Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY6961

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
10/820012-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval met vrachtwagencombinatie op de A20 nabij knooppunt Terbregseplein.

De verdachte heeft met de cruise control ingesteld op 81 kilometer per uur gereden in druk en vertragend verkeer met dreigende filevorming. Hij heeft onvoldoende opgelet op het verkeer voor hem en niet opgemerkt dat de signaleringsborden een snelheid aangaven van 50 kilometer per uur. Hij heeft een kampeerwagen van achteren aangereden, die

is weg gestoten en met nagenoeg onveranderde snelheid achterop de personenauto gereden waarin het zevenjarige slachtoffer zich bevond.

Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag is aangenomen. Overtreding van artikel 6 WVW 1994 is bewezen verklaard. Oplegging voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een werkstraf voor de duur van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schade, bestaande uit shockschade, ter hoogte van € 6.250,-.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 4, geldigheid: 2012-12-20
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2012-12-20
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2012-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/820012-12

Datum uitspraak: 20 december 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op xx-xx-1961 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsvrouw mr. C.B. Bos, advocaat te Nijkerk.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaar, en tot een werkstraf van 150 uren, bij niet verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen, alsmede oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 januari 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A20, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl er sprake was van filevorming en de rijstrooksignaleringsborden, voorzien van gele knipperende lampen, over een afstand van ongeveer 1.700 meter boven de rijbaan gewijzigde maximumsnelheden van 70 en 50 km/uur aangaven,

ondanks die (wisselende) gewijzigde maximumsnelheden en inmiddels langzamer rijdend verkeer met cruise-control afgesteld op circa 81 km/uur heeft gereden en is blijven rijden

en

(gezien die te hoge snelheid) op een te korte afstand achter een kampeerwagen heeft gereden en hij, verdachte, aldus rijdende niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

te laat heeft opgemerkt dat de afstand tussen zijn voertuig en die vóór hem rijdende kampeerwagen inmiddels zodanig klein was geworden dat een botsing of aanrijding dreigde en ondanks zeer krachtig remmen in botsing is gekomen met de achterzijde van meergenoemde kampeerwagen,

als gevolg waarvan

- die kampeerwagen werd weggestoten, is doorgerold en via de in de middenberm gelegen geleiderail tegen de achterzijde van een personenauto (Mazda) is gebotst, en (vervolgens)

- die Mazda tegen de achterzijde van een vóór die Mazda rijdend voertuig is gebotst,

waardoor een inzittende van die Mazda, geheten [slachtoffer 1], werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Standpunt verdediging

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij wel heeft waargenomen dat de signaleringsborden een snelheid van 70 kilometer per uur aangaven en dat hij zich realiseerde dat er sprake kon zijn van een bijzondere verkeerssituatie. Vanuit zijn hoge positie kon hij naar zijn idee echter de verkeerssituatie goed overzien en zag hij geen aanleiding zijn snelheid naar beneden toe aan te passen. Hij is daarom, terwijl zijn vrachtwagencombinatie op de cruise control stond, met een snelheid van 81 kilometer per uur doorgereden.

De verdachte heeft voorts verklaard niet te hebben gezien dat de signaleringsborden ter hoogte van hectometer 36,0 en 36,6 een maximum snelheid aangaven van 50 kilometer per uur. Hij heeft evenmin waargenomen dat het verkeer aan het afremmen was nabij deze signaleringsborden.

De verdachte heeft daar geen verklaring voor anders dan dat zijn aandacht kennelijk teveel gericht is geweest op de invoegstrook aan zijn rechterzijde, waar het verkeer komend van de A16 invoegt op de A20.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Primair is aangevoerd dat de snelheid van 80 kilometer per uur waarmee de verdachte reed, passend was gelet op de verkeerssituatie. Ten tijde van de aanrijding, of in ieder geval tot kort voor de aanrijding, gold een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur. De verdachte heeft weliswaar 10 kilometer per uur te hard gereden, maar dat levert geen forse snelheidsovertreding op. Vermoedelijk is de aandacht van de verdachte gevestigd geweest op het verkeer dat invoegt van de A16 op de A20. Dat in combinatie met de omstandigheid dat de kampeerwagen die voor hem reed snelheid verminderde door alleen het gaspedaal los te laten en niet door ook het rempedaal te gebruiken, waardoor geen remlichten zichtbaar waren, maakt dat de verdachte niet direct heeft gezien dat de kampeerwagen afremde. Er zijn geen aanknopingspunten dat de verdachte te weinig afstand hield van de kampeerwagen. Voorts is niet vastgesteld dat de aanrijding zou zijn voorkomen indien de verdachte met 70 kilometer per uur had gereden. Er is geen sprake geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid en derhalve is er geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Subsidiair is aangevoerd dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de aanrijding tussen de vrachtwagen die de verdachte bestuurde en de kampeerwagen enerzijds en de daaropvolgende aanrijding tussen de kampeerwagen en de Mazda anderzijds. In dit verband is erop gewezen dat de afstand tussen de kampeerwagen en de Mazda ruim voldoende was om de kampeerwagen tijdig tot stilstand te brengen door te remmen. Onduidelijk is gebleven waarom de bestuurder de kampeerauto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. Wel is duidelijk dat de bestuurder van de kampeerauto niet wist dat de vrachtwagencombinatie die de verdachte bestuurde achter hem reed. De bestuurder van de kampeerauto had in de binnenspiegel moeten kijken om te zien of hij kon afremmen. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk om de gevolgen van de aanrijdingen die volgden op de aanrijding waarbij de verdachte betrokken was, aan de verdachte toe te rekenen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Beoordeling

De verdachte heeft op 26 januari 2012, omstreeks 16:30 uur, met zijn vrachtwagencombinatie (trekker en oplegger) gereden op de A20 richting Gouda. Het verkeer was naar zijn eigen zeggen “stroperig”. Nabij het knooppunt Terbregseplein heeft de verdachte rond 16:32:21 uur de cruise control ingesteld op 81 kilometer per uur.

Rond dat tijdstip gaven signaleringsborden geplaatst bij de hectometers 34,3, 34,7 en 35,4 maximumsnelheden aan van variërend 70 en 50 kilometer per uur, waarbij tevens gele waarschuwingslampen knipperden.

De signaleringsborden ter hoogte van hectometer 36,0, dat is ter hoogte van de plaats van het ongeval, gaven vanaf 16:31:04 tot 16:34:52 uur een maximum snelheid van 50 kilometer per uur aan, waarbij de gele waarschuwingslampen knipperen. Vanaf 16:34:52 uur gaven deze signaleringsborden nog steeds een maximum snelheid van 50 kilometer per uur aan.

De signaleringsborden ter hoogte van hectometer 36,6, derhalve iets voorbij de plaats ongeval, gaven vanaf 16:24:44 tot 16:40:17 uur een maximum snelheid van 50 kilometer per uur aan.

Uit de tachograafgegevens blijkt dat de snelheid van de vrachtwagencombinatie nagenoeg ongewijzigd 81 kilometer per uur is gebleven tot om 16:34:58 uur een noodremming werd ingezet. Kort na het begin van de remming heeft de aanrijding met de kampeerwagen plaatsgevonden.

Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verdachte direct voorafgaand aan de aanrijding met beduidend hogere snelheid heeft gereden dan de op dat moment ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

Voorts wordt, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [slachtoffer 2] en [getuige 3], geconcludeerd dat in verband met de filevorming het verkeer ter plaatse aan het afremmen was. Getuige [getuige 2] geeft daarbij aan dat hij zelfs stil stond op de meest rechterstrook. Getuige [slachtoffer 2], moeder van het slachtoffer, heeft verklaard dat zij vlak voor het ongeval tussen stapvoets en 40 km per uur reed en daarom haar gevarenlichten heeft gebruikt om het achteropkomende verkeer te waarschuwen voor het afremmend verkeer.

De verdachte heeft het afremmend verkeer in het geheel niet opgemerkt, mogelijk omdat hij - naar eigen zeggen - gefocust was op het verkeer komend vanuit de invoegstrook aan zijn rechterzijde.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht zijn snelheid aan te passen aan de op dat moment geldende maximumsnelheid. Tevens dient een chauffeur goed te letten op (de rijsnelheid van) medeweggebruikers en dient hij voldoende afstand te houden van de voertuigen van zijn voorgangers zodat hij in staat is zonodig zijn voortuig tijdig tot stilstand te brengen.

Dit alles geldt te meer voor de verdachte nu hij een ervaren beroepsvrachtwagenchauffeur is en zich daarom terdege bewust behoort te zijn van het feit dat de remweg van een vrachtwagencombinatie in de regel langer is dan die van een personenauto of -busje.

De verdachte heeft deze zorgplichten, gelet op de bewezen verklaarde gedragingen echter niet in acht genomen. Immers, terwijl hij een verkeersplein naderde heeft hij de signaleringborden met knipperende waarschuwingslichten die een aangepaste snelheid van 50 kilometer per uur aangaven niet opgemerkt en is met een, mede gelet op de verkeerssituatie op dat moment, onverantwoord hoge snelheid van 81 kilometer per uur blijven rijden. Hij heeft pas op het allerlaatste moment geconstateerd dat een kampeerwagen die voor hem reed snelheid aan het verminderen was. De verdachte kon toen niet meer tijdig remmen en heeft deze kampeerwagen met hoge snelheid geraakt als gevolg waarvan dit voertuig naar voren is gestoten en vervolgens achterop de Mazda 323 is gebotst, die door mevrouw [slachtoffer 2] werd bestuurd, en daaropvolgend is die Mazda tegen de achterzijde van een Citroën Saxo gebotst. Op de achtbank van de Mazda zat [slachtoffer 1], de zevenjarige zoon van mevrouw [slachtoffer 2], die door de aanrijding ernstig hersenletsel heeft opgelopen, waaraan hij twee dagen later is komen te overlijden.

De verdachte heeft als ervaren vrachtwagenchauffeur, derhalve niet geanticipeerd op bijzondere verkeerssituaties die hij, mede gelet op de signaleringsborden die een verlaagde maximumsnelheid aangaven, het stroperige verkeersbeeld en de nabijheid van een verkeersplein, kon verwachten.

Hij heeft daardoor aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is er wel sprake van causaal verband tussen de aanrijding tussen de vrachtwagencombinatie en de kampeerwagen enerzijds en de daaropvolgende aanrijdingen tussen de kampeerwagen en de Mazda, en de Mazda en de Citroën anderzijds. De suggestie dat de bestuurder van de kampeerwagen de aanrijding met de Mazda had kunnen voorkomen door te remmen, wordt van de hand gewezen, nu deze stelling feitelijke grondslag mist. Immers in het technisch rapport wordt weliswaar opgemerkt dat de genoemde afstand onder normale omstandigheden voldoende zou zijn geweest om de kampeerwagen middels de bediening van de bedrijfsrem tot stilstand te brengen, maar van normale omstandigheden was nu juist geen sprake gelet op de eerste aanrijding tussen de trekker/oplegger en de kampeerwagen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevolgen van de kop-staart botsingen die de verdachte heeft veroorzaakt redelijkerwijs aan hem kunnen worden toegerekend, evenals de dood van [slachtoffer 1] als gevolg van een van deze botsingen.

Op grond van het vorenstaande worden de verweren verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft rijdend met zijn vrachtwagencombinatie op de A20 ter hoogte van het Terbregseplein een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft met de cruise control ingesteld op een te hoge snelheid gereden in druk en vertragend verkeer met dreigende filevorming, waarvoor middels signaleringsborden boven de weg werd gewaarschuwd.

Hij heeft daarbij onvoldoende opgelet op het verkeer voor hem. Hierdoor heeft de verdachte niet opgemerkt dat de signaleringsborden een snelheid aangaven van 50 kilometer per uur en pas op het laatste moment opgemerkt dat een voor hem rijdende kampeerwagen snelheid minderde met als gevolg dat hij deze kampeerwagen van achteren heeft aangereden. De kampeerwagen is weg gestoten en met nagenoeg onveranderde snelheid achterop de Mazda 323, die door mevrouw [slachtoffer 2] werd bestuurd, ingereden. Deze Mazda is vervolgens achterop een stilstaande Citroën gebotst. Op de achterbank van de Mazda zat [slachtoffer 1], de zevenjarige zoon van mevrouw [slachtoffer 2], die door de aanrijding een schedelbasisfractuur en hersenletsel heeft opgelopen.

Mevrouw [slachtoffer 2] is na te zijn bijgekomen van de klap ter plaatse getuige geweest van de toestand van haar zwaar gewonde zoontje. Haar zoon is na het ongeluk niet meer bij kennis gekomen. Twee dagen na het ongeval is [slachtoffer 1] komen te overlijden.

Het behoeft geen betoog dat deze afloop grote impact heeft gehad op mevrouw [slachtoffer 2] en de andere nabestaanden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen, blijkt hoezeer de confrontatie met haar zwaar gewonde zoon en zijn latere overlijden heeft ingegrepen in het leven van mevrouw [slachtoffer 2].

Op een feit als voormeld dient een passende straf te volgen.

De raadsvrouw heeft bepleit om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het feit dat de verdachte al 31 jaar vrachtwagenchauffeur is en nooit eerder een verkeersongeval of forse verkeersovertreding heeft begaan. Naar aanleiding van het verkeersongeval op 26 januari 2012 is verdachtes rijbewijs twee maanden ingevorderd geweest. Hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en vreest werkloos te zullen worden bij een onvoorwaardelijke rijontzegging. Het verkeersongeval heeft behoorlijke impact gehad op de verdachte. Hij is enorm aangeslagen en leeft mee met de slachtoffers en nabestaanden, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank begrijpt dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen niet heeft gewild en dat ook hij hierdoor getekend door het leven moet gaan.

De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voorts rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). Voor het bewezenverklaarde feit wordt, bij toepassing van de voornoemde oriëntatiepunten, bij een aanmerkelijke verkeersfout de dood van het slachtoffer ten gevolge hebbend terwijl er geen alcoholgebruik in het spel was, het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden onvoorwaardelijk alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar aanbevolen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 november 2012 niet eerder is veroordeeld. Hierin wordt aanleiding gezien in navolging van de eis van de officier van justitie aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 1 maand en daarnaast zal de verdachte tevens een werkstraf voor de duur van 150 uur worden opgelegd, te vervangen door 75 dagen hechtenis voor het geval hij de werkstraf niet (naar behoren) uitvoert.

Voorts heeft de rechtbank - net zoals de officier van justitie dat bij de strafeis heeft gedaan - rekening gehouden met het door de verdediging benadrukte feit dat een langere onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid verdachte zwaar zou treffen nu hij daardoor zijn baan als vrachtwagenchauffeur zou verliezen.

Gelet op die persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, zodat de verdachte niet opnieuw zijn rijbewijs moet inleveren.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Gevorderde schade

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het geding gevoegd mr. W.M. Bouman, advocaat te Rotterdam. De benadeelde partij vordert ter zake van het ten laste gelegde feit een bedrag van € 12.500,- aan immateriële schade, bestaande uit shockschade, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Aangevoerd is dat shockschade geen eenvoudige schadepost is, omdat - gelet op het Taxibus-arrest (HR 22-02-2002, LJN: AD5356) - wel recht kan bestaan op vergoeding voor geestelijk letsel, maar niet op een vergoeding wegens het verlies van een kind (affectieschade), en het lastig is om hier een scheiding tussen aan te brengen. Het strafproces leent zich niet voor de behandeling van een dergelijk ingewikkelde vordering.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de situatie waarin de moeder in het Taxibus-arrest haar aangereden kind aantrof heftiger was dan de situatie waarin de benadeelde partij [slachtoffer 2] haar aangereden zoon heeft aangetroffen, hetgeen relevant is voor de hoogte van een toe te kennen vergoeding.

Meer subsidiair is verzocht om de hoogte van de vergoeding te matigen, omdat de verdachte het gevorderde bedrag niet kan opbrengen.

Tevens is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, omdat dan de kans zeer groot is dat de verdachte vervangende hechtenis dient te ondergaan, gelet op zijn geringe financiële draagkracht.

Voorts is verzocht om de gevorderde wettelijke rente af te wijzen.

Beoordeling

Shockschade heeft betrekking op de immateriële schade die ontstaat bij degene bij wie door het waarnemen van het bewezenverklaarde feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht,waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij dat feit is gedood of gewond. Hieronder valt dus niet het pure verdriet van de ouder om het verlies van het kind, hoe onmetelijk zwaar dit voor die ouder ook moge zijn.

Met de bewezenverklaring dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de WVW staat vast dat hij niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [slachtoffer 1], die als gevolg van het verkeersongeval is komen te overlijden, maar ook jegens de benadeelde partij, die als bestuurder van de auto waarin haar zoon zich bevond, betrokken was bij het verkeersongeval.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde shockschade heeft geleden, nu zij direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval door het zien van haar zwaargewonde, bewusteloze zoon in haar auto en later van zijn sterven in het ziekenhuis.

Uit het briefrapport van de behandelend GZ-psycholoog blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan een chronische posttraumatische stressstoornis. De benadeelde partij heeft zich op 11 juli 2012 bij hem onder behandeling gesteld in verband met stemmings- en angstklachten en klachten in de energetische en post-traumatische sfeer (onder anderen ongeloof, herbeleving, prikkelbaarheid en slaapproblematiek). In overleg met haar huisarts is de benadeelde partij verwezen naar een psychiater voor antidepressiva. Door de sessies met de psycholoog lijkt er therapeutisch verbetering te komen in haar toestand, maar de benadeelde partij ervaart een heftigere beleving van haar emoties. Daarvoor ontvangt zij psycho-educatie. Thans is de lijdensdruk nog erg groot. Zij is als gevolg van deze klachten al geruime tijd niet in staat om te werken Het lukt de benadeelde partij moeilijk om zich staande te houden in het dagelijkse leven. Zij krijgt veel hulp, onder andere van familieleden. De klachten en klachtzwaarte zijn zowel in woord als gedrag congruent en sluiten aan bij hetgeen haar is overkomen.

De vordering is onderbouwd, maar complex van aard en door de raadsvrouw van de verdachte gemotiveerd betwist.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid in elk geval worden vastgesteld op € 6.250,- , zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het verkeersongeval.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van het restant van de vordering tot shockschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit nu de beoordeling van dat gedeelte van de vordering de beantwoording van complexe vragen met zich brengt over de vaststelling van de omvang van de schade gelet op de lastig te bepalen onderlinge verhouding van shock- en affectieschade in dit geval zodat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard. Het is bij uitstek de civiele rechter die zich over dergelijke vragen moet buigen.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt als extra waarborg voor de betalingsverplichting de oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Bovendien behoeft de benadeelde partij het bedrag dan niet zelf te incasseren. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het - onvoldoende onderbouwde - verzoek om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen wegens de geringe financiële draagkracht van de verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te weten voor de tijd van 10 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, te weten 2 maanden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.250,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag te betalen aan [slachtoffer 2], [adres] [banknummer];

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij, in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 6.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 6.250,-, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 66 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. De Vreede en Feraaune, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Heijde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 december 2012.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 20 december 2012.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 januari 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A20, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl er sprake was van filevorming en de rijstrooksignaleringsborden, voorzien van gele knipperende lampen, over een afstand van ongeveer 1.700 meter boven de rijbaan gewijzigde maximumsnelheden (van 70 en 50 km/uur) aangaven,

ondanks die (wisselende) gewijzigde maximumsnelheden en (inmiddels) langzamer rijdend verkeer met cruise-control afgesteld op circa 81 km/uur heeft gereden en is blijven rijden

en/of

met een nagenoeg gelijk blijvende snelheid gelegen tussen 80 en 85 km/uur heeft gereden en/of (gezien die te hoge snelheid) op een (veel) te korte afstand (ongeveer 20 meter) achter een kampeerwagen heeft gereden en/of hij, verdachte, aldus rijdende niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

niet of te laat heeft opgemerkt dat de afstand tussen zijn voertuig en die vóór hem, verdachte, rijdende kampeerwagen inmiddels zodanig klein was geworden dat een botsing of aanrijding dreigde en/of ondanks zeer krachtig remmen in botsing is gekomen met de achterzijde van meergenoemde kampeerwagen,

als gevolg waarvan

-die kampeerwagen werd weggestoten, is doorgerold en via de in de middenberm gelegen geleiderail tegen de achterzijde van een personenauto (Mazda) is gebotst, en (vervolgens)

-die Mazda tegen de achterzijde van een vóór die Mazda rijdend voertuig is gebotst;

waardoor een inzittende van die Mazda, geheten [slachtoffer 1], werd gedood;

(artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2012 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A20, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl er sprake was van filevorming en de rijstrooksignaleringsborden, voorzien van gele knipperende lampen, over een afstand van ongeveer 1.700 meter boven de rijbaan gewijzigde maximumsnelheden (van 70 en 50 km/uur) aangaven,

ondanks die (wisselende) gewijzigde maximumsnelheden en (inmiddels) langzamer rijdend verkeer met cruise-control afgesteld op circa 81 km/uur heeft gereden en is blijven rijden en/of

met een nagenoeg gelijk blijvende snelheid gelegen tussen 80 en 85 km/uur heeft gereden en/of (gezien die te hoge snelheid) op een (veel) te korte afstand (ongeveer 20 meter) achter een kampeerwagen heeft gereden en/of hij, verdachte, aldus rijdende niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

niet of te laat heeft opgemerkt dat de afstand tussen zijn voertuig en die vóór hem, verdachte, rijdende kampeerwagen inmiddels zodanig klein was geworden dat een botsing of aanrijding dreigde en/of ondanks zeer krachtig remmen in botsing is gekomen met de achterzijde van meergenoemde kampeerwagen,

als gevolg waarvan

-die kampeerwagen werd weggestoten, is doorgerold en via de in de middenberm gelegen geleiderail tegen de achterzijde van een personenauto (Mazda) is gebotst, en (vervolgens)

-die Mazda tegen de achterzijde van een vóór die Mazda rijdend voertuig is gebotst;

(artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994)