Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY6598

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
10/650094-09 en 24/000703-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). De vordering van het openbaar ministerie is tijdig ingediend als bedoeld in art. 15d lid 6 Sr. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vordering. De eerste grond om tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan (ernstige misdraging na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf ex art. 15d lid 1 sub b Sr) is onvoldoende, althans onvoldoende helder onderbouwd. Ten aanzien van de tweede grond overweegt de rechtbank dat het recidiverisico voor misdrijven op dit moment onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 15d lid 1 sub d Sr. Het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling acht de rechtbank echter niet wenselijk. Het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een periode van 4 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 15, geldigheid: 2012-12-05
Wetboek van Strafrecht 15d, geldigheid: 2012-12-05
Wetboek van Strafrecht 15e, geldigheid: 2012-12-05
Wetboek van Strafrecht 15f, geldigheid: 2012-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

VI-zaaknummer: 99-000051-22

Parketnummers: 10/650094-09 en 24/000703-09

Datum uitspraak: 5 december 2012

Beslissing op vordering tot achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam heeft kennis genomen van de op de griffie op 26 oktober 2012 ontvangen vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 25 oktober 2012, strekkende tot het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Curaçao) op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

thans aldaar gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen,

raadsvrouw mr. M.F.A. van Pelt, advocaat te Rotterdam.

PROCEDURE

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Rotterdam d.d. 8 maart 2010 is de veroordeelde ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd en wapen- en munitiebezit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts is de veroordeelde bij uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 14 november 2011 ter zake van diefstal met geweld en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

De begindatum van de detentie van de veroordeelde was 8 juni 2009. De veroordeelde zou, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), op 26 november 2012 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank heeft behalve van de genoemde vordering van de officier van justitie tevens kennis genomen van de volgende stukken:

- het advies voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie d.d. 12 december 2011;

- het reclasseringsadvies ten behoeve van voorwaardelijke invrijheidstelling van Reclassering Nederland d.d. 17 januari 2012;

- het rapport van GGZ reclassering Palier ten behoeve van de voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 25 september 2012;

- het ongetekende advies met bijlage (registratiekaart d.d. 21 september 2012) van de vestigingsdirecteur van de penitentiaire inrichting waar de veroordeelde verblijft d.d. 13 september 2012.

De vordering van de officier van justitie is behandeld op de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 21 november 2012. De officier van justitie (mr. Tiebosch), de veroordeelde en zijn raadsvrouw zijn op de terechtzitting gehoord. Ook is als deskundige gehoord de heer S. Tissen, reclasseringswerker bij GGZ reclassering Palier.

BEVOEGDHEID RECHTBANK

De rechtbank is op grond van artikel 15d lid 5 Sr bevoegd om op de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling te beslissen, nu deze rechtbank in eerste aanleg heeft kennisgenomen en geoordeeld ter zake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf aan de veroordeelde is opgelegd.

ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vordering tot afstel, nu deze niet binnen de wettelijke termijn van dertig dagen ter griffie is ingediend. Immers de vordering is op 26 oktober 2012 op de griffie ontvangen zodat er meer dan 30 dagen zit tussen de indiening van de vordering en de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Dit verweer wordt verworpen.

Een vordering tot het achterwege laten van een voorwaardelijke invrijheidstelling dient ingevolge artikel 15d lid 6 Sr uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn ontvangen op de griffie van de rechtbank. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat ‘(d)e veroordeelde uiterlijk één maand voor het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling’ op de hoogte dient te worden gesteld van een eventuele beslissing van het openbaar ministerie om uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling bij de rechter te vorderen.

De termijn van één maand geldt alleen niet indien een grond voor uitstel of achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling zich voordoet in de maand voorafgaand aan het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling. De veroordeelde wordt in een dergelijk geval zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van de indiening van de vordering door het openbaar ministerie.

De strekking van deze bepaling is uiteraard dat hiermee enerzijds aan het openbaar ministerie een redelijke termijn wordt gegund om de vordering tot uitstel of afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen en dat anderzijds de veroordeelde tegen de tijd dat het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling nadert moet weten waar hij aan toe is en niet te lang in onzekerheid moet verkeren over het door het openbaar ministerie in deze in te nemen standpunt.

Zie voor een vergelijkbare bepaling bijvoorbeeld artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering waarbij aan het openbaar ministerie ook een termijn wordt gesteld waarbinnen de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling kan worden ingediend.

Op grond van de laatstgenoemde bepaling mag de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling echter ook niet te vroeg worden ingediend (‘niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen’).

De regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling kent alleen een uiterste termijn waarvoor de vordering dient te worden ingediend. Een dergelijke vordering kan dus niet voortijdig worden ingediend.

In de onderhavige kwestie is de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde bepaald op 26 november 2012. De vordering van het openbaar ministerie is op 26 oktober 2012 ter griffie ontvangen en is daarmee tijdig ingediend. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in haar vordering. Het verweer wordt verworpen.

BEOORDELING VORDERING

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de onderbouwing van haar vordering anders ingekleed dan ten tijde van de schriftelijke vordering. De rechtbank gaat bij de beoordeling daarom uit van de vordering zoals door het openbaar ministerie onderbouwd op de terechtzitting.

De vordering rust op twee gronden, te weten die onder 15d lid 1 sub b (ernstige misdragingen) en die onder sub d (onvoldoende mogelijkheden inperking recidive) Sr.

Ter onderbouwing van de eerste grond heeft de officier van justitie ter zitting aangevoerd dat de veroordeelde zich sinds de aanvang van zijn detentie ernstig heeft misdragen (artikel 15d lid 1 sub b Sr). In september 2010 en januari 2012 zijn er disciplinaire straffen aan de veroordeelde opgelegd wegens vermeend (soft)drugsgebruik.

Ter zitting heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de - nog wel in de vordering genoemde - ontzegging van het bezoek door de vriendin van de veroordeelde niet moet worden meegenomen bij de beoordeling van deze grond.

Ter onderbouwing van de tweede grond heeft de officier van justitie aangevoerd dat het recidiverisico onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van voorwaarden (artikel 15d lid 1 sub d Sr). De veroordeelde heeft er zelf voor gezorgd dat bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling niet op te leggen zijn. De veroordeelde was in het kader van een nazorgtraject geplaatst op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) Roosenburg van de GGZ Altrecht. Vanuit deze FPA zou de veroordeelde worden begeleid naar een gespecialiseerde woonvorm voor mensen met niet aangeboren hersenletsel (NAH) bij Reinaerde, een zorgorganisatie in de regio Utrecht.

Bij de veroordeelde zijn in augustus 2012 echter 26 bolletjes met (vermoedelijk) verdovende middelen alsmede een geldbedrag aangetroffen. Hiervan is aangifte gedaan bij de politie. De officier van justitie heeft toegelicht dat er geen NFI-resultaten bekend zijn ten aanzien van de aangetroffen drugs, dat de zaak op dit moment nog ter afronding bij de politie ligt en dat deze vervolgens nog door het openbaar ministerie moet worden beoordeeld.

De veroordeelde is als gevolg van dit incident teruggeplaatst in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen, en heeft zijn plaats bij de FPA zodoende verspeeld.

Het uitstippelen van een eventueel vervolgtraject na de detentie staat thans stil. De officier van justitie heeft daarbij tevens verwezen naar de conclusies van GGZ reclassering Palier.

Standpunt verdediging

Namens de veroordeelde is ter zitting aangevoerd dat geen sprake is van ernstige misdragingen als nader omschreven in de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling van het College van procureurs-generaal. Er zou slechts sprake zijn geweest van één positieve urinecontrole en een verdenking ten aanzien van het voorhanden hebben van verdovende middelen. Volgens de raadsvrouw van de veroordeelde is eerder sprake van onwetendheid aan de zijde van de veroordeelde, dan dat deze zich ernstig heeft misdragen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de veroordeelde zowel cognitief als lichamelijk fors is beperkt, als gevolg van het hersenletsel en de gedeeltelijke verlamming .

De veroordeelde zou in de penitentiaire inrichting waar hij verblijft, hebben gezien dat er om hem heen behoorlijk geblowd werd en dat dit voor zijn medegedetineerden geen consequenties had. De veroordeelde zou er niet bekend mee zijn geweest dat hij door éénmalig blowen tijdens zijn verlof zijn voorwaardelijke invrijheidstelling kon verspelen. De veroordeelde zou hier niet voor zijn gewaarschuwd. Ten slotte heeft de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat de veroordeelde het meer dan gemiddeld zwaar zou hebben gehad in de penitentiaire inrichting.

Ten aanzien van het recidiverisico heeft de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat van de reclassering weinig hulp valt te verwachten en dat de reclassering de problemen voor zich uitschuift. De veroordeelde kan na zijn detentie terecht bij familie en kan daarvandaan zelf hulp regelen. Er kan op die manier meer bereikt worden in het terugdringen van de recidive dan in het geval dat de veroordeelde nog twee jaar vast zou moeten zitten.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorwaardelijke invrijheidstelling wordt van rechtswege verleend, maar kan in bepaalde gevallen uitgesteld of achterwege gelaten worden. Een vordering tot uitstel of achterwege laten kan worden ingediend indien één van de in artikel 15d lid 1 Sr genoemde gronden zich tijdens de tenuitvoerlegging van de straf voordoet.

Het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling is definitief: de aan de veroordeelde opgelegde straf zal dan volledig ten uitvoer worden gelegd.

Tegen de beslissing om de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten staat geen beroep open. Deze beslissing mag derhalve niet lichthartig genomen worden. Een eventuele vordering van de officier van justitie daartoe bevat de gronden waarop zij rust en dient goed onderbouwd te worden zodat één en ander kan worden meegewogen in het oordeel van de rechtbank.

Ernstige misdraging na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf?

Ten aanzien van de eerste grond die door de officier van justitie is aangevoerd om tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan, overweegt de rechtbank dat deze onvoldoende, althans onvoldoende helder is onderbouwd.

Met de officier van justitie en de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat er in ieder geval geen sprake is van de subgrond zoals bedoeld in artikel 15d lid 1 sub b 1° Sr (ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf).

Het politieonderzoek naar het incident ten aanzien van de bij de veroordeelde aangetroffen bolletjes met (vermoedelijk) verdovende middelen is nog niet afgerond, er is nog geen NFI onderzoeksuitslag bekend naar de aangetroffen middelen en enige concrete onderbouwing van de verdenking gericht tegen de veroordeelde ontbreekt. De veroordeelde heeft dit feit bovendien ter zitting ontkend. De rechtbank kan derhalve niet beoordelen of ernstige bezwaren ten aanzien van een misdrijf aanwezig zijn.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is komen vaststaan dat de veroordeelde zich na aanvang van de detentie ernstig heeft misdragen, als bedoeld in artikel 15 lid 1 sub b 1° Sr.

Datzelfde geldt ten aanzien van de andere subgrond zoals bedoeld in artikel 15d lid 1 sub b 2° Sr (gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf).

Ter zitting is gebleken dat zich gedurende de (ruim) drie jaar dat de veroordeelde gedetineerd is geweest één incident heeft voorgedaan dat heeft geleid tot een disciplinaire straf, te weten 4 dagen uitsluiting van deelname aan activiteiten in september 2010 na geconstateerd softdrugsgebruik. Dat blijkt ook uit het advies van de vestigingsdirecteur.

Gelet op hetgeen in de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling van het College van procureurs-generaal (2012A007) is gesteld moet het bij deze subgrond gaan om ernstige gedragingen zoals het vertonen van agressief gedrag jegens medewerkers van de inrichting of medegedetineerden, of het aanrichten van vernielingen in de inrichting.

Noch uit de stukken, noch tijdens de terechtzitting zijn voldoende feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan kan worden gezegd dat sprake is geweest van een ernstige misdraging.

Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat de door de officier van justitie ter onderbouwing van deze grond tevens genoemde time-out vanuit de FPA Roosenburg in januari 2012 ook als een disciplinaire straf moet worden beschouwd. Deze wordt in ieder geval niet als zodanig genoemd onder het kopje ‘Disciplinaire straffen’ in het advies van de vestigingsdirecteur.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat evenmin is komen vast te staan dat de veroordeelde zich na aanvang van de detentie herhaaldelijk ernstig heeft misdragen, als bedoeld in artikel 15 lid 1 sub b 2° Sr.

Onvoldoende inperking mogelijk van recidiverisico door bijzondere voorwaarden?

Ten aanzien van de tweede grond als bedoeld in artikel 15d lid 1 sub d Sr die door de officier van justitie is aangevoerd om tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan, heeft de rechtbank met name acht geslagen op hetgeen in het eerdergenoemde reclasseringsadvies van 17 januari 2012 staat vermeld en het hetgeen op de zitting door de heer Tissen ter nadere toelichting op het rapport van GGZ reclassering Palier van 25 september 2012 naar voren is gebracht.

In het reclasseringsadvies wordt het recidiverisico als hooggemiddeld ingeschat en is ter inperking daarvan een plan van aanpak voor het VI-traject opgesteld met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod bij de reclassering en de opname in een instelling voor begeleid wonen (bij voorkeur voor mensen met NAH) en het zich houden aan het (dag-)programma dat die voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Door GGZ reclassering Palier is naderhand geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen dan wel geheel af te stellen nu er op dit moment geen geschikte huisvesting voor de veroordeelde beschikbaar is. De veroordeelde heeft als gevolg van zijn NAH zeer gespecialiseerde bijzondere zorg nodig om te kunnen leren zelfstandig te leven met zijn beperkingen. Er zijn maar weinig instellingen gespecialiseerd in het ziektebeeld van de veroordeelde. Reinaerde is daar één van. Aangezien er op dit moment nog geen vooruitzichten zijn dat de veroordeelde een plek in een dergelijke instelling kan krijgen, acht de reclassering het thans niet verantwoord om voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen. Ook door deze reclasseringsinstelling wordt het recidiverisico als hooggemiddeld ingeschat.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico voor misdrijven op dit moment onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 15d lid 1 sub d Sr.

Het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling acht de rechtbank echter niet wenselijk. Dit kan vooralsnog in een ongewenst bijeffect resulteren, namelijk dat de veroordeelde na afloop van de (volledige) detentieperiode zonder enige behandeling, begeleiding, toezicht of adequate woonvoorziening in vrijheid wordt gesteld. De rechtbank acht het van groot belang de mogelijkheid open te houden om voorwaarden aan een eventuele invrijheidstelling van de veroordeelde te kunnen verbinden. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een periode van vier maanden. In deze periode kan door de daartoe geëigende instanties nader worden gekeken naar een passende woon- en behandelvoorziening voor de veroordeelde.

De veroordeelde dient zich te realiseren dat niet alleen de maatschappij, maar ook hijzelf daarbij gebaat is, zodat verwacht mag worden dat hij zich in dit traject meewerkend zal opstellen en zich zal onthouden van contra-productief gedrag.

Hoewel de officier van justitie niet subsidiair uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft gevorderd, acht de rechtbank zich desalniettemin bevoegd de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen voor een bepaalde periode nu dat feitelijk een gedeeltelijke toewijzing is van hetgeen gevorderd is. Het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen, in die zin dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een periode van 4 maanden, te rekenen vanaf 26 november 2012.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 15, 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering;

- wijst de vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe in die zin dat de voorwaardelijke invrijheidstelling tijdelijk wordt uitgesteld en bepaalt de duur waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van 4 (vier) maanden, te rekenen vanaf 26 november 2012;

- wijst de vordering tot afstel voor het overige af.

Deze beslissing is genomen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. Jordaan en Van Baaren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Amperse, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2012.