Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY7422

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
363887 / HA ZA 10-2967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdhuur- en onderhuurovereenkomsten. Huurder onder onderhuurovereenkomst verrnietigt wegens dwaling. Door betalingsbeding in hoofdhuurovereenkomst ontvangt ook hoofdhuurder geen huur meer. Beroep op dwaling onrechtmaig jegens hoofdhuurder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 363887 / HA ZA 10-2967

Vonnis van 5 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANACONDA B.V.,

gevestigd te Zevenbergen,

eiseres,

advocaat mr. O.E. Meijer,

tegen

de rechtspersoon naar het recht harer vestiging

WILMAR OLEO PTE LTD,

gevestigd te Singapore,

gedaagde,

advocaat mr. R.J. van Agteren.

Partijen zullen hierna “LST” en “Wilmar” genoemd worden.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 20 juli 2011.

1.2. Vervolgens heeft Wilmar een conclusie van antwoord genomen en daarbij 21 producties in het geding gebracht.

LST heeft een conclusie van repliek genomen.

Wilmar heeft een conclusie van dupliek genomen en daarbij twee producties overgelegd.

De advocaten van partijen hebben de respectieve standpunten bepleit onder overlegging van hun pleitaantekeningen. Bij die gelegenheid heeft ieder van partijen nog een productie in het geding gebracht. Van de pleidooizitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.3. Tenslotte is vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. De rechtbank merkt de volgende – voor deze beslissing van belang zijnde – feiten als tussen partijen vaststaand aan, omdat deze enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist zijn dan wel blijken uit de in zoverre niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan.

2.2. Bij drie op 14 augustus 2008 gedateerde overeenkomsten (a) heeft LST het haar in eigendom toebehorende tankpark met leidingstelsel en steiger te Vlaardingen (hierna: de Site) verhuurd aan [DHM] (hierna: DHM), (b) heeft DHM de Site onderverhuurd aan Continental Tank Storage B.V. (hierna: CTS) en (c) heeft CTS de Site onderverhuurd aan Wilmar ten behoeve van de opslag van “Fatty Acid Methyl Esters” (hierna: FAME). De drie overeenkomsten zijn aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande 1 september 2008, en bevatten gelijkluidende opzeggingsregelingen inhoudende tussentijdse beëindiging met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Ook overigens bevatten de drie overeenkomsten – voor zover in deze van belang – nagenoeg gelijkluidende bepalingen. Echter, in de overeenkomst tussen DHM en CTS is in artikel 3.3 de bepaling opgenomen: “However, CTS shall never be obliged to pay an invoice before CTS has received payment from Wilmar for the tank rent of the month that is covered by that invoice”. In de consideransen van elk van de drie overeenkomsten wordt verwezen naar de totstandkoming van de andere twee overeenkomsten; voorts is die totstandkoming een opschortende voorwaarde in elk van de overeenkomsten.

Op 14 augustus 2008 is voorts tussen genoemde vier partijen een overeenkomst (hierna: het paraplucontract) gesloten met de strekking – samengevat weergegeven – dat, indien DHM, dan wel CTS wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is aan haar respectieve verplichtingen te voldoen, dan de in de keten van overeenkomsten naastliggende partij de positie van DHM, respectievelijk CTS zal overnemen.

2.3. Tussen de vier partijen was voorzien dat DHM ten behoeve van (CTS en) Wilmar diensten als douane-expediteur of fiscaal vertegenwoordiger zou verrichten. Toen in september 2008 bleek dat DHM niet kon voldoen aan de vanwege Wilmar verlangde dienstverlening, is DHM uitgestapt uit de contractsketen tussen enerzijds LST en anderzijds CTS. Vervolgens is op 1 oktober 2008 een nieuwe overeenkomst tussen LST en CTS ondertekend waaronder LST de Site aan CTS verhuurt op min of meer dezelfde voorwaarden als onder de overeenkomsten van 14 augustus 2008. In de overeenkomst tussen LST en CTS is in artikel 3.3 de bepaling opgenomen: “However, CTS shall never be obliged to pay an invoice before CTS has received payment from Wilmar for the tank rent of the month that is covered by that invoice”. Tussen LST en CTS is een huurprijs voor de Site overeengekomen ter grootte van 80% van de huurprijs tussen CTS en Wilmar.

2.4. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft Wilmar met een beroep op dwaling de vernietiging ingeroepen van de overeenkomst tussen haar en CTS, subsidiair de overeenkomst tegen 3 februari 2010 opgezegd.

2.5. Wilmar heeft vanaf augustus 2009 geen huur meer betaald aan CTS. CTS heeft sedertdien geen huur meer betaald aan LST.

2.6. Bij vonnis van 8 december 2009 is CTS in staat van faillissement verklaard. LST heeft de overeenkomst tussen haar en CTS opgezegd tegen 1 december 2009. LST heeft haar vordering wegens huur onder die overeenkomst ingediend bij de curatoren in het faillissement van CT.

3. De vordering

3.1 LST vordert – kort gezegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Wilmar zal veroordelen om aan haar te betalen € 1.188.000,-, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.

Daartoe stelt LST – samengevat weergegeven – het volgende.

3.2. Partijen stond het doel voor ogen dat LST haar Site aan Wilmar zou verhuren. CTS is als tussenschakel betrokken geraakt omdat CTS de partijen Wilmar en LST bij elkaar had gebracht. Het verschil in huurprijs tussen die onder de overeenkomst tussen CTS en Wilmar enerzijds en die onder de overeenkomst tussen LST en CTS anderzijds vormde de vergoeding voor dat bij elkaar brengen.

3.3. Zowel bij het aangaan van de overeenkomsten tot medio augustus 2008 als bij de uitvoering daarvan is contact geweest tussen LST en Wilmar. Wilmar was er (uiterlijk in maart 2009) mee bekend dat in de huurovereenkomst tussen LST en CTS was bedongen dat van de door Wilmar aan CTS te betalen huurpenningen 80% diende te worden doorbetaald aan LST en dat CTS niet verplicht was tot betaling aan LST zolang CTS geen betaling van Wilmar had ontvangen.

3.4. Wilmar heeft zich ten onrechte op dwaling beroepen en ten onrechte de vernietiging van de overeenkomst met CTS ingeroepen. Wilmar stelt daartoe dat zij er niet mee bekend was dat geen zeeschepen aan de Site konden afmeren, althans geen zeeschepen die niet langer zijn dan de steiger of niet dieper steken dan 8 meter en geen groter draagvermogen hebben dan 10.000 ton dwt. Ten onrechte, omdat Wilmar vóór het sluiten van de overeenkomst bekend was met de Site en de eigenschappen van de steiger en wist welke beperkingen voor aan de steiger af te meren schepen golden. Er kunnen wel zeeschepen afmeren aan de steiger. Daarom gaat het beroep op dwaling niet op en pleegt Wilmar jegens CTS wanprestatie door de overeengekomen huur niet te betalen.

3.5. Gegeven de samenhang tussen de twee huurovereenkomsten, het belang van LST bij betaling van de huur door Wilmar aan CTS en de bekendheid van Wilmar bij dat belang, handelt Wilmar onrechtmatig jegens LST door zich met een ongefundeerd beroep op dwaling aan haar betalingsverplichting ten opzichte van CTS te onttrekken en daardoor LST schade te berokkenen.

3.6. Door de wanbetaling van Wilmar is CTS in faillissement geraakt.

3.7. Zou Wilmar niet de vernietiging van de overeenkomst met CTS hebben ingeroepen, maar deze regelmatig hebben opgezegd, dan zou LST van CTS over de opzegtermijn € 1.188.000,- aan huurtermijnen hebben ontvangen. Dat bedrag vormt daarom de aan de onrechtmatige daad van Wilmar toe te rekenen schade.

3.8. Anders dan Wilmar betoogt, behoeft de beoordeling van de vordering niet te worden aangehouden in afwachting van acties vanwege de curatoren van CTS, of vanwege de pandhouder Banque Artesia (hierna: Artesia). De diverse geschillen staan los van elkaar.

4. Het verweer

4.1. De conclusie van Wilmar strekt – kort gezegd – tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van LST in de proceskosten, te vermeerderen met rente, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

Daartoe voert Wilmar – samengevat weergegeven – het volgende aan.

4.2. Wilmar was niet bekend met de verdeling van de van Wilmar te ontvangen huuropbrengsten in 80% voor LST 20% voor CTS, evenmin met het bestaan van het beding tussen hen “However, CTS shall never be obliged to pay an invoice before CTS has received payment from Wilmar for the tank rent of the month that is covered by that invoice”(zie rov. 2.3). .

4.3. Wilmar was niet betrokken bij de (totstandkoming van de) overeenkomst tussen LST en CTS van 1 oktober 2008. Noch tussen de partijen, noch tussen de overeenkomsten tussen Wilmar en CTS enerzijds en CTS en LST anderzijds bestaat zodanige samenhang dat Wilmar daarom rekening behoorde te houden met de belangen van LST. De overeenkomst tussen Wilmar en CTS volgt niet uit het paraplucontract, dat slechts het surseance- of faillissementsrisico beschermde dat zich ten aanzien van DHM niet voordeed. Het paraplucontract voorziet niet in samenwerking tussen de partijen en draagt niet bij tot een zorgplicht van Wilmar ten opzichte van LST. Toen Wilmar in augustus 2008 met CTS contracteerde en het paraplucontract sloot, kon zij niet bekend zijn met de inhoud van de pas in oktober 2008 gesloten overeenkomst tussen LST en CTS.

4.4. Wilmar stoelt haar beroep op dwaling op haar in de periode vóór het sluiten van het huurcontract met CTS en het paraplucontract, dus vóór 14 augustus 2008 ten onrechte niet bekend gemaakte feiten en omstandigheden. Wilmar betwist dat zij voor wat betreft het beroep op dwaling rekening diende te houden met belangen van LST.

4.5. Wilmar huurde de Site onder meer om aldaar zeeschepen te kunnen lossen van 20.000 tot 30.000 ton dwt die zij gewoonlijk inzet voor het vervoer van FAME uit Azië. Voorafgaande aan het sluiten van de huurovereenkomst heeft Wilmar gesproken met [A] van CTS, die wist dat Wilmar met dergelijke schepen FAME naar Europa bracht. Toen, echter, Wilmar in oktober 2008 aankondigde dat een dergelijk schip, de “Bunga Melati Dua”, bij de Site FAME zou komen lossen, kreeg zij van de Havenautoriteiten te horen dat het schip daar niet mocht afmeren, omdat het een zeeschip betrof en omdat het draagvermogen meer dan 10.000 ton was. Een maximaal toegelaten draagvermogen van 10.000 ton was Wilmar niet bekend (gemaakt). Uit een e-mail van [A] van CTS aan [B] van Wilmar van 24 oktober 2008 (productie 18 zijdens Wilmar) blijkt dat CTS zich als verhuurder geroepen voelde om op te lossen de klacht van Wilmar dat deze geen zeeschepen en niet met een groter draagvermogen dan 10.000 ton bij de Site mocht lossen. Daaruit volgt dat Wilmar zich niet ten onrechte op het standpunt stelde dat zij met dergelijke schepen bij de Site mocht komen. De beperkingen zijn niet opgelost. Daarom heeft Wilmar de vernietiging van de huurovereenkomst ingeroepen met een beroep op dwaling.

4.6. CTS heeft zich jegens LST op dezelfde dwalingsgrond beroepen als Wilmar. Voor beoordeling van de onderhavige zaak is daarom vereist dat eerst wordt beoordeeld of CTS zich al dan niet terecht jegens LST op dwaling heeft beroepen.

4.7. Omdat de curatoren in het faillissement van CTS, mede optredende namens Artesia, Wilmar in oktober 2012 gaan dagvaarden, dient de beslissing in de onderhavige zaak te worden aangehouden.

5. De beoordeling

5.1. Partijen zin het erover eens dat zowel de vordering van LST als de overeenkomsten tussen enerzijds LST en CTS en anderzijds CTS en Wilmar door Nederlands recht worden beheerst.

De rechtbank zal dat dienovereenkomstig toepassen.

5.2. De overeenkomst tussen LST en CTS van 1 oktober 2008 laat zich kwalificeren als een huurovereenkomst. De overeenkomst tussen CTS en Wilmar van 14 augustus 2008 laat zich kwalificeren als een onderhuurovereenkomst.

5.3. LST stelt dat Wilmar haar schade heeft berokkend en jegens haar aansprakelijk is uit onrechtmatige daad doordat Wilmar de onderhuurovereenkomst met een beroep op dwaling heeft vernietigd zonder werkelijk te hebben gedwaald en Wilmar heeft nagelaten de huurtermijnen over de periode van de opzegtermijn, augustus 2008 – 3 februari 2009 te betalen.

5.4. Een overeenkomst schept slechts voor de partijen bij die overeenkomst verbintenissen; een derde is daaraan niet gebonden en kan in beginsel daaraan geen rechten ontlenen. Echter, indien de belangen van een derde zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat de derde schade of ander nadeel lijdt indien een partij bij die overeenkomst tekortschiet bij die uitvoering, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengen dat die partij bij de overeenkomst die belangen van de derde dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, dient de rechter alle terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling te betrekken. Zie HR 24 september 2004, LJN AO9069; NJ 2008/587.

5.5. De – tussen partijen vaststaande – omstandigheden dat het Wilmar bekend was dat LST de hoofdverhuurder van de Site was en dat CTS de Site in onderhuur aan Wilmar gaf

– los van de vraag of het Wilmar bekend was dat de tussenschakel DHM er in september 2008 uit was gevallen – brengt mee dat Wilmar heeft behoren te begrijpen dat haar wanbetaling van huur onder de onderhuurovereenkomst gevolgen zou kunnen hebben voor betaling van huur onder de hoofdhuurovereenkomst met LST. Echter, die enkele omstandigheid is niet voldoende om te kunnen concluderen dat de belangen van LST zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van de onderhuurovereenkomst dat LST door de wanbetaling door Wilmar onder de onderhuurovereenkomst schade lijdt, zodat de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt zouden meebrengen dat Wilmar met deze belangen van LST rekening diende te houden.

Dat ligt, echter, anders indien, zoals LST stelt, Wilmar ermee bekend was dat CTS ingevolge artikel 3.3 van de hoofdhuurovereenkomst slechts aan LST huur verschuldigd was indien zijzelf onder de onderhuurovereenkomst betaling van Wilmar had ontvangen (zie rov. 2.3). Wilmar betwist haar bekendheid daarmee gemotiveerd, waarbij zij erop wijst dat de overeenkomst tussen LST en CTS pas op 1 oktober 2008 tot stand is gekomen en deze niet was voorzien in het paraplucontract. De bewijslast van de bekendheid van Wilmar ligt ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv bij LST.

5.6. Wilmar rechtvaardigt haar niet-betalen van huur onder de onderhuurovereenkomst met haar op dwaling gegronde buitengerechtelijke vernietiging van die overeenkomst per 3 augustus 2009. In beginsel is daarom geen sprake van niet behoorlijke uitvoering van de onderhuurovereenkomst door Wilmar, omdat zij met haar vernietiging gebruik maakte van een haar ingevolge de wet toekomende bevoegdheid.

LST stelt feiten en omstandigheden op grond waarvan het beroep van Wilmar op dwaling niet zou opgaan, maar daarmee is in de rechtsverhouding tussen Wilmar en CTS het beroep op dwaling nog niet van de baan. Dat zou wel zo zijn indien tussen Wilmar en CTS zou zijn vastgesteld dat Wilmar geen beroep op dwaling toekomt. Op verzoek van de curatoren van CTS en de pandhouder Artesia is (mede) in dat kader een voorlopig getuigenverhoor gehouden waarbij Wilmar als verweerster optrad. Wilmar heeft aangevoerd dat curatoren en Artesia een procedure tegen haar zouden aanspannen in oktober 2012 en dat de beoordeling in de onderhavige zaak op de beoordeling in die zaak zou moeten wachten. LST heeft aangevoerd dat de beoordeling niet dient te worden aangehouden. Navraag bij de griffie heeft geleerd dat tot op de dag van de uitspraak geen zaak tussen de curatoren van CTS en/of Artesia en Wilmar is ingeschreven. Een en ander afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding de beslissing in deze zaak aan te houden totdat in een (latere) procedure tussen de curatoren van CTS en/of Artesia en Wilmar zal zijn geoordeeld over het beroep van laatstgenoemde op dwaling.

5.7. Indien Wilmar met haar op dwaling gegronde vernietiging van de onderhuurovereenkomst misbruik van bevoegdheid zou hebben gemaakt, zou evenzeer gelden dat zij de daarbij betrokken belangen van LST zou behoren te ontzien. LST stelt feiten en omstandigheden op grond waarvan het beroep van Wilmar op dwaling niet zou opgaan, maar dat is niet voldoende om tot misbruik van bevoegdheid te kunnen concluderen. Misbruik van de bevoegdheid om op dwaling beroep te doen is gesteld noch gebleken.

5.8. Op het vorenstaande stuit de vordering af.

5.9. De rechtbank zal LST als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Wilmar gevallen proceskosten veroordelen.

Wilmar heeft aan griffierecht € 4.951,- betaald. Het salaris voor de advocaat zal worden bepaald op basis van 4 punten in het bij de vordering behorende Liquidatietarief VIII.

Tegen de door Wilmar verzochte uitvoerbaar verklaring bij voorraad heeft LST geen verweer gevoerd, zodat de veroordeling dienovereenkomstig zal worden uitgesproken.

Wilmar heeft – naast de verzochte uitvoerbaar verklaring bij voorraad – geen belang bij de door haar verzochte bepaling in het vonnis dat over het bedrag van de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd wordt mocht LST deze niet binnen veertien dagen voldoen. Immers, met het uitspreken van de veroordeling ligt de verschuldigdheid vast, afgezien van een latere vernietiging van het vonnis, en dient LST de schuld binnen een redelijke betalingstermijn van veertien dagen te voldoen, bij gebreke waarvan LST in verzuim verkeert. Mocht Wilmar de procedure van tenuitvoerlegging van het vonnis volgen, dan zal de betalingstermijn in het betekeningsexploot worden vermeld.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten, tot deze uitspraak bepaald op € 4.951,- aan griffierecht en € 12.844,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.

1928