was gaan samenwonen.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Volgens de richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen wordt vanaf 1 januari 2013 het kindgebonden budget niet langer verwerkt bij de draagkracht maar in de vaststelling van de behoefte. Op deze wijze wordt het kindgebonden budget volledig toegerekend aan de kinderen. Dit gebeurt door het kindgebonden budget te berekenen na het uiteengaan (waar de ouder waar de kinderen verblijven voor de betreffende kinderen aanspraak op kan maken) en dit van de behoefte af te trekken.

Achterliggende gedachte hierachter is dat met de aanspraak op het kindgebonden budget na het uiteengaan reeds voor een deel wordt voorzien in de behoefte van de kinderen.

In de onderhavige kwestie is niet in geschil dat de vrouw geen aanspraak kan maken op kindgebonden budget, omdat de vrouw na het uiteengaan met de man is gaan samenwonen met een verdienende partner van wie het inkomen te hoog is om in aanmerking te komen voor kindgebonden budget. De vrouw betwist niet dat wanneer zij niet zou zijn gaan samenwonen zij recht had gehad op een maximaal bedrag aan kindgebonden budget.

Hoewel er dus feitelijk niet wordt voorzien in een gedeelte van de behoefte van de kinderen is dit het directe gevolg van een persoonlijke keuze van de vrouw om te gaan samenwonen met een (voor recht op een kindgebonden budget te hoog) verdienende partner. Ook al is deze verdienende partner niet onderhoudsplichtig jegens de minderjarigen, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van deze persoonlijke keuze voor rekening en risico van de vrouw dienen te blijven en het niet redelijk is de gevolgen van die keuze op de man af te wentelen.

Op grond van het vorenstaande houdt de rechtbank rekening met een fictief bedrag aan kindgebonden budget ad € 129,- per maand, zijnde het maximale bedrag aan kindgebonden budget volgens de proefberekening op de internetsite van de Belastingdienst over het jaar 2013 bij twee kinderen. Het fictief kindgebonden budget dient in mindering te worden gebracht op het hiervoor gevonden tabelbedrag, zodat de behoefte voor twee kinderen wordt vastgesteld op € 536,-- per maand.

Nu de gevraagde kinderbijdrage de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarigen te boven gaat, hanteert de rechtbank laatstbedoeld bedrag als uitgangspunt voor de behoefte van de minderjarigen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

Omdat is verzocht de bijdrage vanaf 19 juli 2013 te bepalen, gaat de rechtbank van het huidige netto besteedbaar inkomen van partijen uit.

Voor de man is dat, omgerekend van het brutobedrag dat staat vermeld bij de cumulatieven op de loonstrook van september 2013 (€ 39.975,09 inclusief reservering vakantiegeld) afgerond € 2.924,-- per maand.

Draagkracht man

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van een tabel waaraan de volgende formule ten grondslag ligt: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient zijn draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

Uit de formule 70% x [2924 – (0,3 x 2924 + 850) volgt een draagkracht van € 837,76 te verhogen met voornoemd fiscaal voordeel ad € 99,-- is € 936,76 per maand.

Draagkracht vrouw

Voor de vrouw is de rechtbank van oordeel dat zij in staat moet worden geacht om de verdiencapaciteit die zij ten tijde van het huwelijk had, waarbij zij € 200,-- netto per maand verdiende, ook thans te gebruiken. Hierbij past volgens de draagkrachttabel de minimale draagkracht van € 50,-- per maand.

Verdeling kosten kinderen naar rato draagkracht

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: 936,76 / 986,73 x 536 = € 508,85

het deel van de vrouw bedraagt: 50,-- / 986,73 x 536 = € 27,16 +

samen afgerond € 536,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 254,43 per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 13,58 per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

De man stelt aanspraak te maken op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage, zulks overeenkomstig de door de rechtbank in deze beschikking vastgestelde zorgregeling.

De richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, zoals neergelegd in het Rapport alimentatienormen van april 2013, houdt in dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg met dien verstande, dat bij omgang van gemiddeld een, twee of drie dagen een percentage dient te worden gehanteerd van 15, 25 respectievelijk 35%. Gelet op de in deze beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling, neemt de rechtbank het laagste minimale percentage van 15% in aanmerking. Nu de behoefte € 536,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 80,40, per maand.

De eerder afgeleide bijdrage wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinder-bijdrage aan de vrouw dient te betalen € 428,45 per maand of wel € 214,23 per maand per kind.

Aanvaardbaarheidstoets

De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van een schuld aan Toyota (€ 216,91 per maand), Visa (€ 72,-- per maand), en roodstand bij ABN AMRO en SNS (2x € 25,-- per maand), daartoe stellende dat het gaat om een last dan wel verplichting die noodzakelijk is en waarvan hij zich niet kan bevrijden.

De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar. Ten aanzien van de schuld aan Toyota betwist de vrouw de noodzaak van de aanschaf van een dergelijke grote auto. Ten aanzien van de schuld aan Visa stelt de vrouw dat de man deze schuld heeft verhoogd nadat het echtscheidingsverzoek is ingediend. Ten aanzien van de roodstand bij ABN AMRO en SNS stelt de vrouw dat niet de man maar zij op die schuld afbetaalt.

De rechtbank houdt rekening met de schuld aan Toyota. De man dient voor zijn werk op de Maasvlakte te beschikken over een auto omdat hij daar niet met het openbaar vervoer kan komen. Bovendien is de auto aangeschaft toen partijen nog gehuwd waren en zij als gezin daarvan gebruik hebben gemaakt.

Ten aanzien van de schuld aan Visa blijkt uit de overgelegde stukken dat deze schuld niet is verhoogd, maar minder hard is afgenomen omdat de man daarop niet constant heeft afgelost. Blijkens de overgelegde stukken was de schuld ongeveer € 3.000,-- en is hij thans ongeveer € 2.700,--. Bovendien betreft het een schuld die partijen tijdens hun huwelijk zijn aangegaan. De rechtbank houdt dan ook rekening met deze schuld.

De rechtbank houdt geen rekening met aflossing op de schulden aan ABN AMRO en SNS omdat die niet door de man is aangetoond en de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij deze aflost.

De rechtbank is om deze redenen van oordeel dat de door de man genoemde financiële last dan wel verplichting aangaande de aflossing op de schuld aan Toyota en Visa in aanmerking moet worden genomen. Die lasten zullen voor een gedeelte groot € 288,90, bij het draagkrachtloos inkomen in de formule in aanmerking worden genomen.

De draagkracht van de man bedraagt derhalve 70% x [2924 - (0,3 x 2924 + 850 + 289)] =

€ 635,46, nog te verhogen met het bedrag van het fiscaal voordeel ad € 99,--, derhalve

€ 734,35 per maand.

Gelet op het feit dat de draagkracht van de man met inachtneming van de schulden zijn hiervoor berekende bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige overstijgt, is geen sprake van een situatie dat de voor hem berekende bijdrage onaanvaardbaar is wegens strijd met de wettelijke maatstaven.

De beslissing

Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.

Bepaalt een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de man met de minderjarigen, waarbij de frequentie en duur wordt overgelaten aan de gezinsvoogd, minimaal heeft te gelden dat de man de minderjarigen bij zich mag hebben eenmaal in de twee weken gedurende anderhalf uur bij de man thuis in aanwezigheid van de gezinsvoogd.

Bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 juli 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 214,23 per maand per kind.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de definitieve zorgregeling wordt aangehouden tot 1 maart 2014 pro forma, met het verzoek aan de raadslieden van partijen en de gezinsvoogd de rechtbank vóór deze datum schriftelijk te informeren omtrent het verloop van de voorlopige zorgregeling en de resultaten van de eigenkrachtconferentie.

Bepaalt dat partijen, hun raadslieden, de gezinsvoogd en de raad voor de kinderbescherming op laatstgenoemde datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.

Bepaalt dat - zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte berichtgeving heeft ontvangen - de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Dort, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier S. Breeman op 2 december 2013.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.