Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY7445

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
1356358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Gelet op karakter van de voorlopige hechtenis, waarbij telkens sprake is van een verlenging voor een beperkte periode en vooraf niet vaststaat wat uiteindelijk de totale duur zal zijn, kan niet zonder meer worden geoordeeld dat de huurder die wegens voorlopige hechtenis niet in het gehuurde blijft, niet meer voldoet aan zijn verplichting om zijn hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Voor dat oordeel zijn meer omstandigheden vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/42

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[opposant],

wonende te [woonplaats],

opposant,

gemachtigde: mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam,

tegen

[geopposeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geopposeerde,

gemachtigde: mr. T.A. Vermeulen, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[opposant]’ en ‘[geopposeerde]’.

1. Het verloop van het proces

1.1. [geopposeerde] heeft bij inleidende dagvaarding van 15 maart 2012 gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [locatie] (hierna: het gehuurde) te ontbinden, [opposant] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde onder afgifte van de sleutels en hem te veroordelen in de proceskosten.

1.2. Bij verstekvonnis van 27 april 2012 met zaaknummer 1336069 CV EXPL 12-17836 heeft de kantonrechter:

- de huurovereenkomst ontbonden en [opposant] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [opposant] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van [geopposeerde] te stellen;

- [opposant] veroordeeld in de proceskosten, tot aan die uitspraak aan de zijde van [geopposeerde] vastgesteld op € 199,64 aan verschotten en € 30,00 aan salaris voor de gemachtigde;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.3. Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

- de verzetdagvaarding van 6 juni 2012, met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in oppositie, met bijlagen;

- het tussenvonnis van 23 juli 2012, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- de brief van 30 juli 2012 van de gemachtigde van [geopposeerde] met 8 bijlagen;

- het proces-verbaal van de op 10 september 2012 gehouden comparitie van partijen;

- de conclusie van repliek in oppositie.

1.4. De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1. Tussen partijen is op 22 juni 2006 een huurovereenkomst gesloten. In de huurovereenkomst is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

“(…)

Artikel 2

Het gehuurde is uitsluitend bestemd om voor huurder en de leden van zijn huishouden als woonruimte te dienen.

(…)

Artikel 5

5.1.

Huurder verklaart gedurende de huurovereenkomst woonplaats te hebben gekozen in het gehuurde en zich als zodanig te laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie.

(…)

Artikel 7

7.1.

Op deze overeenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 01 januari 2004 van verhuurster van toepassing.

(…)”

2.2. In de Algemene Huurvoorwaarden is - voor zover hier van belang - het volgende het volgende bepaald:

“(…)

8.4. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken.

(…)

8.10. Huurder mag niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurster het gehuurde in zijn geheel of gedeeltelijk onderverhuren of in gebruik geven aan derden. Voor het onderverhuren of in gebruik geven van een gedeelte van het gehuurde zal verhuurster die toestemming geven mits huurder zelf het gehuurde als hoofdverblijf heeft en er geen sprake is van overbewoning waardoor verhuurster schade zou kunnen lijden.

(…)”

2.3. [opposant] is in november 2010 in preventieve hechtenis genomen en is per 1 mei 2012 in afwachting van het strafproces weer in vrijheid gesteld.

2.4. Bij verstekvonnis van 21 oktober 2011 heeft de kantonrechter [opposant] veroordeeld tot betaling van € 2.064,71 aan huurachterstand tot en met september 2011, rente en buitengerechtelijke kosten en voorts heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [opposant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde.

2.5. Bij brief van 28 november 2011 gericht aan [A] met als onderwerp: ‘[geopposeerde] Delfshaven / [opposant]’ heeft deurwaarderskantoor GGN - voor zover hier van belang - het volgende bericht:

“(…)

Hierbij bevestigen wij de met u getroffen betalingsregeling van € 330,00 per maand, naast de lopende (huur)termijnen. (…)

Indien de regeling niet stipt wordt nagekomen en/of de lopende (huur)termijnen niet correct worden betaald, zal deze komen te vervallen en is de gehele vordering ineens opeisbaar. (…)”

2.6. [opposant] is deze betalingsregeling nagekomen en heeft de huurachterstand ingelopen.

2.7. Op het adres van het gehuurde heeft mevrouw [B] ingeschreven gestaan.

2.8. Bij brief van 14 februari 2012 heeft Eneco de heer [C] welkom geheten als nieuwe klant op het adres van het gehuurde.

3. De vordering (in verzet) en het verweer

3.1. [opposant] heeft bij verzetdagvaarding gevorderd hem te ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij verstekvonnis van 27 april 2012 en opnieuw rechtdoende [geopposeerde] in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans te ontzeggen of af te wijzen en [geopposeerde] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

3.2. Aan zijn vordering in oppositie heeft [opposant] - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [opposant] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de door [geopposeerde] gestelde tekortkomingen. [opposant] heeft de woning zelf bewoond en heeft de woning niet onderverhuurd. Het was [geopposeerde] bekend dat hij gedetineerd was en [A] zijn zaken regelde. Bovendien is met [A] afgesproken dat [opposant] ondanks zijn detentie de woning mocht behouden mits hij de betalingsregeling van november 2011 stipt zou nakomen.

3.3. [geopposeerde] heeft de vordering betwist, haar oorspronkelijke vordering gehandhaafd en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [opposant] heeft niet zelf in het gehuurde gewoond, omdat hij gedurende een periode van meer dan één jaar gedetineerd was. Voorts heeft [opposant] het gehuurde aan een derde ter beschikking gesteld, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven. Deze tekortkomingen rechtvaardigen elk op zich, maar zeker in onderlinge samenhang ontbinding van de huurovereenkomst.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of sprake is van een zodanige toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [opposant] dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en tevens de ontruiming van het gehuurde.

4.2. Vaststaat dat [opposant] gedurende de periode van november 2010 tot mei 2012 wegens voorlopige hechtenis niet in het gehuurde heeft kunnen verblijven. Naar het oordeel van de kantonrechter, kan gelet op het karakter van de voorlopige hechtenis, waarbij telkens sprake is van een verlenging voor een beperkte periode en vooraf niet vast staat wat uiteindelijk de totale duur zal zijn, niet zonder meer worden geoordeeld dat de huurder die wegens voorlopige hechtenis niet in het gehuurde verblijft, niet meer voldoet aan zijn verplichting om zijn hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Voor dat oordeel zijn meer omstandigheden vereist. Dat in de onderhavige zaak sprake is van bijkomende omstandigheden, die tot gevolg hebben dat moet worden geoordeeld dat [opposant] niet meer zijn hoofdverblijf in het gehuurde had, is de kantonrechter onvoldoende gebleken. Weliswaar heeft [geopposeerde] aangevoerd dat [opposant] het gehuurde zonder toestemming aan een derde ter beschikking heeft gesteld, echter tegenover de betwisting van [opposant] heeft [geopposeerde] ter onderbouwing van deze stelling onvoldoende aangevoerd. Het enkele feit dat [B] in 2011 op het adres van het gehuurde ingeschreven heeft gestaan en het feit dat in februari 2012 Eneco de heer [C] op het adres van het gehuurde als nieuwe klant heeft verwelkomd, zijn daarvoor onvoldoende. Het had op de weg van [geopposeerde] gelegen nadere omstandigheden te stellen, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [opposant] de woning feitelijk aan een derde ter beschikking heeft gesteld, bijvoorbeeld met verklaringen van omwonenden. De duur van de voorlopige hechtenis, ook al is deze uitzonderlijk lang, biedt in dit geval evenmin aanleiding om anders te oordelen. Uit de door [geopposeerde] bij conclusie van antwoord in oppositie als productie 5 en 6 in het geding gebrachte email correspondentie van 20 januari 2011, blijkt dat [geopposeerde] op dat moment bekend is geworden met het feit dat [opposant] zich in voorlopige hechtenis bevond. Niet gebleken is dat dit voor [geopposeerde] op dat moment aanleiding is geweest dit nader te onderzoeken en [opposant] hierop aan te schrijven. Toen vervolgens enkele maanden later sprake was van een huurachterstand heeft [geopposeerde] in de dagvaarding uitsluitend de huurachterstand als grondslag voor de gevorderde ontbinding en ontruiming gesteld en is onder de vigeur van het verstekvonnis een betalingsregeling getroffen. Kennelijk heeft [geopposeerde] destijds geen aanleiding gezien om het niet verblijven in de woning door [opposant] aan te grijpen om tot een beëindiging te komen van de huurovereenkomst. Onder die omstandigheden ziet de kantonrechter thans – op het moment dat [opposant] niet meer in voorlopige hechtenis is en weer in de woning verblijft - in de duur van de voorlopige hechtenis geen aanleiding daartoe over te gaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [opposant] is tekortgeschoten in zijn verplichting om zijn hoofdverblijf in het gehuurde te hebben.

4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt reeds dat [geopposeerde] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar tweede grondslag. Nu onvoldoende is gebleken dat [opposant] (zonder toestemming) het gehuurde aan een derde ter beschikking heeft gesteld, kan op die grond evenmin worden geoordeeld dat [opposant] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen.

4.4. Nu de door [geopposeerde] gestelde tekortkomingen in rechte niet zijn komen vast te staan, is er geen grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en heeft dit tot gevolg dat het verstekvonnis van 27 april 2012 dient te worden vernietigd.

4.5. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geopposeerde] worden veroordeeld in de kosten van deze verzetprocedure. Aangezien bovenaan de dagvaarding is vermeld dat er een toevoeging is aangevraagd, maar die toevoeging nog niet is overgelegd, worden de proceskosten als na te melden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in oppositie:

vernietigt het onder zaaknummer 1336069 CV EXPL 12-17836 tussen partijen gewezen verstekvonnis van 27 april 2012;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geopposeerde] af;

veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten van [opposant] en bepaalt, dat indien de toevoeging wordt verleend dat die kostenbetaling dient te geschieden als volgt:

€ 90,64 aan dagvaardingskosten, welk bedrag op bankrekening 56 99 90 688 t.n.v. MvJ Arrondissement Rotterdam onder vermelding van het zaaknummer moet worden overgemaakt, alsmede

€ 300,00 aan salaris voor zijn gemachtigde, rechtstreeks aan die gemachtigde te voldoen;

bepaalt, dat in het geval geen toevoeging wordt verleend betaling van boven genoemde bedragen dient plaats te vinden rechtstreeks aan [opposant];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F.A. van Buitenen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.