Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY8400

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
10/994000-10 en 10/994004-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nemo tenetur. Schending art. 126nd Sv in opsporingsonderzoek tegen de rechtspersoon levert in casu ook schending op van de waarborg van de feitelijke leidinggever, die directeur/enig aandeelhouder is. Bewijs van wetenschap van valsheid facturen en van heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/71

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/994000-10 en 10/994004-10

Datum uitspraak: 14 december 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

[geboortedatum] 1973,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Bollen heeft gerekwireerd:

- de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde onder parketnummer: 10/994000-10 en van het onder 1 primair ten laste gelegde onder parketnummer 10/994004-10;

- de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

GELDIGHEID DAGVAARDING TEN AANZIEN VAN DE FEITEN 3 EN 4

(parketnummer: 10/994000-10)

De raadsman heeft de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 3 en 4 bepleit, daartoe stellende dat feit 3 een onvoldoende duidelijke opgave is van het feit en het voor de verdachte onduidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. De verdachte verhandelde aanzienlijk meer cacaobonen dan de door [E/rechtspersoon 2] is geleverd.

Onduidelijk is of de tenlastelegging ziet op alle in de ruime ten laste gelegde periode geleverde cacao of op een deel, zo ja, welk deel? Voorts is onduidelijk of de tenlastelegging ook ziet op cacaoveegsel.

Bij het subsidiair ten laste gelegde bij feit 3 is de opmerking: “met uitzondering van het feit genoemd op de dagvaarding met parketnummer 10/994004-10” niet herhaald, zodat via twee dagvaardingen eenzelfde feit twee keer is ten laste gelegd, waardoor de verwarring alleen maar groter wordt. Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsman dat de periode nog ruimer (5 jaar) is. Ook daar geldt dat onduidelijk blijft of de tenlastelegging ziet op alle aangekochte koffiebonen of een deel daarvan en zo ja, welk deel?

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verwerpt het verweer. De tenlasteleggingen zijn in het licht van het dossier voldoende feitelijk en duidelijk en voldoende naar tijd en plaats bepaald. Dat de feiten in de tenlasteleggingen niet of onvoldoende duidelijk tot het dossier zouden zijn te herleiden maakt dit niet anders, nu dat immers niet een vraag naar de duidelijkheid van de tenlastelegging oplevert, maar de vraag of voor het op zichzelf duidelijk tenlastegelegde voldoende bewijs voorhanden is. Het niet vermelden van de door de raadsman aangehaalde uitzondering in het subsidiair tenlastegelegde bij feit 3, leidt niet tot de conclusie dat twee dagvaardingen zijn uitgegaan voor hetzelfde feit, nu dit subsidiaire feit ziet op witwassen van de daarin vermelde hoeveelheid cacaobonen, terwijl het primair tenlastegelegde onder parketnummer 10/994004-10 ziet op diefstal en de subsidiaire tenlastegelegde feiten op opzet- en schuldheling zien. Gelet op de verschillende belangen die enerzijds witwassen en anderzijds diefstal of heling beschermen is het mogelijk deze feiten cumulatief ten laste te leggen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK TEN AANZIEN VAN DE FEITEN 1 EN 4

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman van de verdachte heeft een tweetal rechtmatigheidsverweren gevoerd.

In de eerste plaats heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, betoogd dat het opsporingsonderzoek onrechtmatig is begonnen. Op 14 augustus 2006 hebben twee politieambtenaren, in het kader van een onderzoek naar mogelijke fraude met (de opbrengsten uit) handel in cacaobonen en/of -veegsel, een bezoek gebracht aan het bedrijfsterrein van de rechtspersoon [rechtspersoon 1]. Daarbij is gesproken met de verdachte, de directeur/grootaandeelhouder en daarmee wettelijk vertegenwoordiger van de rechtspersoon [rechtspersoon 1]. Aan het begin van het gesprek werd de verdachte niet verdacht van betrokkenheid bij enig strafbaar feit. Gaande dat gesprek had het de verbalisanten echter duidelijk moeten worden dat de verdachte toen reeds als verdachte van bovenbedoelde fraude moest worden aangemerkt en had hem de cautie gegeven moeten worden, aldus de raadsman. Nu dat niet is geschied, is de aanvang van het onderzoek onrechtmatig geweest en dient dit er, uiteindelijk, toe te leiden dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) dient de verhorende ambtenaar, voorafgaand aan het verhoor, aan de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Als verhoor in art. 29 WvSv moeten worden beschouwd, alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon over diens betrokkenheid bij een strafbaar feit (Hoge Raad, 3 april 2007, LJN AZ6680). De verdachte werd toentertijd nog niet als verdachte verhoord omtrent zijn betrokkenheid bij de fraude met cacaobonen en /of -veegsel, maar werd als getuige om zijn medewerking gevraagd, terwijl uit het desbetreffende proces-verbaal niet valt af te leiden dat hij, of de rechtspersoon toentertijd van enig strafbaar feit werd verdacht.

In de tweede plaats heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat op 18 april 2007 op grond van artikel 126nd WvSv een vordering tot verstrekking van gegevens aan de [rechtspersoon 1] is gericht. Op dat moment was de rechtspersoon echter al verdachte in het opsporingsonderzoek, zoals blijkt uit het proces-verbaal over de aanvraag voor bovenstaande vordering. De vordering was derhalve gericht tot een verdachte en dat is in strijd met artikel 126nd, tweede lid, WvSv. Dat, aldus nog steeds de raadsman, dient tot bewijsuitsluiting te leiden van de gegevens die met die vordering zijn verkregen, aangezien het recht van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] en, zo leest de rechtbank het verweer, ook van de verdachte zelf, onomkeerbaar en in aanzienlijke mate is aangetast, terwijl het een wezenlijk recht betreft, namelijk het recht van een verdachte, namelijk [rechtspersoon 1], om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Ook dit dient er toe te leiden dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft erkend dat de hier bedoelde vordering ex artikel 126nd WvSv ten onrechte tegen de verdachte rechtspersoon [rechtspersoon 1] is gericht. Hij heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de onrechtmatige vordering is gecompenseerd door een doorzoeking op 20 oktober 2008, die wel rechtmatig is geschied. De documenten die op 18 april 2007 zijn gevorderd, zouden dan hoe dan ook in beslag zijn genomen. Bovendien behoeft de hier bedoelde onrechtmatigheid niet tot bewijsuitsluiting te leiden. In het kader van een onderzoek naar belastingfraude, zoals het onderhavige, mocht vordering tot uitlevering van stukken op grond van artikel 81 van de Algemene Wet inzake ’s Rijksbelastingen wel tot de verdachte worden gericht.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vordering van de officier van justitie op grond van artikel 126nd WvSv van 18 april 2007 was tot de rechtspersoon [rechtspersoon 1] gericht en niet tot de verdachte. Als eerste dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de schending van het recht van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] tevens een schending van het recht van de verdachte heeft opgeleverd. Van belang hierbij is dat de verdachte onder elk van de feiten primair wordt vervolgd als feitelijke leidinggever en/of opdrachtgever aan strafbare gedragingen van de rechtspersoon [rechtspersoon 1]. In het onderzoek naar die gedragingen werd de uitlevering van de stukken op grond van artikel 126nd WvSv gevorderd.

Voorop staat dat rechtspersonen, naast natuurlijke personen, dader van een strafbaar feit kunnen zijn, waarbij ingevolgde het bepaalde in artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) de opdrachtgever en/of de feitelijke leidinggever aan dat strafbare feit van de rechtspersoon kunnen worden vervolgd. De strafbaarheid van de natuurlijke persoon als opdracht- of leidergever is derhalve accessoir aan het daderschap van de rechtspersoon. Dat betekent niet, dat schending van een strafprocessuele waarborg, toekomende aan de rechtspersoon, er steeds aan in de weg staat om het aldus verzamelde bewijsmateriaal te gebruiken in een strafzaak tegen een feitelijke leidinggever (Hoge Raad, 23 april 1996, LJN AD2536). Daar staat tegenover dat zich omstandigheden kunnen voordoen, waaruit voorvloeit dat schending van een processuele waarborg van de rechtspersoon, ook een schending van die waarborg van de natuurlijke persoon inhoudt. Nu in casu de verdachte de directeur/grootaandeelhouder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] is, het materieel zijn gedragingen waren waarvoor de rechtspersoon in het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek aansprakelijk werd gehouden en de vordering tot uitlevering van de stukken materieel tot hem was gericht, is de verdachte ook in zijn strafprocessuele belangen geschaad als strafprocessuele waarborgen van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] bij toepassing van artikel 126nd WvSv zijn geschonden.

Bovenstaande conclusie betekent dat de rechtbank thans de vraag dient te beantwoorden of de bedoelde strafprocessuele waarborgen van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] zijn geschonden.

Op 18 april 2007 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126nd WvSv van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] de uitlevering van stukken gevorderd. Vast staat dat de rechtspersoon [rechtspersoon 1] toen verdachte in het desbetreffende opsporingsonderzoek was. Blijkens het proces-verbaal “verstrekking gevorderde historische gegevens ex art 126nd, le lid Sv” van 18 april 2007 zijn door de rechtspersoon [rechtspersoon 1] uitgeleverd, “contant inkoopbonnen met betrekking tot de inkoop van een hoeveelheid cacaobonen over de jaren 2005 en 2006” (AH-05).

Op 20 oktober 2008 is tijdens een doorzoeking bij onder meer [rechtspersoon 1] opnieuw een hoeveelheid administratieve bescheiden verkregen, nu door inbeslagname. Deze doorzoeking is het vervolg in een opsporingsonderzoek tegen onder meer de verdachte en [E] en is gebaseerd op materiaal, dat is verzameld in de periode na 3 maart 2008. In het bijzonder betreft dit materiaal opnames van telefoongesprekken tussen [E], verdachte en een derde persoon, genaamd [voornaam 1]. Uit deze gesprekken kon het vermoeden rijzen dat [E] en [voornaam 1] cacaobonen ontvreemdden en dat [rechtspersoon 1] deze bonen afnam (Proces-verbaal inzake [naam 2] van het onderzoek en voorstel telefoontaps van 14 juli 2008, AH-13).

Blijkens de bijlage bij het “proces-verbaal van doorzoeking bedrijfspand” van 21 oktober 2008 (AH-21en AH-21a) is toen onder meer een aantal ordners met niet verder gespecificeerde administratie van [rechtspersoon 1] in beslag genomen, terwijl daarnaast inkoopboeken over de jaren 2004-2007 in beslag zijn genomen. Onduidelijk is wat deze inkoopboeken hebben bevat.

De raadsman heeft terecht aangevoerd dat het bepaalde in artikel 126nd, tweede lid, WvSv, een wettelijke verbijzondering is van het fundamentele nemo tenetur-beginsel en daarmee een wezenlijk strafvorderlijk recht betreft.

Dit recht is in aanzienlijke mate geschonden, waarbij de rechtspersoon [rechtspersoon 1] en daarmee de verdachte in zijn processuele belangen is getroffen, terwijl die schending onomkeerbaar is.

Om deze reden neemt de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet aan dat deze schending kan worden gerelativeerd door de doorzoeking van 20 oktober 2008, terwijl de keuze voor een strafvorderlijk onderzoek in deze zaak meebrengt, dat ook de regels van de strafvordering gevolgd dienen te worden. De opsporende instantie kan niet, zoals de officier van justitie heeft betoogd, naar believen nu eens putten uit strafvorderlijke bevoegdheden en dan weer uit fiscale bevoegdheden. De rechtbank zal het bewijsmateriaal dat met de boven bedoelde schending is verkregen, in het bijzonder de administratieve bescheiden, dan ook uitsluiten van het bewijs. Nu niet duidelijk is om welke bescheiden het gaat, zal de rechtbank alle inkoopbonnen over de jaren 2005 en 2006 van het bewijs uitsluiten. Maar, gelet op de boven omschreven gang van het opsporingsonderzoek sinds 3 maart 2008, zal de rechtbank alleen deze bescheiden van het bewijs uitsluiten. Dit raakt alleen de feiten die onder 1 zijn ten laste gelegd. Nu deze bescheiden het voorwerp en daarmee de kern van de verweten valsheid betreffen, kan de rechtbank niet (meer) tot een bewezenverklaring komen. Zij spreekt de verdachte derhalve vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 4:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is en stelt - verkort weergegeven - dat de leveringen koffieveegsel door de [medeverdachte 2] niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. [Medeverdachte 2] heeft de leveringen bevestigd en de inkoopbonnen staan gewoon op zijn naam. Dat opbrengsten van die leveringen niet aan de fiscus worden opgegeven, betekent niet dat die leveringen dan van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de door [rechtspersoon 1] ingekochte partijen koffieveegsel van de [medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Dat [medeverdachte 2], een werknemer van [rechtspersoon 1], niet wil zeggen voor wie hij het koffieveegsel verkoopt, zelfs als dat geschiedt om (het mogelijk te maken om) de opbrengst hiervan te verzwijgen voor de fiscus, maakt nog niet dat deze partijen koffieveegsel zelf uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het onder 4 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 onder parketnummer 10/994000-10 en het subsidiair ten laste gelegde onder parket 10/994004-10 heeft begaan op die wijze dat:

parketnummer: 10/994000-10

2.

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen/laten opmaken en/of vervalst en/of doen/laten vervalsen, immers heeft/hebben die [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) valselijk in die (bedrijfs)administratie de navolgende valselijk opgemaakte en/of vervalste factuur/facturen opgenomen en/of verwerkt en/of doen/laten opnemen en/of verwerken:

a. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 5 januari 2007 met een bedrag van EUR 22.080 (proces-verbaal bijlage D-194), en/of

b. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 8 juni 2007 met een bedrag van EUR 24.750 (proces-verbaal bijlage D-204), en/of

c. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 september 2007 met een bedrag van EUR 24.990 (proces-verbaal bijlage D-211), en/of

d. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 18 januari 2008 met een bedrag van EUR 22.785 (proces-verbaal bijlage D-222), en/of

e. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 augustus 2008 met een bedrag van EUR 27.390 (proces-verbaal bijlage D-256), en/of

f. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 17 april 2008 met een bedrag van EUR 29.640 (proces-verbaal bijlage D-273),

- terwijl deze factuur/facturen in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 10] afkomstig was/waren en/of deze [rechtspersoon 10] geen cacaobonen had geleverd aan [rechtspersoon 1]

- zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

3.

[rechtspersoon 1] op 7 april 2008 (met uitzondering van het feit genoemd op de dagvaarding met parketnummer 10/994004-10) in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

hoeveelheden/ een partijen (in totaal ongeveer 24.940 kg.) cacao(bonen), althans (een) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of overgedragen, terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) en/of verdachte wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerpen - middelijk of onmiddelijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, zulks terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft/hebben gemaakt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

parketnummer: 10/994004-10

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen:

a. ongeveer 50.000 kg. cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van vorenomschreven cacao(bonen) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, en/of

b. opzettelijk uit winstbejag ongeveer 50.000 kg. door misdrijf verkregen cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen (aan [rechtspersoon 11]).

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlasteleggingen kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaringen verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING/PARTIËLE VRIJSPRAAK

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat geen wettig en overtuigend bewijs is en stelt

- verkort weergegeven - dat de verdachte geen wetenschap had dat die inkoopfacturen op naam van [rechtspersoon 10] niet van dat bedrijf afkomstig waren. Zonder een volledig onderzoek naar de herkomst van die facturen kan niet worden vastgesteld dat de tenlastegelegde facturen niet afkomstig waren van die [rechtspersoon 10].

De rechtbank overweegt als volgt.

In de periode voorafgaand aan 14 november 2006 leverde een vervoerder genaamd [E] cacaobonen en/of -veegsel aan de verdachte. De bestuurder [verdachte] van de [rechtspersoon 1] of een werknemer van de [rechtspersoon 1] schreef daarop een inkoopbon uit, waarop werd genoteerd welke bedrijven de bonen en/of het veegsel leverden. De opgave werd gedaan door [E] en betroffen bedrijven van wie bekend was dat deze bij de handel in cacaobonen waren betrokken, zoals [rechtspersoon 3], [rechtspersoon 4] of [rechtspersoon 5]. Op 14 november 2006 (V04-02) werd de bestuurder [verdachte] door verbalisanten gewezen op de onjuistheid van deze werkwijze.

De bestuurder [verdachte] diende de beschikking te hebben over verkoopfacturen van de leverende bedrijven zelf. De zaken met die [E] werden nadien voortgezet, in dier voege dat die [E] op bestuurders [verdachtes] verzoek voortaan bij leveringen ook verkoopfacturen verstrekte, evenwel niet op naam van [rechtspersoon 3], [rechtspersoon 4], [rechtspersoon 5] of enig ander bedrijf van wie bekend was dat deze bij de handel in cacaobonen was betrokken, maar op naam van [rechtspersoon 10], een consultancy. Daarop stond al vermeld een paraaf: “per kas voldaan“. De bestuurder [verdachte] heeft verklaard dat de rest gewoon hetzelfde is gebleven en dat hij het bedrag van de facturen op naam van [rechtspersoon 10] contant aan die [E] heeft betaald. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, en door geen onderzoek in te stellen naar de echtheid van de facturen van de onderliggende leveringen bij [rechtspersoon 10] heeft de bestuurder [verdachte] ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de [rechtspersoon 1] valse facturen voorhanden had.

Gelet op het bovenstaande en op de gedetailleerde verklaring van [naam 4], enig aandeelhouder van [rechtspersoon 10] dat er in deze vennootschap geen activiteiten hebben plaatsgevonden, nooit briefpapier op naam van [rechtspersoon 10] is geweest, de lay-out van de aan hem getoonde facturen en de paraaf op die facturen hem onbekend zijn en dat hij geen geld heeft ontvangen op basis van deze facturen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het opsporingsonderzoek naar de echtheid van de aangetroffen facturen op naam van [rechtspersoon 10] in de administratie van [rechtspersoon 1] toereikend is geweest.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 3:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is en stelt - verkort weergegeven - dat de leveringen cacaoveegsel door de [E] niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Uit het vermoeden dat die [E] zijn inkomsten niet opgaf aan de fiscus en de mogelijkheid van valse facturen kan niet de conclusie worden getrokken dat het cacaoveegsel van misdrijf afkomstig is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 4 april 2008 heeft [medeverdachte 3], tezamen en vereniging met [E] een partij cacaobonen ontvreemd van de werkgever van [medeverdachte 3], [rechtspersoon 4] De rechtbank acht bewezen dat de verdachte deze partij heeft ontvangen uit handen van [E]. Dit blijkt uit het volgende.

Op 27 maart 2008 heeft de bestuurder [verdachte (D)] een telefoongesprek gevoerd met [E (C)] over een levering. Het gesprek gaat als volgt:

“C=[E] en D=[verdachte]

C:Goedemorgen

D:Hé goedemorgen. Elf hé?

C:Hé?

D:Voor 11 stuks toch?

C:Ja en nog wat veegsel.

D:Oké

C:Hé?

D:Dus elf stuks en nog wat veegsel.“

Op 28 maart 2008 hebben [verdachte] en [E] elkaar opnieuw telefonisch gesproken.

“C [E] belt naar D [verdachte]. (…)

[L]= L

D: [verdachte]

C:Ja, hee, die wagen komt he, die voorste zes big bags, die voorste

D:Ja

C: Dat is veegsel

D: OK

C:die voorste zes, 2 x 3, je hebt 20 bigbags en de rest is, de rest is allemaal schoon.

D:oke, blijf hangen, blijf hangen. (op de achtergrond is hoorbaar dat [verdachte] [L] roept, [verdachte] geeft [L] aan de lijn)

L: Hallo met [L]

C: Ja [L] met [medeverdachte 1]

L: Jaaa.

C: He , die voorste zes stuks he, dat is veegsel, dus die..., de rest is allemaal schoon

L: Ja, die voorste zes.

C: Ja, 2 x 3

L: Ja 2 x 3 tegen het schot aan das veegsel

C: Ja goed zo

L: en de rest, dat andere is mooi.

Op 7 april 2008 volgt een nieuw gesprek tussen [E] en [verdachte]. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit gesprek over de bij de werkgever van [medeverdachte 3] ontvreemde partij cacaobonen, [rechtspersoon 4].

C [E] wgd. [verdachte] (…)

C= [E]

D=[verdachte]

C:Ja, met C

D:hee, C, is tie al geladen

C:Ja

D:Oke, hoeveel zijn het er?

C: 21,25 ton

D:- onverstaanbaar- Is het mooie?

C:Jaja, hele goeie

D:Dus hoef ik niks aan te doen?

C:Niks aan te doen, nee

Op grond van dit laatste tapgesprek, op 7 april 2008, tussen [E] en de bestuurder [verdachte], tegen de achtergrond van de eerdere gesprekken op 27 en 28 maart 2008, komt de rechtbank tot het oordeel dat de bestuurder [verdachte] met [E] in bedekte termen heeft gesproken over een partij cacaobonen, die geen bewerking meer behoefde en die direct verkocht kon worden en dat zij het niet hadden over een levering cacaoveegsel. Dit komt overeen met de bij [rechtspersoon 4] ontvreemde partij.

De rechtbank acht de door de bestuurder [verdachte] ter terechtzitting gegeven reactie op het hem voorgehouden tapgesprek van 7 april 2008 dat dit ‘grootspraak’ was in het licht bezien van de andere tapgesprekken niet aannemelijk. Gelet op de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien en de aan [rechtspersoon 1] op dezelfde dag geleverde partij van 24.940 kilo, die blijkens de vrachtbrief van de transporteur [rechtspersoon 9] afkomstig was van het terrein van [rechtspersoon 2] van [E], komt de rechtbank tot het oordeel dat dit de partij was die drie dagen ervoor ontvreemd was uit een loods van [rechtspersoon 4], gelegen aan de [adres]. De bestuurder [verdachte] moet hebben geweten dat deze partij van misdrijf afkomstig was.

Het verweer wordt verworpen.

parketnummer: 10/994004-10:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, dat de verdachte wetenschap had dat deze partij ‘fout’ was. Voorzover de [medeverdachte 4] belastend heeft verklaard over de verdachte, berust dit niet op diens eigen wetenschap. De verklaring van deze medeverdachte dient vanwege de beperking van het ondervragingsrecht aan de zijde van de verdediging niet betrokken te worden in het bewijs en het resterend bewijs is onvoldoende voor een bewezenverklaring.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het primair tenlastegelegde diefstal maar komt tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde opzetheling.

De verdachte was betrokken bij de aankoop en de ontvangst van een partij cacaobonen op zaterdagochtend vroeg op 14 juni 2008 op het terrein van [rechtspersoon 1]. Op dit tijdstip was het bedrijf normaal gesloten. De verdachte was bij het lossen van de eerste partij aanwezig. De verdachte heeft na de ontvangst van deze partij op verzoek van de lossers een telefonisch verzoek gedaan voor een tweede transport aan de planner van het transportbedrijf, zonder vragen te stellen waar die tweede partij vandaan komt.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden en op grond van verdachtes verklaring bij de FIOD/ECD dat hij zijn ogen heeft dichtgedaan voor het feit dat zijn bedrijf werd gebruikt voor de opslag van cacaobonen, heeft de verdachte willens en wetens tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat de partijen cacaobonen door misdrijf waren verkregen. De verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan opzetheling. Nu het bewijs niet in overwegende mate berust op de verklaring van de [medeverdachte 4] treft het verweer dat deze verklaring niet mag worden gebruikt, nu de verdediging de getuige niet rechtstreeks heeft kunnen ondervragen, geen doel.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

onder parketnummer: 10/994000-10:

2.

valsheid in geschrift, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

3.

witwassen, terwijl verdachte feitelijke leidinggeven heeft gegeven aan de verboden gedraging.

onder parketnummer: 10/994004-10:

opzetheling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft opdracht en leiding gegeven aan valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van inkoopfacturen en heeft deze valse inkoopfacturen in de administratie van [rechtspersoon 1] opgenomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming.

De verdachte heeft voorts feitelijke leiding gegeven aan het witwassen van een partij cacaobonen van 24.940 kilo. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan opzetheling van partijen cacaoveegsel. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf, zij het van enige duur.

Elke verdachte heeft recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, die ertoe strekt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Daarbij wordt als uitgangspunt van de redelijke termijn in eerste aanleg een termijn van twee jaar gehanteerd.

In deze zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is het beginpunt van de redelijke termijn vastgesteld op de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 20 oktober 2008. Tot aan de dag van de uitspraak zijn negenenveertig maanden verstreken. Er is dus sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijfentwintig maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit te worden gecompenseerd door strafvermindering.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is rekening gehouden met het op verdachtes naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2012 dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Gelet op het bovenstaande en op het gegeven dat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan ten laste zijn gelegd en op de relatieve ouderdom van de feiten, wordt aanleiding gezien om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, lager dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de ernst van de feiten kan echter hiermee niet worden volstaan. De rechtbank zal daarom ook een taakstraf opleggen. Indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden zou een taakstraf worden opgelegd voor de duur van tweehonderdveertig uur. Nu de overschrijding aanzienlijk is, zal deze op zichzelf gepast geachte straf worden verminderd en zal een taakstraf worden opgelegd voor de duur van tweehonderd uur.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [rechtspersoon 4] [adres] ter zake van het tenlastegelegde. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 52.657,05 aan materiële schade.

De vordering van de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde strafbare feiten levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 225, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 4 onder parketnummer 10/994000-10 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten onder parketnummer 10/994000-10 en het subsidiair ten laste gelegde onder parketnummer 10/994004-10, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd (200) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek honderdtweeënnegentig (192) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 96 dagen;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten en begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Geerars, voorzitter,

en mrs. Van den Berg en Boek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2012.

Bijlage bij vonnis van 14 december 2012:

TEKST TENLASTELEGGINGEN

parketnummer: 10/994000-10

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) één of meer geschrift(en), te weten:

a) een inkoopbon d.d. 28 januari 2005 met een bedrag van EUR 22.320 (proces-verbaal bijlage D-04), en/of

b) een inkoopbon d.d. 11 maart 2005 met een bedrag van EUR 27.920 (proces-verbaal bijlage D-09), en/of

c) een inkoopbon d.d. 15 augustus 2005 met een bedrag van EUR 12.800 (proces-verbaal bijlage D-27), en/of

d) een inkoopbon d.d. 21 december 2005 met een bedrag van EUR 9.357 (proces-verbaal bijlage D-59), en/of

e) een inkoopbon d.d. 16 februari 2006 met een bedrag van EUR 12.340 (proces-verbaal bijlage D-98), en/of

f) een inkoopbon d.d. 21 september 2006 met een bedrag van EUR 12.950 (proces-verbaal bijlage D-134), en/of

g) een inkoopbon d.d. 18 oktober 2006 met een bedrag van EUR 12.160 (proces-verbaal bijlage D-141)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen/laten opmaken en/of heeft vervalst en heeft doen/laten vervalsen met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, immers heeft/hebben [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) in strijd met de waarheid

-ten aanzien van a op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 6], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 6] afkomstig was,

-ten aanzien van b op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 4], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 4] afkomstig was,

-ten aanzien van c op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [naam 3], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [naam 3] afkomstig was,

-ten aanzien van d op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 3], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 3]afkomstig was,

-ten aanzien van e op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 4], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 4] afkomstig was,

-ten aanzien van f op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 5], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 5] afkomstig was,

-ten aanzien van g op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 7], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 7] afkomstig was,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon 1]

en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) één of meer inkoopbonnen, in elk geval geschrift(en), te weten:

a) een inkoopbon d.d. 28 januari 2005 met een bedrag van EUR 22.320 (proces-verbaal bijlage D-04), en/of

b) een inkoopbon d.d. 11 maart 2005 met een bedrag van EUR 27.920 (proces-verbaal bijlage D-09), en/of

c) een inkoopbon d.d. 15 augustus 2005 met een bedrag van EUR 12.800 (proces-verbaal bijlage D-27), en/of

d) een inkoopbon d.d. 21 december 2005 met een bedrag van EUR 9.357 (proces-verbaal bijlage D-59), en/of

e) een inkoopbon d.d. 16 februari 2006 met een bedrag van EUR 12.340 (proces-verbaal bijlage D-98), en/of

f) een inkoopbon d.d. 21 september 2006 met een bedrag van EUR 12.950 (proces-verbaal bijlage D-134), en/of

g) een inkoopbon d.d. 18 oktober 2006 met een bedrag van EUR 12.160 (proces-verbaal bijlage D-141)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen/laten opmaken en/of heeft vervalst en heeft doen/laten vervalsen met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) -in strijd met de waarheid-

-ten aanzien van a op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 6], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 6] afkomstig was,

-ten aanzien van b op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 4], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 4] afkomstig was,

-ten aanzien van c op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [naam 3], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [naam 3] afkomstig was,

-ten aanzien van d op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 3], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 3] afkomstig was,

-ten aanzien van e op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 4], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 4] afkomstig was,

-ten aanzien van f op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 5], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 5] afkomstig was,

-ten aanzien van g op de inkoopbon vermeld dat de cacao zou zijn geleverd door [rechtspersoon 7], terwijl deze cacao in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 7] afkomstig was;

2.

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) haar (bedrijfs)administratie - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen/laten opmaken en/of vervalst en/of doen/laten vervalsen, immers heeft/hebben die [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) valselijk in die (bedrijfs)administratie de navolgende valselijk opgemaakte en/of vervalste factuur/facturen opgenomen en/of verwerkt en/of doen/laten opnemen en/of verwerken:

a. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 5 januari 2007 met een bedrag van EUR 22.080 (proces-verbaal bijlage D-194), en/of

b. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 8 juni 2007 met een bedrag van EUR 24.750 (proces-verbaal bijlage D-204), en/of

c. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 september 2007 met een bedrag van EUR 24.990 (proces-verbaal bijlage D-211), en/of

d. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 18 januari 2008 met een bedrag van EUR 22.785 (proces-verbaal bijlage D-222), en/of

e. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 augustus 2008 met een bedrag van EUR 27.390 (proces-verbaal bijlage D-256), en/of

f. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 17 april 2008 met een bedrag van EUR 29.640 (proces-verbaal bijlage D-273),

-terwijl deze factuur/facturen in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 10] afkomstig was/waren en/of deze [rechtspersoon 10] geen cacaobonen had geleverd aan [rechtspersoon 1]-

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon 1] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) de (bedrijfs)administratie van [rechtspersoon 1] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen/laten opmaken en/of vervalst en/of doen/laten vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in die (bedrijfs)administratie de navolgende valselijk opgemaakte en/of vervalste factuur/facturen opgenomen en/of verwerkt en/of doen/laten opnemen en/of verwerken:

a. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 5 januari 2007 met een bedrag van EUR 22.080 (proces-verbaal bijlage D-194), en/of

b. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 8 juni 2007 met een bedrag van EUR 24.750 (proces-verbaal bijlage D-204), en/of

c. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 september 2007 met een bedrag van EUR 24.990 (proces-verbaal bijlage D-211), en/of

d. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 18 januari 2008 met een bedrag van EUR 22.785 (proces-verbaal bijlage D-222), en/of

e. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 augustus 2008 met een bedrag van EUR 27.390 (proces-verbaal bijlage D-256), en/of

f. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 17 april 2008 met een bedrag van EUR 29.640 (proces-verbaal bijlage D-273),

-terwijl deze factuur/facturen in werkelijkheid niet van [rechtspersoon 10] afkomstig was/waren en/of deze [rechtspersoon 10] geen cacaobonen had geleverd aan [rechtspersoon 1]-

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad (een) valse(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en), in elk geval (een) geschrift(en), te weten:

a. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 5 januari 2007 met een bedrag van EUR 22.080 (proces-verbaal bijlage D-194), en/of

b. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 8 juni 2007 met een bedrag van EUR 24.750 (proces-verbaal bijlage D-204), en/of

c. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 september 2007 met een bedrag van EUR 24.990 (proces-verbaal bijlage D-211), en/of

d. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 18 januari 2008 met een bedrag van EUR 22.785 (proces-verbaal bijlage D-222), en/of

e. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 augustus 2008 met een bedrag van EUR 27.390 (proces-verbaal bijlage D-256), en/of

f. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 17 april 2008 met een bedrag van EUR 29.640 (proces-verbaal bijlage D-273),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst-

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin, dat [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) heeft/hebben opgestuurd en/of ingediend, dan wel heeft/hebben doen/laten opsturen en/of indienen aan derden/anderen, en/of

bestaande die valsheid daarin dat op deze factu(u)r(en) stond vermeld dat deze afkomstig was/waren van [rechtspersoon 10] terwijl deze factu(u)r(en) in werkelijkheid niet van dit bedrijf afkomstig was/waren en/of [rechtspersoon 10] geen cacaobonen had geleverd aan [rechtspersoon 1],

zulks terwijl [rechtspersoon1] en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon 1] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad (een) valse(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en), in elk geval (een) geschrift(en), te weten:

a. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 5 januari 2007 met een bedrag van EUR 22.080 (proces-verbaal bijlage D-194), en/of

b. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 8 juni 2007 met een bedrag van EUR 24.750 (proces-verbaal bijlage D-204), en/of

c. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 september 2007 met een bedrag van EUR 24.990 (proces-verbaal bijlage D-211), en/of

d. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 18 januari 2008 met een bedrag van EUR 22.785 (proces-verbaal bijlage D-222), en/of

e. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 21 augustus 2008 met een bedrag van EUR 27.390 (proces-verbaal bijlage D-256), en/of

f. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 17 april 2008 met een bedrag van EUR 30.510 (proces-verbaal bijlage D-272), en/of

g. een factuur van [rechtspersoon 10] d.d. 10 april 2008 met een bedrag van EUR 29.640 (proces-verbaal bijlage D-273),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst-

bestaande dat gebruik maken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben hierin, dat verdachte en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) heeft/hebben opgestuurd en/of ingediend, dan wel heeft/hebben doen/laten opsturen en/of indienen bij/aan derden/anderen, en/of

bestaande die valsheid daarin dat op deze factu(u)r(en) stond vermeld dat deze afkomstig was/waren van [rechtspersoon 10] terwijl deze factu(u)r(en) in werkelijkheid niet van dit bedrijf afkomstig was/waren en/of [rechtspersoon 10] geen cacaobonen had geleverd aan [rechtspersoon 1],

zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

3.

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 (met uitzondering van het feit genoemd op de dagvaarding met parketnummer 10/994004-10) in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

hoeveelheden/partijen (in totaal ongeveer 3.070.513 kg.) cacao(bonen), althans (een) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of overgedragen, terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) en/of verdachte wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - middelijk of onmiddelijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft/hebben gemaakt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon 1] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

hoeveelheden/partijen (in totaal ongeveer 3.070.513 kg) cacao(bonen), althans (een) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of overgedragen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen -middelijk of onmiddelijk-

afkomstig waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

4.

[rechtspersoon 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

(een) hoeveelheid/hoeveelheden koffie(bonen) (tot een totale waarde van ongeveer EUR 1.133.378), althans (een) partij(en) koffie(bonen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of overgedragen, terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) en/of verdachte wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - middelijk of onmiddelijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl [rechtspersoon 1] en/of haar mededader(s) van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon 1] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

(een) hoeveelheid/hoeveelheden koffie(bonen) (tot een totale waarde van ongeveer EUR 1.133.378), althans (een) partij(en) koffie(bonen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of overgedragen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen -middelijk of

onmiddelijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van voormelde feiten een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

parketnummer: 10/994004-10

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 juni 2008 in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen in/uit één of

meer loodsen aan de [adres] ongeveer 50.000 kg. cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) die geheel of en dele toebehoorde(n) aan [rechtspersoon 8], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem, verdachte en/of

zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, een valse sleutel en/of inklimming;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen:

a. ongeveer 50.000 kg. cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van vorenomschreven cacao(bonen) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, en/of

b. opzettelijk uit winstbejag ongeveer 50.000 kg. door misdrijf verkregen cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen (aan [rechtspersoon 11]);

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a. ongeveer 50.000 kg. cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van vorenomschreven cacao(bonen) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, en/of

b. uit winstbejag ongeveer 50.000 kg. door misdrijf verkregen cacao(bonen), althans (een) (grote) partij(en) cacao(bonen) voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen (aan [rechtspersoon 11]), terwijl hij en/of zijn mededader(s) moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;