Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY8112

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
396232 / HA ZA 12-167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert een verklaring voor recht dat zij een koopovereenkomst heeft gesloten met gedaagde die strekte tot de levering van de slijterij tegen betaling van € 20.000,-. Gedaagde betwist dat partijen een koopsom van € 20.000,-- zijn overeengekomen. Volgens haar was de koopprijs € 50.000,--. Zij onderbouwt haar verweer met de “tweede koopovereenkomst” zoals bedoeld in r.o. 4.4, waarin een koopsom van € 50.000,-- staat vermeld. De rechtbank kwalificeert het verweer van gedaagde als een bevrijdend verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 396232 / HA ZA 12-167

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Berkel en Rodenrijs,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N. Lagerweij,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Heinrici.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 februari 2012, tevens incidentele eis, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens houdende incidentele eis ex artikel 223 Rv, met producties;

- de incidentele conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde];

- de conclusie van antwoord in reconventie op verzoek ex artikel 223 Rv aan de zijde van [eiser];

- het tussenvonnis van 6 juni 2012 in incident en in de hoofdzaak, waarbij onder meer een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 4 september 2012;

- de brief van 1 oktober 2012 van mr. Lagerweij.

1.2. In het tussenvonnis van 6 juni 2012 heeft de rechtbank de incidentele vorderingen van [eiser] en [gedaagde] afgewezen. In het onderhavige vonnis zal derhalve alleen de hoofdzaak beoordeeld worden.

1.3. Vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de producties waarop beroep is gedaan, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.1. Op 24 augustus 2009 hebben [eiser] en [gedaagde] schriftelijk een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de (ver)koop van een slijterij. In deze koopovereenkomst, waarbij [gedaagde] als verkoper en [eiser] als koper staat genoemd, is een koopsom van € 20.000,-- vermeld. Voorts is vermeld dat koper [eiser] gebruik mag maken van de naam “Temptations Drinks”.

2.2. Op 25 augustus 2009 zijn [eiser] en [gedaagde] voor een notaris verschenen en hebben zij een notariële akte doen opmaken ter zake van een geldlening die [gedaagde] aan [eiser] zou verstrekken ten belope van € 30.000,--. In de notariële akte staat onder andere het navolgende.

“Aflossing

Maandelijks moet éénduizend euro (€ 1.000,00) op de hoofdsom worden afgelost. De eerste aflossing zal plaatsvinden op dertig september tweeduizend negen.”

2.3. Op diezelfde dag heeft [eiser] door middel van een spoedoverboeking € 20.000,-- overgemaakt naar het zakelijke rekeningnummer [X] van [gedaagde] onder de naam “Temptations Drinks” te Rotterdam.

2.4. [gedaagde] heeft [eiser] op 7 mei 2010 gesommeerd tot betaling van € 30.000,--.

2.5. Namens [eiser] heeft haar toenmalige advocaat mr. Baldew op 2 september 2010 [gedaagde] verzocht om de maandelijkse aflossing van € 1.000,-- terug te brengen naar € 800,-.

2.6. Op 11 mei 2010 heeft [gedaagde] [eiser] wederom gesommeerd tot betaling van

€ 30.000,--.

2.7. Vervolgens heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] beslag gelegd op (bedrijfs)auto’s en andere vermogensbestanddelen. [eiser] is een kort geding gestart ter opheffing van de executie. Bij vonnis van 16 december 2010 van deze rechtbank is die vordering afgewezen.

2.8. Op 15 februari 2010 is [gedaagde] door de politie verhoord als verdachte ter zake van valsheid in geschrifte.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser] vordert voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst hebben gesloten die strekte tot levering van de slijterij aan [eiser] tegen betaling door [eiser] aan [gedaagde] van de koopprijs ad € 20.000,-- (“all in”);

2. een verklaring voor recht dat de spoedbetaling van [eiser] aan [gedaagde] ad € 20.000,-- verricht op 25 augustus 2009 namiddags, de aankoopsom voor de slijterij betrof, door welke betaling de schuld krachtens de geldleningovereenkomst tot € 20.000,-- teniet ging en daarna nog slechts een schuld € 10.000,-- resteerde, als “aanloopkosten”;

3. een vaststelling van welke bedragen [eiser] in mindering op de restschuld krachtens de geldleningovereenkomst ad € 10.000,-- aan [gedaagde] heeft betaald en welk bedrag zij mitsdien nog terzake van die geldlening verschuldigd is aan [gedaagde] rekening houdend met de vanaf 1 september 2009 verschuldigde rentes;

4. voorwaardelijk, indien het onder 1. gevorderde wordt toegewezen, een onrechtmatig verklaring van de in opdracht van [gedaagde] plaatsgevonden hebbende executiemaatregelen, voor zover die gebaseerd waren op een groter gevorderd bedrag dan de bijgeleende € 10.000,--, vermeerderd met rentes en verminderd met betalingen, ter bestrijding van de aanloopkosten en een veroordeling van [gedaagde] in de vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige executies, op te maken bij staat;

5. dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – het volgende.

3.2. [eiser] en [gedaagde] zijn op 24 augustus 2009 schriftelijk overeengekomen dat [gedaagde] de slijterij aan [eiser] zou verkopen, tegen betaling van € 20.000,--. [eiser] heeft in verband met de betaling van de koopsom een starterskrediet aangevraagd bij twee banken. Gelet op het feit dat de toekenning en uitbetaling van het starterskrediet lang op zich liet wachten, zijn [eiser] en [gedaagde] overeengekomen dat laatstgenoemde de koopsom aan [eiser] zou financieren en daarnaast een contante geldlening van € 10.000,-- zou verstrekken ter bestrijding van de “aanloopkosten”. De totale geldlening van € 30.000,-- is vastgelegd in de notariële akte van 25 augustus 2009.

3.3. [gedaagde] heeft het bedrag van € 10.000,-- betreffende de aanloopkosten contant aan [eiser] verstrekt. Op 25 augustus 2009 is het starterskrediet door de bank aan [eiser] uitbetaald. [eiser] heeft op diezelfde dag het bedrag van

€ 20.000,-- door middel van een spoedoverboeking overgemaakt aan [gedaagde], ter voldoening van de koopsom.

3.4. Ter aflossing van de geldlening van € 10.000,-- inclusief rente heeft [eiser] een bedrag van € 4.991,67 en

€ 6.687,50 aan [gedaagde] betaald.

3.5. [gedaagde] gaat er ten onrechte vanuit dat de koopsom € 50.000,-- bedraagt en executeert nu onrechtmatig

€ 30.000,-- (€ 50.000,-- minus de reeds overgemaakte € 20.000,00) op grond van de notariële akte.

4. Het verweer in conventie

4.1. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. Daartoe voert [gedaagde] – samengevat weergegeven – het volgende aan.

4.2. [gedaagde] en [eiser] hebben op 24 augustus 2009 een overeenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] de slijterij zou overdragen aan [eiser] tegen betaling van € 50.000,--. Een bedrag van € 20.000,-- zou [eiser] per bank betalen aan [gedaagde]. Zij zou dit bedrag financieren door middel van een starterslening van € 30.000,--. De overige € 10.000,-- van de starterslening zou [eiser] zelf behouden in verband met de aanloopkosten. Het restant van de koopsom, zijnde € 30.000,--, zou [eiser] contant aan [gedaagde] verstrekken.

4.3. In de schriftelijke koopovereenkomst van 24 augustus 2009 hebben partijen een koopsom van € 20.000,-- opgenomen, omdat de overige € 30.000,-- contant ‘zwart’ door [eiser] aan [gedaagde] zou worden betaald. [eiser] kon het laatstgenoemde bedrag echter niet voldoen, zodat partijen zijn overgekomen dat [gedaagde] het bedrag van € 30.000,-- aan [eiser] als geldlening zou verstrekken. Hiervan is een notariële akte opgemaakt.

4.4. [eiser] wilde echter de koopsom niet meer gedeeltelijk ‘zwart’ betalen, zodat partijen een nieuwe tweede schriftelijke koopovereenkomst hebben gesloten op 25 augustus 2005 waarin de totale koopsom van € 50.000,-- is opgenomen.

4.5. [eiser] heeft het bedrag van € 20.000,-- aan [gedaagde] voldaan. Voorts heeft [eiser], na mondelinge en schriftelijke sommaties, een bedrag van € 750,-- contant en € 4.241,67 per bank afgelost aan [gedaagde]. [eiser] heeft geen meerdere bedragen aan [gedaagde] betaald, hetgeen ook blijkt uit de brief van 2 september 2009 van mr. Baldew namens [eiser].

4.6. [gedaagde] betwist dat zij een bedrag van € 10.000,-- contant heeft verstrekt aan [eiser].

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door valse aangifte te doen jegens [gedaagde]. Voorts vordert [gedaagde] dat [eiser] uit dien hoofde wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,--. Zij stelt daartoe – kort gezegd – het navolgende.

5.2. [eiser] heeft onterecht jegens [gedaagde] aangifte gedaan wegens fraude. [gedaagde] is in dat kader door de politie verhoord als verdachte. Hierdoor heeft [gedaagde] immateriële schade geleden ad € 1.000,--.

6. Het verweer in reconventie

6.1. De conclusie van [eiser] strekt tot afwijzing van de vordering. Daartoe voert [eiser] – samengevat weergegeven – het volgende aan.

6.2. [eiser] betwist dat sprake is van een valse aangifte. De gevorderde schade wordt betwist; deze is buitenproportioneel.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat zij een koopovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde] die strekte tot de levering van de slijterij tegen betaling van € 20.000,-.

[gedaagde] betwist dat partijen een koopsom van € 20.000,-- zijn overeengekomen. Volgens haar was de koopprijs € 50.000,--. Zij onderbouwt haar verweer met de “tweede koopovereenkomst” zoals bedoeld in r.o. 4.4, waarin een koopsom van

€ 50.000,-- staat vermeld. De rechtbank kwalificeert het verweer van [gedaagde] als een bevrijdend verweer. Daarom rust in dit verband, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, de bewijslast op [gedaagde]. De rechtbank zal [gedaagde] opdragen te bewijzen dat partijen terzake van de koopovereenkomst van de slijterij een koopsom van € 50.000,-- zijn overeengekomen.

7.2. Ongeacht de hoogte van de koopsom voor de slijterij staat tussen partijen vast dat [eiser] aan [gedaagde]

€ 20.000,-- heeft betaald ter aflossing van de koopsom. Voorts staat tussen partijen vast dat [eiser] een totaalbedrag van

€ 4.241,67 per bank aan [gedaagde] heeft overgemaakt, welke bedrag als volgt is opgebouwd:

Bedrag datum

€ 1.104,17 11 mei 2010

€ 1.100,00 14 juni 2010

€ 1.087,50 30 augustus 2010

€ 950,00 + 21 september 2010

€ 4.241,67

7.3. [eiser] stelt dat zij naast voornoemde betalingen ook een totaalbedrag van € 6.687,50 contant aan [gedaagde] heeft betaald, hetgeen [gedaagde] betwist. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Bedrag datum

€ 1.125,00 oktober 2009

€ 1.120,83 november 2009

€ 1.116,67 december 2009

€ 1.112,50 januari 2010

€ 1.108,33 februari 2010

€ 1.104,17 + maart 2010

€ 6.687,50

7.4. Voorts stelt [eiser] dat zij een bedrag van € 750,-- contant aan [gedaagde] heeft betaald. In de dagvaarding stelt [eiser] hieromtrent dat zij uit de correspondentie tussen partijen afleidt dat [gedaagde] de contante betaling van € 750,-- erkend, hetgeen [gedaagde] ook bij conclusie van antwoord heeft bevestigd. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] hierover verklaard dat de door [gedaagde] gestelde betalingen van in totaal € 750,-- niet hebben plaatsgevonden, maar dat [eiser] die erkend, omdat zij van de daadwerkelijke betalingen geen kwitantie kan overleggen.

7.5. Tussen partijen zijn derhalve de contante betalingen van in totaal € 6.687,50 in geschil. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv dient [eiser] te bewijzen dat zij een totaalbedrag van € 6.687,50 aan [gedaagde] heeft betaald ter aflossing van haar schuld.

7.6. Hangende de bewijslevering houdt de rechtbank elke verdere beslissing aan.

in reconventie

7.7. [gedaagde] stelt dat [eiser] onterecht tegen haar aangifte heeft gedaan, hetgeen [eiser] betwist. Kennelijk legt [gedaagde] een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW daaraan ten grondslag. Daarvoor is onder andere vereist dat [eiser] jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] stelt daartoe dat de onrechtmatigheid is gelegen in de valse aangifte, maar zij heeft niet onderbouwd waarom er sprake is van onrechtmatigheid. [gedaagde] heeft de door haar gestelde vordering niet (voldoende) onderbouwd. Daarmee heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht en wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De vordering zal derhalve bij eindvonnis worden afgewezen.

7.8. Hangende de bewijslevering in conventie houdt de rechtbank elke verdere beslissing aan.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat partijen terzake van de koop van de slijterij een koopsom van € 50.000,-- zijn overeengekomen;

draagt [eiser] op te bewijzen dat zij ter aflossing van haar schuld aan [gedaagde] naast het bedrag van € 4.241,67 en € 750,-- een totaalbedrag van € 6.687,50 heeft betaald;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 januari 2013 voor uitlating door [eiser] en [gedaagde] bij akte over de wijze waarop zij voornemens zijn aan voormelde bewijsopdracht te voldoen;

bepaalt dat voor zover [eiser] en/of [gedaagde] bewijs wil(len) leveren door het doen horen

van getuigen:

(a) deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. M.V. Scheffers; en

(b) in de genoemde akte de desbetreffende partij opgave moet doen van de voor te brengen getuigen, hun verhinderdata en de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden in de maanden februari, maart en april 2013, opdat aan de hand daarvan dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

in conventie en in reconventie

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012. 2120/1278