Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BZ9605

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
AWB 11/2368 en AWB 11/2369
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:4485, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen aanslag reclamebelasting ongerond. Grote gele vlakken die een onderdeel vormen van het logo worden gezien als ‘openbare aankondigingen’ waaronder dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1100
Belastingblad 2013/256
FutD 2013-1256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/2368 en AWB 11/2369

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. O.L. Andriesse,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. B.J. Klein.

Procesverloop

Bij uitspraken op bezwaar van 25 april 2011 respectievelijk 26 april 2011 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen twee aanslagen reclamebelasting ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft eiseres beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Aanwezig was de gemachtigde van verweerder. Van de zijde van eiseres is, zoals aangekondigd, niemand verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteerde in 2010 in de panden aan [adres 1] en [adres 2], beide te Rotterdam, een voor opslag voor goederen bestemde bedrijfsruimte.

2. Verweerder heeft voor het jaar 2010 twee aanslagen in de reclamebelasting opgelegd van elk € 9.534,44.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres zijn opgelegd.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij stelt zich op het standpunt dat de gele vlakken letterreclame niet in de heffing kunnen worden betrokken omdat het geen openbare aankondigingen zijn. Zij kunnen ook niet worden aangemerkt als reclame-uitingen.

4. Ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet en het gelijkgerichte artikel 2, tweede lid, van de Verordening precario- en reclamebelasting 2010 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Verordening) wordt ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg ‘reclamebelasting’ geheven.

5. Onder de term ‘openbare aankondigingen’ dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd (Hoge Raad 30 maart 2007, LJN: AX2154).

6. Verweerder is bij het opleggen van de onderhavige aanslagen uitgegaan van de volgende

openbare aankondigingen:

[adres 1]:

- reclamevlaggen, oppervlakte 6 m²;

- reclameteken, gevormd door gele vlakken, oppervlakte 180 m²;

- reclameletters, groot en klein, oppervlakte 47 m²;

- reclamepoppen aan gevel, oppervlakte 40 m².

Het gaat derhalve om een totale oppervlakte van 273 m².

[adres 2]:

- reclamevlaggen, oppervlakte 10 m²;

- letterreclame, gevormd door gele vlakken, oppervlakte 240 m²;

- reclamebord frames op gele vlakken, oppervlakte 3 m²;

- lichtbakken met tekst en telefoonnummer, oppervlakte 20 m².

Het gaat derhalve om een totale oppervlakte van 273 m².

7. Het wettelijke begrip ‘openbare aankondiging’ omvat niet slechts reclame in de door eiser kennelijk bedoelde enge zin, maar ziet meer in het algemeen op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, product of boodschap. Slechts openbare aankondigingen in deze zin kunnen in de heffing van reclamebelasting worden betrokken (vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage

25 augustus 2009, LJN: BN5744). Tot dergelijke in de Gemeentewet en de Verordening bedoelde ‘openbare aankondigingen’ zijn ook de gele vlakken te rekenen, nu deze kenmerkend zijn voor de panden waarin eiseres de bedrijfsruimten exploiteert - de vlakken maken deel uit van het logo van eiseres, de kleur is onderscheidend en de vorm duidt op dozen (boxen) - en onmiskenbaar zijn gericht op het trekken van aandacht in de zo-even bedoelde zin. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een tot het publiek gerichte mededeling welke erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd, komt ook betekenis toe aan een verband tussen de gele vlakken waar het om gaat en andere reclame-uitingen van het bedrijf (vgl. Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2009, LJN: BH6990). De gele vlakken vormen, in combinatie met de andere bedrijfsaanduidingen, een tot het publiek gerichte mededeling welke erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.

8. De rechtbank is van oordeel dat de openbare aankondigingen ter zake waarvan de onderwerpelijke aanslagen zijn opgelegd in de vorm en uitvoering als omschreven onder 6 elk in hun totaliteit een openbare aankondiging in de zin van artikel 227 van de Gemeentewet en artikel 2, tweede lid, van de Verordening vormen. De begripsomschrijving van de ‘openbare aankondiging’ dwingt er voorts naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat slechts heffing mogelijk is van openbare aankondigingen in letters of symbolen en dat van heffing moet worden afgezien indien openbare aankondigingen bestaan uit een combinatie van symbolen, letters en kleuren. Hiervan uitgaande is de rechtbank verder van oordeel dat verweerder niet in strijd met de ter zake geldende wettelijke bepalingen en bepalingen uit de Verordening handelt door bij de berekening van de verschuldigde belasting uit te gaan van de aankondigingen als geheel, derhalve in dit geval van de totale oppervlakte van de aankondigingen (vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 11 juni 1997, LJN: AS1788).

9. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres dat sprake is van een nieuwe handelwijze van verweerder ten opzichte van voorgaande jaren als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep wordt verworpen. Het gedurende een aantal jaren afzien van het opleggen van aanslagen is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van schending door verweerder van het in rechte te beschermen vertrouwen. Eiseres heeft geen bijkomstige omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de handelwijze van verweerder bij eiseres de indruk heeft kunnen wekken dat het in eerdere jaren afzien van het opleggen van aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van verweerder.

10. Nu voorts de afmetingen van de gele vlakken noch de berekeningen op zich in geschil zijn, heeft verweerder de onderwerpelijke aanslagen tevens tot het juiste bedrag opgelegd.

11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen ongegrond zijn.

12. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, mr. M.C. Franken en

mr. A.W. Schep, leden, in aanwezigheid van mr. F.R. Lader, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).