Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BZ2462

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
395128 / HA RK 12-67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 3 en 29 Wgbz (Wet tarieven burgerlijke zaken). Bestuursrecht. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gewekt vertrouwen. Bestendig beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 395128 / HA RK 12-67

Beschikking van 11 juli 2012

in de zaak van

Mr. [X],

advocaat van mevrouw [A] (verder: de cliënte), verweerster in de hoofdzaak 392844 / F1 RK 11 – 4089 (verder: de hoofdzaak),

kantoorhoudende te Leiden,

verzoeker,

tegen

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,

gevestigd te Rotterdam,

verweerder.

Partijen worden hierna aangeduid als "[X]" respectievelijk "de griffier".

1. De procedure

Ter griffie van deze rechtbank is op 30 januari 2012 ingekomen een verzoekschrift, met bijlagen, waarbij [X] ingevolge het bepaalde in artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) in verzet komt tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 260,00.

Ter griffie van deze rechtbank is op 28 februari 2012 ingekomen een aanvullend verzoekschrift, met bijlage.

De griffier heeft op 23 april 2012 de rechtbank een verweerschrift doen toekomen, waarvan een afschrift aan [X] is gezonden.

Ter terechtzitting van 5 juni 2012 is [X] verschenen en heeft hij zijn standpunt aan de hand van zijn overgelegde pleitnotitie nader toegelicht.

De griffier heeft desgevraagd aangegeven niet ter terechtzitting te verschijnen.

2. De feiten

- [X] heeft bij de indiening van het verweerschrift in de hoofdzaak vermeld dat bij de Raad voor Rechtsbijstand Den Haag d.d. 23 december 2012 een toevoeging is aangevraagd.

- De griffier heeft in de hoofdzaak bij nota van 23 januari 2012 een bedrag van € 260,00 aan griffierecht in rekening gebracht. Dit bedrag is op 25 januari 2012 voldaan.

- In de hoofdzaak is op 23 februari 2012 een toevoeging verstrekt die op 24 februari 2012 aan de griffie is toegezonden.

- Op 9 mei 2012 is de eindbeschikking in de hoofdzaak afgegeven.

3. De inhoud van het verzet

[X] legt aan zijn verzet – verkort weergegeven – het volgende ten

grondslag:

- De griffier heeft ten onrechte het hoge griffierecht van € 260,00 geheven, nu bij de indiening van het verweerschrift in de hoofdzaak is vermeld dat een toevoeging is aangevraagd. Nu deze aanvraag tijdig is ingediend komt de cliënte voor verlaging van het griffierecht in aanmerking; De toevoegingsaanvraag is binnen de betalingstermijn van vier weken, overgelegd.

- In de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 16 Wgbz is niet bepaald dat een mededeling door de advocaat van de aanvraag onvoldoende is om het griffierecht voor onvermogenden te heffen, terwijl het wetsartikel bovendien ook ruimte geeft om tot het einde van de procedure een toevoeging te overleggen.

- De in deze zaak gevolgde gedragslijn, te weten vermelding op het verweerschrift dat de toevoeging is aangevraagd, met datum van aanvraging, gevolgd door overlegging van de toevoeging zodra die is verstrekt, was binnen de rechtbank Rotterdam gebruikelijk onder de toenmalige wettelijke regeling van de artikelen 17 en 18 Wet tarieven burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) en werd ook als uitgangspunt genomen in de door rechtbank Rotterdam gehanteerde handleiding tarieven in burgerlijke zaken 2009, versie 1 februari 2009. Deze gedragslijn was ook volgens die handleiding voldoende om het verschuldigde vast recht voor drievierde deel in debet te stellen.

- De cliënte mocht er op vertrouwen dat het griffierecht verlaagd zou worden als er een toevoeging werd afgegeven. Door de rechtbank is immers niet kenbaar gemaakt dat de bestaande uitvoeringspraktijk van de Wtbz is gewijzigd of wordt gewijzigd. Bovendien is op de achterzijde van de nota, waarbij het griffierecht in rekening is gebracht, aangegeven dat het griffierecht verlaagd kan worden als de cliënte in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp.

- Als de griffier bekend is met feiten en omstandigheden op grond waarvan de draagkracht van de cliënte mogelijk onvoldoende zou blijken te zijn, strijdt het met de beginselen van artikel 6 EVRM om zonder de cliënte nog in de gelegenheid te stellen de aanvraag van de toevoeging over te leggen, het hogere griffierecht in rekening te brengen en te handhaven.

4. het standpunt van de griffier

De griffier stelt zich op het standpunt dat [X] ten onrechte in verzet is gekomen en legt hieraan het volgende ten grondslag:

- Op grond van artikel 3, lid 4, Wgbz wordt vanaf de indiening van het verweerschrift het griffierecht geheven. Op het moment van de indiening van het verweerschrift bepaalt de griffier derhalve de hoogte van het griffierecht op basis van de stukken die zijn ingekomen.

In casu heeft de griffier bij de indiening van het verweerschrift geen afschrift van een aanvraag van de toevoeging ontvangen en derhalve het hoge griffierecht geheven. De betalingstermijn van vier weken is niet bedoeld om de hoogte van het griffierecht te bepalen maar om een tijdige betaling te bewerkstelligen waarop de sanctie van het niet in behandeling nemen van het betreffende processtuk staat.

- Artikel 16, lid 2, Wgbz biedt geen ruimte om het griffierecht alsnog aan te passen indien de toevoegingaanvraag abusievelijk niet is overgelegd of een afschrift van de toevoeging later alsnog wordt overgelegd.

- Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 16, lid 4, Wgbz, op grond waarvan de griffier een verzoek om toepassing van het griffierecht voor onvermogenden ondanks niet-tijdige overlegging van de stukken door de professionele rechtshulpverlener, kan inwilligen.

- In een circulaire van de Raad van Toezicht van april 2011 is de volgende mededeling opgenomen:

“Griffierecht:

Op basis van artikel 16 WGBZ wordt uitsluitend griffierecht bij laag inkomen berekend indien bij indiening van het verzoek-/verweerschrift een afschrift van de toevoeging is overgelegd. Kan de toevoeging nog niet overgelegd worden – “ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan de partij zijn toe te rekenen, maar heeft zij wel een aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand ingediend”- dan wordt slechts griffierecht bij laag inkomen berekend indien de desbetreffende partij een afschrift van die aanvraag bij indiening van het verzoek-/verweerschrift overlegt. De opmerking dat de toevoeging is aangevraagd, is derhalve niet voldoende.”

De inhoud van deze mededeling stemt overeen met hetgeen in de Wgbz is bepaald ten aanzien van het griffierecht voor een onvermogende partij, zodat er geen sprake is van een beleid maar van toepassing van de wet.

- [X] verwijst ten onrechte naar de toelichting bij artikel 17, lid 1, Wtbz in de door rechtbank Rotterdam gehanteerde Handleiding Wet Tarieven in Burgerlijke zaken 2009, versie 1, februari 2009. De griffier is immers niet verplicht om de toelichting te volgen. In de laatste versie van 1 februari 2010 van de Handleiding Wet Tarieven in Burgerlijke zaken is onder het kopje Verantwoording onder ander het volgende opgenomen:

“(…) De toelichtingen hebben geen dwingend karakter. Het is immers de griffier die bij de Wet tarieven in burgerlijke zaken is belast met de heffing van rechten en hij kan een ander standpunt huldigen dan in deze handleiding is ingenomen.”

- De door [X] aangehaalde jurisprudentie is niet relevant voor de onderhavige kwestie.

5. De beoordeling

5.1

Voor de hoofdzaak geldt dat voor de indiening van een verweerschrift op grond van artikel 3, lid 2, Wgbz een griffierecht wordt geheven. Op grond van artikel 3, lid 4, Wgbz is verweerster in de hoofdzaak griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verweerschrift en dient zij (althans haar advocaat) ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort. Onder de oude wetgeving gold het bepaalde in artikel 2, lid 1, Wtbz.

Een procespartij kan in aanmerking komen voor de toepassing van het lage griffierecht

voor onvermogenden als de partij voldoet aan de in artikel 16 Wgbz genoemde criteria.

Artikel 16 Wgbz is in de plaats gekomen van artikelen 17 en 18 Wtbz waarin de indebetstelling was geregeld. Het systeem van de indebetstelling is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 16, lid 1, Wgbz heft de griffier het griffierecht voor onvermogenden, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) of een verklaring van de Raad voor Rechtbijstand als bedoeld in artikel 1, onder b, Wrb, waarmee de procespartij die zich niet laat bijstaan door een rechtsbijstandverlener kan aantonen dat zij onvermogend is, is overgelegd.

Ingevolge artikel 16, lid 2, Wgbz heft de griffier ook het lage griffierecht als een partij die op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen afschrift van het besluit tot toevoeging kan overleggen ten gevolge van omstandigheden die niet aan haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, lid 2, Wrb overlegt.

Het vierde lid van artikel 16 Wgbz voorziet in een regeling voor de gevallen waarin een procespartij ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, pas later in het geding een afschrift van een (aanvraag van een) toevoeging of een verklaring van de Raad voor Rechtsbijstand kan overleggen, waarna het griffierecht zal worden verlaagd.

Op grond van artikel 29 lid 1 Wet op de rechtsbijstand (Wrb) dient een afschrift van het besluit tot toevoeging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan, te worden overgelegd aan de rechter voor wie de zaak dient.

5.2

Het gaat in deze zaak om het tijdstip van de overlegging van (de aanvraag van) de toevoeging als bedoeld in respectievelijk de artikelen 24, lid 2, en 29 Wrb, door degene die in aanmerking wil komen voor de heffing van het griffierecht voor onvermogenden als bedoeld in artikel 16 Wgbz.

Vast staat dat [X] op het moment dat hij het verweerschrift in de hoofdzaak heeft ingediend en de cliënte derhalve griffierecht verschuldigd was, geen afschrift van (een aanvraag van) een toevoeging heeft overgelegd.

5.3

De nieuwe wet voorziet er in artikel 16 Wgbz niet in (en de oude wet voorzag er in de artikelen 17 en 18 Wtbz eveneens niet in) dat bij verzuim van overlegging van een afschrift van (de aanvraag van) de toevoeging, dit verzuim kan worden hersteld, tenzij de stukken niet zijn overgelegd ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan de procespartij zijn toe te rekenen.

[X] beroept zich echter niet op bijzondere omstandigheden op grond waarvan een tijdige overlegging van een afschrift van de aanvraag van de toevoeging is uitgebleven, maar stelt dat het niet gebruikelijk is om een afschrift van de aanvraag van de toevoeging bij het indienen van de stukken te overleggen, nu het tot nu toe voor de griffier voldoende was dat op het verweerschrift werd vermeld dat er een toevoeging is aangevraagd om te komen tot indebetstelling, gelijk te stellen met het griffierecht voor onvermogenden. Hij beroept zich dus op beleid, althans een bestendige gebruikelijke gedragslijn van de griffier.

5.4

De rechtbank is gebleken dat het onder de oude wetgeving vast gebruik was dat de griffier enige coulance betrachtte bij de administratieve controle van het in artikel 17 lid 2 Wtbz neergelegde wettelijke vereiste dat een afschrift van de aanvraag om een toevoeging diende te zijn overgelegd op het tijdstip waarop het vast recht verschuldigd werd, door het vast recht ook voorlopig ten dele in debet te stellen indien op de stelbrief werd vermeld dat er een toevoeging was aangevraagd.

Aldus was sprake van een bestendig gevoerd beleid door de griffier. Een dergelijk beleid kan niet zonder meer worden gewijzigd, zonder dat die beleidswijziging deugdelijk kenbaar wordt gemaakt aan de balie en meer in het algemeen aan de de rechtzoekende. Dit vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaraan ook de griffier gebonden is. Daaraan kan niet afdoen dat het beleid dat thans door de griffier in casu is gevoerd in beginsel in overeenstemming is met de nieuwe wetgeving zoals bepaald in artikel 16 Wgbz.

De nieuwe wet dwingt ook niet expliciet tot wijziging van dat beleid.

5.5

Niet gebleken is dat de beleidswijziging deugdelijk kenbaar is gemaakt aan de rechtzoekende. In dit verband heeft de griffier weliswaar gewezen op de hierboven geciteerde mededeling van de griffier die in de circulaire van de Raad van Toezicht van april 2011 (verder: de mededeling) is gedaan, maar [X] heeft aangegeven dat hij niet bekend is met de mededeling. De rechtbank is van oordeel dat een beleidswijziging als hier aan de orde op andere wijze landelijk bekend moet worden gemaakt, bijvoorbeeld door een duidelijke vermelding op de website van de gerechten. Nu het procuraat is afgeschaft kunnen immers ook andere advocaten dan die uit het arrondissement Rotterdam bij deze rechtbank procederen. Daarbij komt, ten aanzien van de circulaire, nog dat onduidelijk is namens wie de mededeling is gedaan.

Gesteld noch gebleken is dat de circulaire is verspreid onder de advocaten buiten het arrondissement Rotterdam. [X] is lid van de balie te 's - Gravenhage. Door de griffier is niet gesteld en evenmin is gebleken dat de circulaire van de Raad van Toezicht van april 2011 aan hem ter hand is gesteld.

5.6

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de griffier ten onrechte het hoge griffierecht in rekening heeft gebracht. De rechtbank zal het verzet derhalve gegrond verklaren en zal de griffier opdragen het lage griffierecht in rekening te brengen. Nu de hoofdzaak een familierechtelijke procedure betreft, waarin door [X] namens zijn cliënte verweer is gevoerd tegen een verzoek tot betaling van partneralimentatie, betreft het lage griffierecht dat gold van 1 juli 2011 tot 1 januari 2012 € 71,00. Per saldo zal de rechtbank de griffier derhalve opdragen om € 189,00 terug te storten aan [X].

6. De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet gegrond;

draagt de griffier op het griffierecht van € 189,00 terug te storten aan [X].

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.W. van den Hurk en mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.

1287/106/427/1963