Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY7527

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
402238 / HA ZA 12-451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medisch specialist van universitair ziekenhuis is met toestemming eveneens in een ander ziekenhuis werkzaam. Universitair ziekenhuis waarschuwt ander ziekenhuis dat deze specialist niet over de vereiste vaardigheden zou beschikken. Ander ziekenhuis beëindigt samenwerkingsverband. Onrechtmatige daad van universitair ziekenhuis en/of haar bestuurder. Tussenvonnis met vragen ten behoeve van comparitie van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 402238 / HA ZA 12-451

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Bloemendaal,

eiser,

advocaat mr. B.M. Mendel,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,

zetelende te Rotterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Eijsberg.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 2] en Erasmus MC worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek met productie,

- akte uitlating productie.

1.2.. [eiser] heeft om een comparitie van partijen gevraagd omdat in deze zaak nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Erasmus MC en [gedaagde 2] hebben vonnis gevraagd. De rechtbank heeft besloten dat een comparitie van partijen wenselijk is en heeft via het roljournaal aan partijen medegedeeld dat er een vonnis zal worden gewezen waarin een comparitie van partijen wordt gelast voor de meervoudige civiele kamer.

1.3.Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is neurochirurg. Sinds [datum] is hij werkzaam bij Erasmus MC.

2.2. [gedaagde 2] was in 2010 een van de leden van de Raad van Bestuur van Erasmus MC.

2.3. Op 26 maart 2007 zijn Erasmus MC en [eiser] een vaststellingsovereenkomst aangegaan, zulks ter oplossing van een tussen hen destijds bestaand conflict. Onderdeel hiervan is dat afspraken worden gemaakt over de inrichting van het dienstverband van [eiser] met Erasmus MC voor de toekomst. Voor deze zaak is van belang dat in de vaststellingsovereenkomst de volgende bedingen voorkomen:

“5. Medewerker beëindigt zijn werkzaamheden in het kader van de Neuro-oncologie, inclusief de neuro-oncologische chirurgie in het Erasmus MC, per 1 mei 2007. (…)

7. Ten behoeve van de werkzaamheden t.b.v. het Erasmus MC zal medewerker gedurende tenminste 30 en ten hoogste 36 uur werkzaam zijn, waarvan in beginsel 3 dagen per week in het Erasmus MC.

9. Het is medewerker ongeclausuleerd toegestaan, nevenwerkzaamheden te verrichten zolang deze nevenwerkzaamheden de goede naam van het Erasmus MC en/of een goede functieuitoefening niet schaden. Medewerker zal het afdelingshoofd bij aanvang informeren over aard en omvang van deze werkzaamheden. Het bepaalde in artikel 9.3 van de CAO UMC is niet van toepassing.

10. Het Erasmus MC en Medewerker spreken af, dat partijen de onderhavige kwestie afsluiten, daaromtrent geen ruchtbaarheid geven en de inhoud van deze overeenkomst geen onderwerp van gesprek zullen laten zijn met derden met inbegrip van (ex)personeelsleden van het Erasmus MC. Een en ander behoudens wettelijke verplichtingen dan wel de handhaving in rechte van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

11. Medewerker en het Erasmus MC zullen zich nu en in de toekomst onthouden van het via de pers of op andere wijze doen van negatieve uitlatingen, in woord of geschrift, over het Erasmus MC, (ex)personeelsleden van het Erasmus MC en/of de Medewerker. Het Erasmus MC zal zo veel mogelijk bevorderen dat zijn (ex) personeelsleden zich overeenkomstig gedragen.”

2.4. Per e-mail van 16 juni 2010 bericht [eiser] aan zijn leidinggevende, prof. dr. [X], dat hij vanaf 21 juni 2010 voor twee dagen per week als neurochirurg gaat werken in het Rugcentrum van het Waterlandziekenhuis te Purmerend.

2.5. Bij brief van [gedaagde 2], geschreven in zijn hoedanigheid van lid van de Raad van Bestuur van Erasmus MC, d.d. 25 oktober 2010 wordt het volgende aan drs. [Y], voorzitter van het bestuur van het Waterlandziekenhuis, bericht:

“Vorige week had ik een telefoongesprek met uw collega mevrouw [Z]. Ik sprak met haar over een neurochirurg die bij ons in dienst is en ook aan de slag is/wil in het Waterlandziekenhuis. Gisteren hebben wij daarover ook rechtstreeks contact gehad.

Het gaat om de heer [eiser], geboren [datum]. Hij is van ca. 1980 tot 2000 werkzaam geweest in VUMC als neurochirurg. Vanaf [datum] tot 2007 is hij in wisselende arbeidsverhoudingen werkzaam geweest in het Erasmus MC. Eerst onder een gastvrijheidsverklaring, later als parttime UMS. De heer [eiser] is vanaf 2007 aangesteld in het Erasmus MC voor minimaal 30 uur en maximaal 36 uur in schaal 15, met daarbij de afspraak dat hij 30 uur werkzaamheden zal verrichten ten behoeve van het vakgebied “radiochirurgie” (Neurochirurgische bestralings-behandelingen, uit te voeren samen met een radiotherapeut). Tevens is afgesproken dat hij zich vanaf die tijd niet meer zal bezighouden met Neuro-oncologische zorg en dat hij geen Neuro-oncologische operaties meer zal doen. Dit laatste vanwege zijn onvoldoende vaardigheden.

Op 16 juni 2010 liet hij weten dat hij per 21 juni 2010 ‘aan de slag zou gaan’ in het rugcentrum van het Waterlandziekenhuis voor 2 dagen in de week, namelijk de dagen die hij niet in het Erasmus MC werkzaam is. Formeel heeft hij een voltijdsaanstelling zodat wij ontheffing moeten verlenen/c.q. toestemming geven voor het werken in een ander ziekenhuis. Zoals besproken heb ik uw contactgegevens doorgegeven aan Prof. dr. [X], afdelingshoofd Neurochirugie (tel. ……., e-mail ………) die u nader kan informeren over de feitelijke werkzaamheden van de heer [eiser] in onze organisatie.”

2.6. Op 27 oktober 2010 heeft het Waterlandziekenhuis de samenwerking met [eiser] opgezegd.

2.7. Bij brief van 16 november 2010 schrijft [X] aan [Y];

“In aansluiting op uw verzoek om inlichtingen betreffende de heer [eiser] bericht ik u het volgende.

De heer [eiser] heeft vanaf medio 2007 in het Erasmus MC geen operaties meer uitgevoerd. Te voren deed hij dit in het kader van zijn werkzaamheden omtrent de behandeling van patiënten met hersentumoren. Echter daarna zijn zijn werkzaamheden verschoven, de behandeling van hersentumoren vond plaats door anderen en collega [eiser] hield zich vanaf dat moment vooral nog bezig met radiochirurgische behandeling van neurochirurgische aandoeningen. Voorts is het zo dat collega [eiser] in het verleden wel een zeer ruime ervaring heeft opgedaan met de chirurgie van de lumbale wervelkolom. Ik weet dat hij lange tijd in VUmc en ziekenhuis De Heel te Zaandam, later het Zaans Medisch Centrum, chirurgie heeft verricht voor hernia’s en wervelkanaaltenosering.

U vroeg zich af in hoeverre een neurochirurg wat betreft de niet complexe chirurgie van de wervelkolom na een aantal jaren dit weer kan oppakken. Naar mijn mening is dit zeer wel mogelijk indien hieraan een leerperiode vooraf gaat, zoals bijvoorbeeld het samen met een ervaren chirurg opereren en daarna eventueel nog onder supervisie. Indien daarnaast ook nog een evaluatie plaatsvindt van de eerste behandelresultaten, uit te voeren door een onafhankelijk deskundige, en deze goed uitvallen, ben ik van mening dat praktijk uitoefening voor de niet complexe lumbale wervelkolomchirurgie, dat wil zeggen hernia- en stenoseoperaties, mogelijk is.”

2.8. Bij e-mail van 23 november 2010 bericht [eiser] het volgende aan [X]:

“Hierbij een excelfile met mijn operatieresultaten van de maanden juli t/m oktober.

De eerste 2 weken heb ik met collega [A] meegeopereerd en de week daarop heeft hij met mij meegeopereerd. Omdat de operaties in deze korte inwerkperiode volstrekt probleemloos en welhaast routinematig verliepen ben ik daarna alleen gaan werken. Bij mijn eerst anterieure transdiscale herniotomie in het WLZ heeft Willen [A] mij weer geassisteerd bij deze verder ook weer routinematig verlopende operatie.

Om het patiëntenbestand te karakteriseren heb ik in de tabel weergegeven leeftijd en geslacht en de operatie-indicatie en behandeling.

De resultaat-parameters spreken voor zich en variëren afhankelijk van de diagnose: radiculaire compressie (lumbaal en cervicaal),

lumbaal-kanaalstenose en cervicale myelopathie. Voor de beeldvorming heb ik als extra toegevoegd de operatieduur en het bloedverlies.

Ik heb de gegevens per PID-nummer naar eer en geweten uit het EPD van het Waterland Ziekenhuis gehaald.

Graag jouw indruk van mijn resultaten afgaande op je parate kennis en eigen ervaring met dit soort chirurgie.”

2.9. Bij e-mail van 30 november 2010 bericht [X] het volgende aan [Y]:

“Onlangs kreeg ik van dhr. [eiser] een overzicht van zijn operaties van de afgelopen periode te Purmerend in uw ziekenhuis. Hij vroeg mij hierover een oordeel uit te spreken en u te berichten.

Uit de door collega [eiser] verstrekte informatie blijkt dat hij 8 operaties met collega [A] heeft uitgevoerd en 24 alleen.

Voor zover de door hem verstrekte gegevens mij toelaten kan ik hierover zeggen dat het aantal vermeldde complicaties geheel binnen de norm valt en dat de resultaten goed lijken.

Maar ik dien hierbij aan te tekenen dat ik zelf geen enkel medisch dossier heb gezien en dat ik dus geen objectief oordeel kan vellen over de kwaliteit en resultaten van de behandelingen.”

2.10. Bij brief van 8 februari 2011 bericht [gedaagde 2] het volgende aan onder andere [Y]:

“Geachte heer [Y],

In de afgelopen tijd heb ik contact met u gezocht over de inzet van de heer [eiser] in uw ziekenhuis. Onderstaande opzet heb ik afgestemd met Prof. dr. [X]. Ook heb ik onze arbeidsjurist nog laten meekijken. Ik doe u hierbij deze opzet toekomen met het verzoek hierop formeel te reageren.

‘Op basis van een melding in het kader van de CAO bepaling inzake werken op andere tijden/locaties van dhr [eiser] hebben wij contact gehad over de mogelijk inzet van dhr [eiser] in het Waterlandziekenhuis.

Daarbij is gebleken dat mijn aandacht voor zijn mogelijkheden/kennis onvoldoende zorgvuldig is beschreven.

Zijn inzet in onze organisatie voor wat betreft de neurochirurgische ingrepen betreft specifiek de hersenchirurgie. Deze specifieke vaardigheden zijn bij een aantal stafleden geconcentreerd. Dhr. [eiser] maakt daarvan geen deel uit.

Zijn algemeen chirurgische vaardigheden zijn volgens mijn inzichten voldoende c.q. zijn met enige begeleiding snel op een adequaat niveau te brengen. Bij een inzet in het Waterlandziekenhuis, die buiten het domein van de specifieke hersenchirurgie valt, lijkt mij dhr [eiser] een goede bijdrage te kunnen leveren. Ik wil hierbij nog benadrukken dat vanaf 2007 zijn werkzaamheden in het Eramus MC geconcentreerd zijn op het deelgebied radiochirurgie en dat zijn activiteiten op het gebied van de neuro-oncologie hiermee kwamen te vervallen. Hierdoor werden door hem geen hersenoperaties meer uitgevoerd in het Erasmus MC. Hij heeft gedurende vele jaren deze chirurgie in VU Medisch Centrum en Zaan Medisch Centrum verricht.’

Is het mogelijk dat met de bovenstaande opzet de inzet van de heer [eiser] bij het Waterlandziekenhuis weer mogelijk wordt.

Graag ontvang ik uw aller reactie.”

2.11. Bij brief van 11 maart 2011 bericht [Y] aan [gedaagde 2] het volgende:

“Naar aanleiding van uw brief van 8 februari 2011 kan ik u het volgende berichten.

In overleg met het stafbestuur is besloten om op korte termijn te komen tot een businesscase neurochirurgie op basis waarvan wij een besluit zullen nemen over de toekomst van de neurochirurgie in ons ziekenhuis.

Op het moment dat ons standpunt hierover is bepaald, zal ik nader contact met u opnemen naar aanleiding van uw verzoek zoals geformuleerd in voornoemde brief.”

2.12. [eiser] heeft Erasmus MC en [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor de door hem ondervonden schade als gevolg van de berichtgeving door [gedaagde 2] aan [Y] in de brief van 25 oktober 2010.

3. De vordering

3.1. De eis van [eiser] luidt als volgt:

“dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. het Eramus MC en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van [eiser] van een bedrag van (€ 1.800.000,00 + € 25.000,00 =) € 1.825.000,00, althans tot betaling van een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie geraden acht, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der aansprakelijkstelling – zijnde 8 december 2010 – althans vanaf de dag der dagvaarding;

b. het Erasmus MC en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 6.422,00,

c. het Erasmus MC en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure.”

3.2. Kort en zakelijk weergegeven legt [eiser], tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen aan zijn vorderingen ten grondslag:

1. de berichtgeving van [gedaagde 2] (namens Erasmus MC) in de brief van 25 oktober 2010 en in het daaraan voorafgaande telefoongesprek aan het Waterlandziekenhuis klopt niet; er is geen sprake van “onvoldoende vaardigheden”. In het telefoongesprek met [Y] heeft [gedaagde 2] in strijd met de waarheid gezegd dat [eiser] een “operatieverbod had in het Erasmus MC en bovendien niet zonder toestemming van het Erasmus MC had mogen werken in Purmerend”,

2. [gedaagde 2] (namens Erasmus MC) heeft [eiser] niet vantevoren in kennis gesteld dat hij voormelde mededelingen aan het Waterlandziekenhuis zou gaan doen, zodat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden,

3. direct gevolg van deze mededelingen was dat [eiser] zijn aanstelling bij het Waterlandziekenhuis verloor,

4. hierdoor heeft hij schade (zowel materieel als immaterieel) ondervonden; hij verdiende ongeveer € 15.000,00 per maand en hij kon tot zijn 70e verjaardag in het Waterlandziekenhuis blijven werken, zodat sprake is van een directe inkomensschade van € 1.800.000.00. De immateriële schade begroot hij op € 25.000,00,

5. [eiser] was bereid de afloop van de pogingen tot schadebeperkend handelen van [gedaagde 2] (namens Erasmus MC) af te wachten. Toen bleek dat het Waterlandziekenhuis niet bereid was hem terug in dienst te nemen en [gedaagde 2] (namens Erasmus MC) niet bereid bleek zijn schade te vergoeden was het noodzakelijk deze procedure aan te vangen,

6. ten aanzien van Erasmus MC geldt dat haar voormelde berichtgeving (zie 1) een toerekenbare tekortkoming oplevert onder artikelen 10 en 11 van de vaststellingsovereenkomst. Dit levert bovendien een onrechtmatige daad op van Erasmus MC jegens [eiser],

7. ten aanzien van [gedaagde 2] geldt dat indien een bestuurder van een organisatie dermate onzorgvuldig handelt in zijn functieuitoefening dit een onrechtmatige daad van hem persoonlijk kan opleveren jegens degene ([eiser]) die door deze wijze van functieuitoefening is geschaad. [gedaagde 2] treft een ernstig persoonlijk verwijt. [eiser] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad inzake [B/C] (8 december 2006, NJ 2006, 659 inzake bestuurdersaansprakelijkheid).

4. Het verweer

4.1. Erasmus MC en [gedaagde 2] concluderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beslissing [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaart dan wel deze afwijst, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4.2. Kort en zakelijk weergegeven voeren Eramus MC en [gedaagde 2], tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen als verweer aan:

a. [gedaagde 2] (namens Erasmus MC) maakte zich zorgen over de veiligheid van patiënten omdat [eiser] in 2000 - 2006 slechts sporadisch had geopereerd en vanaf 2007 helemaal niet meer. In de vijf jaar voorafgaand aan zijn indiensttreding bij het Waterlandziekenhuis had hij slechts 7 operaties aan de wervelkolom verricht terwijl hij zich in dit ziekenhuis juist met dit soort operaties zou gaan bezighouden,

b. [gedaagde 2] is hier niet zelf over begonnen maar [Y] vroeg er naar en toen heeft hij verteld dat [eiser] vanaf 2007 geen operaties meer verrichtte. Aldus is geen sprake van negatieve uitlatingen maar van een weergave van een waarheidsgetrouw beeld. Om die reden is er dan ook sprake van “onvoldoende vaardigheden”,

c. Raden van bestuur van zorginstellingen hebben een bijzondere verantwoordelijkheid als zij kennis hebben van omstandigheden die een goede en verantwoorde zorg zouden kunnen bedreigen, zie het KNMG-kwaliteitskader en publicaties van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Ook vanuit die verantwoordelijkheid heeft [gedaagde 2] namens Erasmus MC contact opgenomen met het Waterlandziekenhuis,

d. het Erasmus MC als werkgever van [eiser] had bovendien een eigen belang. Foutief medisch handelen van [eiser] zou ook op haar kunnen afstralen,

e. voor enige privé-aansprakelijheid van [gedaagde 2] is geen plaats. Duidelijk is dat hij heeft gehandeld vanuit zijn verantwoordelijkheid van en in zijn hoedanigheid van lid van de Raad van Bestuur,

f. Erasmus MC heeft direct, nadat zij op de hoogte geraakte van de beslissing van het Waterlandziekenhuis om de samenwerking met [eiser] te beëindigen, contact met haar opgenomen om haar te informeren over de mogelijkheden van [eiser] om succesvol de niet complexe chirurgie van de wervelkolom weer op te pakken,

g. het Waterlandziekenhuis ging hier echter niet op in. Gebleken is dat niet de twijfel over zijn vaardigheden de oorzaak was om de samenwerking te beëindigen maar veeleer de omstandigheid dat [eiser] voor aanvang van zijn werkzaamheden in het Waterlandziekenhuis geen openheid heeft betracht over zijn recente operatie-ervaring. [Y] heeft medegedeeld dat dit gebrek aan informatie de reden was om de samenwerking met [eiser] te beëindigen. [eiser] heeft aan [X] gezegd dat hij zijn recente operatie-ervaring in zijn contacten met het Waterlandziekenhuis in het midden heeft gelaten,

h. er is geen causaal verband tussen de uitlatingen van [gedaagde 2] namens Erasmus MC en de gestelde schade van [eiser]. Gebleken is namelijk, kort gezegd, dat er binnen het Waterlandziekenhuis onvoldoende financiële ruimte voorhanden was om een praktijk te voeren waarin [eiser] als tweede neurochirurg een rol kon spelen,

i. de gestelde schade wordt om diverse redenen betwist.

5. De voorlopige beoordeling

5.1. Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten om informatie in te winnen, partijen de gelegenheid te geven hun standpunt toe te lichten en om de mogelijkheden van een schikking te onderzoeken.

5.2. De rechtbank heeft de volgende vragen c.q. verzoekt om nadere stukken:

1. [eiser] en Erasmus MC: wat is de aard van het dienstverband van [eiser] met het Erasmus MC? Is dit een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 e.v. BW, een ambtelijke aanstelling of anderszins? Indien sprake is van een arbeidsovereenkomst is van belang dat de rechtbank ambtshalve op grond van artikel 94 lid 2 Rv moet beoordelen of de zaak niet moet worden verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank;

2. [eiser]: wat is de aard van de samenwerking met het Waterlandziekenhuis: arbeidsovereenkomst, ambtelijke aanstelling of anderszins? Hoe is deze samenwerking afgewikkeld? [eiser] dient over zijn aanstelling en de afwikkeling hiervan stukken over te leggen;

3. [eiser]: afhankelijk van de vraag welk regime van toepassing is op het dienstverband tussen [eiser] en Erasmus MC; aan welke (contractuele of wettelijke) norm moet de rechter toetsen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van aansprakelijkheid van Erasmus MC?

4. [eiser]: [gedaagde 2] heeft niet privé, maar in zijn hoedanigheid van lid van de Raad van Bestuur van Erasmus MC met het Waterlandziekenhuis gecommuniceerd. Welke norm heeft hij geschonden jegens [eiser]? De sub 3.2. onder 7 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ziet op bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurder indien de vennootschap een verbintenis uit wet of overeenkomst niet kan nakomen. Dat lijkt in deze zaak niet van toepassing te zijn;

5. Eramus MC en [gedaagde 2]: wist [gedaagde 2] van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst? Hoe had [gedaagde 2] zich inhoudelijk op de hoogte gesteld van de bekwaamheden van [eiser]? Om welke reden heeft [gedaagde 2] niet [eiser] om zijn visie gevraagd voordat hij met het Waterlandziekenhuis in contact trad? Wanneer wist [gedaagde 2], gelet op de e-mail van [eiser] aan [X] d.d. 16 juni 2010, dat [eiser] werkzaamheden verrichtte in het Waterlandziekenhuis?

6. [eiser]: een gespecificeerde onderbouwing van zijn vordering betreffende inkomstenderving, gestaafd met bewijsstukken.

5.3. Nadat de vragen van de rechtbank ter zitting zijn beantwoord krijgen de advocaten van partijen ieder een kwartier de tijd om zonodig de standpunten toe te lichten.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, ter beproeving van een minnelijke regeling en toelichten van de standpunten op de terechtzitting van de rechtbank, meervoudige civiele kamer, in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.2. bepaalt dat [eiser] en [gedaagde 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat Erasmus MC dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 januari 2013 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met april 2013, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

6.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

6.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting 3 uur zal worden uitgetrokken,

6.7. bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

6.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, mr. W.J. Wetzels en mr. M.V. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.

1354/1404/1278