Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY7608

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
409252 / HA ZA 12-823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Te late betaling griffierecht. Betaling op administratie advocaat "er doorheen geslipt". Correcte informatieverstrekking door griffie. Griffierecht blijft verschuldigd. Geen toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 409252 / HA ZA 12-823

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CRÉME DE LA CREAM COMPANY B.V.,

gevestigd te Bussum,

eiseres,

advocaat mr. L.A. Vrij,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Roodhof.

Partijen zullen hierna CdlC en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding d.d. 23 juli 2012;

- akte wijziging van eis;

- akte uitlating aan de zijde van CdlC;

- antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Op grond van artikel 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.

2.2. Deze zaak diende voor het eerst op 19 september 2012. Dat betekent dat het door CdlC verschuldigde griffierecht uiterlijk op 17 oktober 2012 moest zijn betaald. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht pas op 26 oktober 2012 is ontvangen. Dat is dus te laat.

2.3. Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.4. Bij akte heeft CdlC aangevoerd dat het griffierecht te laat is betaald als gevolg van een omissie van haar advocaat: de factuur is er op diens boekhouding “doorheen geslipt”. Voorts heeft zij er op gewezen dat een aanmaning door de griffie van 25 oktober 2012 suggereerde dat zij alsnog binnen veertien dagen nadien zonder consequenties kon betalen en dat het in 2.3 bedoelde rechtsgevolg van te late betaling geen wet van meden en perzen is. In de derde plaats heeft CdlC aangevoerd dat zij slechts een dag na ontvangst van de aanmaning alsnog heeft betaald. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat [gedaagde] bij een ontslag van instantie geen enkel rechtens te respecteren belang heeft. Deze omstandigheden zijn volgens CdlC aanleiding om de hardheidsclausule van artikel 127 lid 3 Rv toe te passen.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Zij wijst daartoe op het volgende.

2.6. CdlC wordt bijgestaan door een advocaat, van wie gelet op zijn deskundigheid verwacht mag worden op de hoogte te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet tarieven burgerlijke zaken (Wtbz). Uit die wet volgt dat het griffierecht betaald moet zijn binnen vier weken na verschijning, ongeacht of door de griffie van het desbetreffende gerecht een factuur of nadien nog een aanmaning wordt verstuurd. Uit de stellingen van CdlC volgt bovendien dat de informatie op de eerste factuur correct is. Daarop staat immers vermeld dat het griffierecht uiterlijk 17 oktober 2012 moet zijn ontvangen en dat bij gebreke daarvan de dagvaarding “in beginsel niet inhoudelijk in behandeling genomen” wordt. CdlC is dus correct geïnformeerd. Geen sprake is van een situatie dat door de griffie omtrent de termijn van betaling en de gevolgen van niet tijdige betaling verwarrende berichten zijn verzonden. Dat de factuur spreekt van “in beginsel” is evenzeer correct. In geval aanleiding bestaat toepassing te geven aan de hardheidsclausule wordt, in de bewoordingen van de factuur, de dagvaarding immers wel inhoudelijk in behandeling genomen.

2.7. Verder is van belang dat uit de tekst van de aanmaning in redelijkheid niet kan worden afgeleid dat betaling binnen de daarin genoemde termijn van veertien dagen ertoe zou leiden dat geen gevolgen zouden worden verbonden aan de niet tijdige betaling. Dat CdlC alsnog binnen een dag na ontvangst van die aanmaning heeft betaald, is dus niet relevant. CdlC was toen al een aantal dagen te laat. Het griffierecht blijft verschuldigd, ook als de termijn van vier weken inmiddels is verstreken en daaraan de in artikel 127a lid 2 Rv bedoelde gevolgen worden verbonden (vergelijk HR 2 november 2012, NJ 2012, 630). Voorts geldt dat niet van belang is dat [gedaagde] bij toepassing van artikel 127a lid 2 Rv geen enkel belang heeft (daargelaten of dat zo is - [gedaagde] meent dat zij daarbij wel belang heeft). Het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv strekt immers niet tot bescherming van het belang van de wederpartij in de desbetreffende procedure, maar is bedoeld als prikkel tot naleving van voorschriften die vooral de strekking hebben het incassorisico van de Staat met betrekking tot het verschuldigde griffierecht te beperken. Nu CdlC zelf in haar akte uitlating heeft opgemerkt dat de materiële rechtsverhouding tussen partijen noch haar toegang tot de rechter in het geding is, is ook daarom geen sprake van onbillijkheid van overwegende aard in verband met de toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 127a ld 3 Rv.

2.8. De rechtbank zal [gedaagde] dan ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wet van de instantie ontslaan.

2.9. Gelet op het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv wordt CdlC veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. ontslaat [gedaagde] van de instantie;

3.2. veroordeelt CdlC in de proceskosten van [gedaagde], begroot op € 3.621 aan vast recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.

1980/1729