Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY9340

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
1102228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer (manager/directeur) verhuurt een pand aan een zorginstelling zonder medeweten van werkgever. De huurovereenkomst is nietig; wel vergoeding voor redelijk gebruik. De werknemer heeft PGB-gelden van cliënten op zijn privé-rekening laten storten. De vraag is of dat op grond van 7:661 BW een tekortkoming oplevert. bewijsopdracht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0070

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Brielle

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie en verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. J.C. Zevenberg, advocaat te Rijswijk,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [plaats],

gemachtigde: mr. B.P.J.M.L.Vliexs, advocaat te Nijmegen.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]” .

1. Het verdere verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het op 22 februari 2011 gewezen tussenvonnis, waarin twee deskundigenonderzoeken werden gelast in het kader van een stappenplan dat tijdens een op 27 januari 2011 gehouden comparitie van partijen is besproken.

De deskundige R.E. Heijblom RMT/RT heeft de huurwaarde van het pand aan de [adres] te [plaats] getaxeerd en mr. drs. W.H. van Soeren RA heeft de rekening en verantwoording van de op de privé-rekening van [eiser] ontvangen PGB-gelden onderzocht.

Partijen hebben vervolgens een conclusie na deskundigenbericht genomen, waarna een comparitie van partijen is gehouden op 27 oktober 2011.

Vervolgens heeft de kantonrechter een derde comparitie van partijen gelast welke is gehouden op 14 juni 2012 in aanwezigheid van [eiser] in persoon, [A] namens [gedaagde] en de beide gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van het besprokene. Mr. Zevenberg heeft aantekeningen overgelegd.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 16 juni 2004 is [gedaagde] opgericht door [eiser] en sindsdien is hij voorzitter van [gedaagde] geweest tot zijn aftreden op 15 juni 2006. Sinds 20 juni 2006 is de heer [A] voorzitter van het bestuur. [eiser] is de oom van voorzitter [A]. De moeder van [A] is de zus van [eiser]. Op 1 juli 2006 is [eiser] in dienst getreden van [gedaagde] als manager/ directeur. De kantonrechter te Brielle heeft op 21 juli 2009 de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] ontbonden met ingang van 1 augustus 2009 (zaaknummer 987809).

2.2. [eiser] heeft op 16 november 2007 het bedrijfspand [adres] te [plaats] in eigendom verworven. Met ingang van 1 januari 2008 heeft hij het bedrijfspand verhuurd aan [gedaagde] voor de duur van 60 maanden tegen een huurprijs van € 2.250,-- te verhogen met € 100,-- servicekosten en € 120,-- beheersvergoeding per maand.

Sedert augustus 2009 heeft [gedaagde] geen huurpenningen voldaan aan [eiser]. Met ingang van 10 mei 2011 heeft [gedaagde] het bedrijfspand ontruimd en verlaten.

2.3. Tussen partijen zijn verschillende procedures gevoerd. Thans is nog een hoger beroep tegen een vonnis in kort geding aanhangig bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. Op verzoek van [gedaagde] heeft de kantonrechter in Brielle een voorlopig getuigenverhoor toegelaten.

2.4. [eiser] heeft PGB-gelden van de klanten van [gedaagde] op zijn eigen privé-bankrekening laten overschrijven. [gedaagde] heeft bij de politie aangifte gedaan tegen [eiser] wegens de verduistering van aan [gedaagde] toebehorende gelden.

3. De vordering in conventie

In conventie heeft [eiser], kort samengevat, gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een huurachterstand van € 19.760,--, een schadevergoeding van € 81.510,-- alsmede de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.

4. Het verweer in conventie

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst met [eiser] onbevoegd is aangegaan, althans nietig is omdat deze in strijd met de goede zeden of openbare orde is aangegaan. Daarbij doelt zij op het feit dat [eiser] als werknemer een aan hem behorend pand heeft verhuurd aan zijn werkgever, terwijl hij daarvan het bestuur van [gedaagde] onwetend heeft gehouden, ondermeer door niet op eigen naam te contracteren. [gedaagde] wenst het bedrijfspand wel te behouden, doch heeft het pand in de loop van dit geding ontruimd. Voorts beroept [gedaagde] zich op verrekening van de vordering met de in reconventie te vorderen bedragen.

5. De vordering in reconventie

[gedaagde] vordert een huurverlaging tot € 1.000,-- per maand, alsmede een bedrag van € 46.930,-- als onverschuldigd betaald op basis van de gefingeerde huurovereenkomst. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 372.584,89 schadevergoeding, zijnde de bedragen die [eiser] ten onrechte op zijn privé-rekening heeft ontvangen van klanten van [gedaagde].

6. Het verweer in reconventie

De huurprijs is marktconform. De huur is nooit geïndexeerd. Omdat de huur van het door [gedaagde] gehuurde bedrijfspand afliep, was [eiser] genoodzaakt een ander pand te huren. Hij heeft het bestuur steeds op de hoogte gehouden over de aankoop van het pand met het doel dit aan [gedaagde] te verhuren. Het bestuur liet [eiser] aan zijn lot over. [eiser] was gedwongen de PGB-gelden buiten [gedaagde] te houden omdat het bestuur de ZIN-gelden reserveerde en niet aan de stichting ter beschikking stelde. Daarom was het nodig over de PGB-gelden te beschikken om de werkzaamheden door te kunnen laten gaan. [eiser] heeft de gelden niet ten eigen bate gebruikt.

7. De beoordeling

7.1. [eiser] is sedert 2004 betrokken bij [gedaagde]. Hij is mede oprichter van [gedaagde] en na de oprichting is hij de voorzitter van het bestuur geweest. Sedert 1 juli 2006 is hij als manager dan wel directeur in dienst getreden van [gedaagde]. Op 20 juni 2006 is de heer [A] voorzitter geworden van het bestuur. Tussen [eiser] en [A] bestaat een familierelatie. Ook tussen [eiser], [A] en andere bestuursleden is sprake van een familierelatie. Uit correspondentie blijkt dat [eiser] de bedoeling had op een later moment weer voorzitter van het bestuur te worden.

Door deze gang van zaken ontstaat de indruk van een door [eiser] gedragen organisatie. Niet is gebleken dat het bestuur zich actief heeft bemoeid met het reilen en zeilen van [gedaagde] of het uitvoeren van haar bestuurstaak. Eerst in de loop van 2008 lijkt het bestuur tot het inzicht te zijn gekomen dat niet alles goed verliep. De hiervoor beschreven gang van zaken binnen [gedaagde] vormt een belangrijke oorzaak van alle nadien opgetreden problemen. Nu partijen deze problemen aan de kantonrechter hebben voorgelegd dient hij de kluwen van problemen die is ontstaan te ontwarren en daarbij is onvermijdelijk dat een aantal knopen wordt doorgehakt. Dat is noodzakelijk en de kantonrechter zal daartoe hierna overgaan, ook als niet alle details van het conflict duidelijk zijn.

7.2. De beoordeling van de vorderingen die zien op de huurrelatie.

7.2.1. [eiser] vordert betaling van een huurachterstand en [gedaagde] beroept zich op de nietigheid van de huurovereenkomst. Nu de vorderingen zeer nauw verwant zijn zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie, voor zover deze zien op de huurrelatie, tegelijk behandelen.

7.2.2. In deze zaak is duidelijk dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2008 gebruik heeft gemaakt van het gehuurde en dat aan dit gebruik op 10 mei 2011 een einde is gekomen. Alle overige modaliteiten omtrent het gehuurde zijn niet of onvoldoende duidelijk. Zo is niet bekend of [eiser], als directeur van [gedaagde], bevoegd is geweest om een huurovereenkomst aan te gaan namens [gedaagde]. De arbeidsrelatie is immers aanvankelijk niet schriftelijk vastgelegd en ook uit de schriftelijke vastlegging die daarna heeft plaatsgevonden, is niet af te leiden of [eiser] deze bevoegdheid heeft gekregen. [eiser] kan zijn bevoegdheid niet aan zijn bestuursfunctie ontlenen, omdat hij geen bestuurslid was toen het contract werd aangegaan.

De heer [A] is vanaf juni 2006 voorzitter van het bestuur. Aangenomen moet worden dat het bestuur op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] over een pand beschikte en ook is aannemelijk dat het bestuur op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] daarin activiteiten ontplooide. Niet is gebleken dat [gedaagde] zich met al deze activiteiten heeft bemoeid. Gelet op de positie van [eiser] binnen de organisatie en de familierelaties is dat wellicht te begrijpen. Deze omstandigheden roepen evenwel de vraag op waarom het bestuur van [gedaagde] niet meteen is gaan optreden toen zij de indruk kreeg dat mogelijk van misstanden sprake was.

Uit de stukken (productie 4 bij conclusie van repliek in conventie) blijkt dat de heer [A] in elk geval in augustus 2008 op de hoogte was van de adreswijziging, nu hij [eiser] aanschrijft op het nieuwe adres [adres]. In de brief wordt [eiser] gesommeerd ten aanzien van PGB-gelden, maar wordt niets geschreven over de verhuizing. Dat [eiser] het bestuur de toegang weigerde tot het kantoor is onvoldoende duidelijk onderbouwd, zodat de kantonrechter aan die stelling voorbij zal gaan.

7.2.3. Met het voorgaande rekening houdend staat vast dat [eiser] als directeur van [gedaagde], namens het bestuur, een mede aan hemzelf toebehorend pand heeft gehuurd. Dat pand had hij, kennelijk met het oog op de voorgenomen verhuur, kort daarvoor gekocht. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] het bestuur van [gedaagde] heeft betrokken bij deze huurovereenkomst. Hoewel ook niet is gebleken dat het bestuur van [gedaagde] moeite heeft gedaan om zich bij de gang van zaken bij de bedrijfsvoering te laten betrekken, oordeelt de kantonrechter dat van [eiser] mag worden verwacht dat hij het bestuur ten minste informeert over zijn plannen. Het is niet uitgesloten dat een werknemer zijn pand aan zijn werkgever verhuurt, maar er is dan wel sprake van een bijzondere situatie. Deze bijzondere situatie maakt het noodzakelijk om daarover zeer nadrukkelijk met de werkgever in overleg te treden. De gang van zaken rondom de verhuur van het gehuurde levert op zijn minst genomen een ernstige belangenverstrengeling op. [eiser] heeft er, als directeur, zowel zakelijk als persoonlijk belang bij dat de activiteiten van [gedaagde] worden voortgezet. Hij wist dat een nieuw pand gehuurd zou moeten worden omdat de bestaande huurovereenkomst tot een einde zou komen. Door met het oog daarop een gebouw aan te kopen en dat vervolgens aan [gedaagde] te verhuren kan niet worden uitgesloten dat [eiser] bij die constructie een persoonlijk gewin beoogde. De huurprijs is door hem immers eenzijdig vastgesteld. In principe zou de constructie wellicht aanvaardbaar kunnen zijn omdat op die manier de huisvesting van [gedaagde] kon worden gewaarborgd, maar dan mag worden verwacht dat [eiser] zijn bestuur raadpleegt en in alle openheid de mogelijkheden bespreekt. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] op enig moment een dergelijke transparantie heeft nagestreefd. De belangenverstrengeling die heeft plaatsgevonden is evident niet wenselijk en past een organisatie die, indirect, van overheidsgeld afhankelijk is, niet. Daar komt bij dat de diverse familierelaties de verhoudingen er ook niet duidelijker op maken.

De kantonrechter komt op basis van de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan tot het oordeel dat de huurovereenkomst in strijd met de goede zeden, te weten het voorkomen van belangenverstrengelingen, is aangegaan en mitsdien nietig is.

7.2.4. De nietigheid van de overeenkomst brengt met zich mee dat de huurovereenkomst nimmer heeft bestaan en dat de gevolgen van die overeenkomst zoveel als mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt.

Dit betekent dat de in de overeenkomst bepaalde huurprijs niet geldt en dat het gehuurde moet worden ontruimd. De situatie in ogenschouw nemend stelt de kantonrechter vast dat het gehuurde met ingang van 10 mei 2011 feitelijk door [gedaagde] werd ontruimd. Dit betekent dat [gedaagde] van 1 januari 2008 tot 10 mei 2011 gebruik heeft gemaakt van het gehuurde. Het is, ondanks het ontbreken van een huurovereenkomst, redelijk dat [gedaagde] voor het gebruik van het gebouw een gebruiksvergoeding moet betalen, alleen al omdat zij door het gebruik van de ruimten de kosten om elders te huren heeft uitgespaard.

In het kader van een mogelijke schikking heeft de deskundige R.E. Heijblom de huurwaarde van het gebouw bepaald op € 16.575,-- per jaar ofwel € 1.381,25 per maand gedurende de gehele gebruiksperiode. De huurwaarde is het bedrag dat, gelet op de marktomstandigheden ter plaatse, als een redelijke huurprijs moet worden beschouwd. Voor de kantonrechter is dat een redelijk aanknopingspunt bij de bepaling van de gebruiksvergoeding voor het gebouw. [eiser] heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen deze beoordeling, maar de kantonrechter ziet geen reden om aan de juistheid van de rapportage te twijfelen. Dat geen rekening is gehouden met een indexatie is inherent aan de beoordeling. De deskundige bepaalt immers de huurwaarde en niet de contractuele relatie met haar bedingen.

De gebruiksvergoeding wordt vastgesteld op € 1.381,25 per maand. Voor de periode van gebruik is dat een bedrag van -afgerond- € 56.000,-- exclusief BTW, servicekosten en beheerkosten. Door [gedaagde] is een bedrag van € 46.930,-- voldaan zodat zij nog een bedrag aan gebruikskosten van € 9.070,-- zal moeten voldoen. Over huur en ook over gebruikskosten is geen BTW verschuldigd tenzij dat uitdrukkelijk wordt overeengekomen. Niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is. Naast de gebruiksvergoeding dienen ook de servicekosten ad € 4.030,-- te verhogen met BTW en beheerkosten ad € 4.835,50 te verhogen met BTW te worden voldaan. Het gaat hier om diensten die wel BTW plichtig zijn. [eiser] behoort de servicekosten wel af te rekenen. Beheerkosten zijn niet ongebruikelijk.

7.2.5. Voornoemde bedragen zijn in conventie toewijsbaar. Door [gedaagde] wordt evenwel een beroep gedaan op verrekening van deze vordering met de ingestelde tegenvordering inzake gelden van derden. De tegenvordering kan niet op een eenvoudige wijze worden vastgesteld. Desondanks zal de kantonrechter op dit moment in conventie (nog)geen bedrag toewijzen. De beslissing wordt aangehouden totdat ook in reconventie beslist kan worden. Ook de beslissing over de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in conventie wordt aangehouden. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde worden afgewezen, nu [eiser] daarbij geen belang meer heeft, na de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.

De vordering in reconventie die ziet op onverschuldigd betaalde huurpenningen zal, gelet op hetgeen in conventie wordt beslist, worden afgewezen evenals de vordering tot huurprijsvaststelling.

7.3. De beoordeling die ziet op de vordering inzake gelden van derden.

7.3.1. [gedaagde] wordt gefinancierd uit twee geldstromen. Via het Zorgkantoor worden gelden ontvangen voor zorg in natura, de zogenaamde ZIN-gelden. Daarnaast wordt, via de klanten zelf, geld voor zorg ontvangen. Deze klanten geven [gedaagde] opdracht en betalen deze zorg uit een aan hen toegekend persoonsgebonden budget (de PGB-gelden).

Het staat vast dat [eiser] op enig moment deze PGB-gelden naar zijn persoonlijke rekening en later (ook) naar een door hem op naam van [gedaagde] afgesloten rekening heeft laten betalen. Mogelijk zijn ook PGB-gelden op andere rekeningen, niet behorend aan [gedaagde], betaald. Daardoor zijn gelden, bestemd voor [gedaagde], aan [eiser] persoonlijk betaald en aan het zicht van [gedaagde] onttrokken. [eiser] stelt zich op het standpunt dat deze gang van zaken onvermijdelijk was, omdat het bestuur van [gedaagde] geen ZIN-gelden meer beschikbaar stelde voor de gewone bedrijfsvoering van [gedaagde]. Voor deze bedrijfsvoering was [eiser] op dat moment verantwoordelijk als directeur van [gedaagde].

Dat er sprake was van financiële problemen blijkt uit productie 3 bij de conclusie van repliek in conventie. Deze productie bevat een brief van het Zorgkantoor over een beslag van de Belastingdienst op de bedrijfsmiddelen van [gedaagde] wegens een onbetaald gebleven belastingschuld.

7.3.2. Dat [eiser] PGB-gelden op zijn persoonlijke rekening heeft doen bijschrijven is een gang van zaken die in beginsel ontoelaatbaar is. Hij verweert zich met de stelling dat hij niet anders kon omdat het bestuur geen geld beschikbaar stelde voor de bedrijfsvoering. [gedaagde] heeft beaamd dat zij de ZIN-gelden niet afdroeg aan [eiser] voor de bedrijfsvoering. De kantonrechter stelt vast dat op enig moment in 2006 of 2007 een conflict is ontstaan tussen partijen. De oorzaak van dit conflict is niet duidelijk gemaakt. De blote stelling dat het opmaken van een vals arbeidscontract de oorzaak is van het conflict draagt ook niet bij tot enig inzicht in de situatie die is ontstaan. Het conflict heeft kennelijk gevolgen gehad voor de bedrijfsvoering omdat enerzijds het bestuur ZIN-gelden voor zichzelf behield en anderzijds [eiser] ervoor zorgde dat PGB-gelden op door hem gehouden rekeningen werden gestort om de bedrijfsvoering te kunnen continueren. Dat daardoor het voortbestaan van [gedaagde] op het spel stond blijkt alleen al uit het feit dat vervolgens beslag werd gelegd op de bedrijfsmiddelen omdat geen van beide partijen kennelijk bereid bleek de belastingafdrachten te voldoen. Hoe de bedrijfsvoering was en wie van de beide partijen wat deed is volstrekt onduidelijk gebleven. Met name is ook onduidelijk of [gedaagde], buiten [eiser] om, activiteiten ontplooid heeft. Voorts blijkt dat tussen partijen niet meer werd gecommuniceerd.

7.3.3. [eiser] was als directeur verantwoordelijk voor het continueren van de activiteiten van [gedaagde]. Wanneer juist is dat hem daartoe geen middelen meer beschikbaar werden gesteld is begrijpelijk dat hij zijn toevlucht neemt tot een noodmaatregel als het op eigen rekening laten storten van PGB-gelden.

Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van [gedaagde], als werkgever, om duidelijkheid te betrachten betreffende de bedrijfsvoering. Niet is gesteld of gebleken dat het bestuur iets heeft ondernomen tot half augustus 2008. In het bijzonder is niet gebleken dat [eiser] is geschorst, ontheven van zijn functie, dat het hem werd verboden zich nog langer te presenteren als vertegenwoordiger van [gedaagde] of dat andere soortgelijke maatregelen zijn genomen.

Het handelen van [eiser] is, door het besluit van [gedaagde] om een belangrijk deel van de ontvangen gelden niet langer beschikbaar te stellen aan de directeur die verantwoordelijk was voor de gewone bedrijfsvoering, niet zondermeer als onrechtmatig aan te merken.

7.3.4. De vordering van [gedaagde] is gebaseerd op onrechtmatige daad. [eiser] heeft verweer gevoerd. Ook dit verweer gaat uit van onrechtmatige daad. Eerst tijdens de op 14 juni 2012 gehouden comparitie van partijen heeft [eiser] zich beroepen op het feit dat hij de verweten gedragingen in zijn hoedanigheid van werknemer heeft uitgevoerd, als gevolg waarvan het bepaalde in artikel 7:661 BW van toepassing is, zodat hij alleen aansprakelijk kan zijn voor tekortkomingen als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.

De kantonrechter stelt vast dat ook [gedaagde] stelt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld gedurende de tijd dat hij als werknemer in dienst is geweest van [gedaagde]. De vordering behoort daarom te worden beoordeeld met in achtneming van het bepaalde in artikel 7:661 BW.

Er moet dan ook niet worden beoordeeld of sprake is van een onrechtmatig handelen, maar beoordeeld moet worden of sprake is van een tekortkomen van [eiser] in de uitoefening van zijn taken als werknemer. Nu [eiser] aanvoert dat hij geen andere keuze heeft gehad dan gelden te onttrekken aan [gedaagde] om de werkzaamheden van [gedaagde] te kunnen continueren omdat anders de klanten van [gedaagde] van zorg verstoken zouden blijven is het de vraag of het gedrag van [eiser] als een tekortkomen kan worden aangemerkt.

Of de onttrokken gelden zijn gebruikt om de bedrijfsvoering te continueren kan bijvoorbeeld blijken uit de rekening en verantwoording die [eiser] heeft afgelegd aan [gedaagde]. Pas wanneer een tekortkoming vaststaat is er reden om de hoogte van de dan geleden schade vast te stellen.

7.3.5. In dit geding is, in het kader van een schikkingspoging, door de deskundige Soeren een rapport opgesteld.

[gedaagde] heeft te kennen gegeven dat dit rapport de toets der kritiek niet kan doorstaan, omdat [gedaagde] niet in de gelegenheid is gesteld alleen met de deskundige te praten, omdat de deskundige lange tijd in aanwezigheid van [eiser] en zijn advocaat onderzoek heeft verricht en ten slotte ook omdat de deskundige de uitgaven niet goed heeft onderzocht.

Voorts is gebleken dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat niet alle beschikbare gegevens werden gecontroleerd.

Met [gedaagde] oordeelt de kantonrechter dat de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met het beginsel dat hij onafhankelijk dient te opereren en dat hoor en wederhoor moeten worden toegepast. Door lange tijd, buiten aanwezigheid van [gedaagde], maar wel in aanwezigheid van [eiser] en zijn advocaat, de bescheiden te controleren heeft de deskundige op zijn minst de schijn van partijdigheid op zich geladen.

Het rapport kan om die reden niet worden gebruikt om de stellingen van partijen te bewijzen.

7.3.6. Iedere verdere beslissing, zowel in conventie als in reconventie wordt aangehouden.

8. De beslissing

De kantonrechter:

alvorens verder te beslissen

laat [gedaagde] toe te bewijzen dat [eiser] in zijn hoedanigheid van werknemer tekort is geschoten door aan [gedaagde] toekomende gelden opzettelijk of bewust roekeloos aan [gedaagde] te onttrekken, zonder deze gelden ten behoeve van [gedaagde] aan te wenden;

verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van dinsdag 18 december 2012 om 10.15 uur opdat [gedaagde] de op het bewijsthema betrekking hebbende bescheiden in het geding kan brengen dan wel in het geval zij getuigen wil doen horen het aantal van te horen getuigen schriftelijk kan opgeven;

wijst [gedaagde] er op dat de kantonrechter, in het geval zij getuigen wil doen horen, ter zitting van 18 december 2012 dag en uur voor het getuigenverhoor zal bepalen en dat [gedaagde] de voor te brengen getuigen vervolgens zelf dient op te roepen om te verschijnen op de nader door de kantonrechter te bepalen datum;

bepaalt dat beide partijen ter zitting van 18 december 2012 hun eventuele verhinderdagen voor een getuigenverhoor in de maanden januari, februari en maart 2012 schriftelijk kunnen opgeven, zodat de kantonrechter daarmee rekening kan houden bij het bepalen van een eventuele enquête;

iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.