Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY6548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
10/963037-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vormverzuimen bij binnentreden en doorzoeken:

1. niet kan worden vastgesteld dat er een geldige machtiging is afgegeven;

2. machtiging ten onrechte door een hulpovj afgegeven

3. gehandeld in strijd met artikel 1 lid 1 en artikel 2 lid 1 van de Algemene Wet op het Binnentreden

4. De rechter-commissaris was niet voortdurend lijfelijk aanwezig bij doorzoeking en heeft geen rekenschap afgelegd van maatregelen in verband met bereikbaarheid in een proces-verbaal.

De onder 1 en 4 bedoelde verzuimen doen zich voor maar leiden niet tot bewijsuitsluiting.

Ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 197 Sr heeft te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn en omvat tevens een inreisverbod. Bepalingen van de terugkeerrichtlijn zijn - voor zover voldoende concreet - van toepassing, nu de bepalingen van de richtlijn, in strijd met het bepaalde in artikel 20 van die richtlijn, niet vóór 24 december 2010 zijn geïmplementeerd in onze nationale wetgeving. Dit geldt ook indien de datum van ongewenstverklaring en de in de tenlastelegging vermelde pleegdatum gelegen zijn vóór 24 december 2010. Beroep op expiratie periode van inreisverbod van vijf of drie jaar (ex artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn of artikel 6.5a, derde lid van het Vreemdelingenbesluit) door verblijf van verdachte in Spanje, faalt nu inreisverbod toegang tot en verblijf op het grondgebied van alle lidstaten, waaronder Spanje inhoudt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 231, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 234, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 416, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 417, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2012-12-06
Wetboek van Strafrecht 420ter, geldigheid: 2012-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/963037-11

Datum uitspraak: 6 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

{naam verdachte},

geboren op xx-xx-1971 te (plaatsnaam) (Algerije),

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, feitelijk verblijfplaats {adres en woonplaats verdachte}.

raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29, 30 en 31 oktober 2012 en 7, 8, en 22 november 2012.

TENLASTELEGGING

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie is aangepast in de zin van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en vervolgens gewijzigd op de voet van artikel 313 Sv.

De tekst van de nader omschreven en gewijzigde tenlastelegging is als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Stikkelbroeck heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

- partiële vrijspraak ten aanzien van de Duitse en Franse visa in de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

- bewezenverklaring van het onder 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

- veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Door de verdediging is de - partiële - niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit ter zake feit 6 ten aanzien van

a. de periode tot en met 14 april 2005 op grond van de verjaringstermijn van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van zes jaar en

b. de periode tot en met 1 juni 2005 wegens strijd met het ne-bis-in-idem beginsel en/of het vertrouwensbeginsel gelet op een eerdere veroordeling van verdachte voor overtreding van artikel 197 Sr in de periode van 5 januari 2005 tot en met 1 juni 2005.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de onder b. bedoelde veroordeling aan vervolging in de weg staat zodat het Openbaar Ministerie ter zake van feit 6 niet kan worden ontvangen in de vervolging van dat feit voor zover het de periode betreft tot en met 1 juni 2005.

Nu het meest verstrekkende verweer slaagt behoeft het beroep onder a geen bespreking.

Voor het overige zijn geen omstandigheden gesteld of anderszins gebleken die tot niet ontvankelijkheid leiden zodat het Openbaar Ministerie voor het overige in de vordering kan worden ontvangen.

VRIJSPRAAK

Feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman hiertoe hebben geconcludeerd, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

MOTIVERING PARTIËLE VRIJSPRAAK

Feiten 3 en 4

Het onder 3 en 4 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op vijf (althans één of meer) Franse visa en vijf (althans één of meer) Duitse visa genoemd in zaaksdossier B08, is niet wettig en overtuigend bewezen. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman hiertoe hebben geconcludeerd, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd. Verdachte zal op dit onderdeel worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van in het onder 3 en 4 ten laste gelegde ‘één (althans een of meer) blanco Frans paspoort(en)’, bedoeld in zaaksdossier B08, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is jegens verdachte, zodat hij ook op dat onderdeel zal worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is er op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende bewijs om een bewuste nauwe samenwerking aan te nemen tussen verdachte en zijn vrouw {naam vrouw verdachte} ten aanzien van de moneytransfers die hebben plaatsgevonden via de Western Union in opdracht van {naam vrouw verdachte} naar ‘{naam ontvanger}’ in Bangkok. Dit betekent dat verdachte, zoals ook door de verdediging is betoogd, zal worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op de moneytransfers ad € 1.000,- op 17 september 2010 en € 880,- op op 5/6 februari 2010. Ditzelfde geldt ten aanzien van het bedrag van € 952,50 dat {naam vrouw verdachte} op 25 januari 2011 via Western Union aan {naam ontvanger} heeft overgeboekt.

BEWIJSUITSLUITINGSVERWEER

Het standpunt van de verdediging:

Het binnentreden en de doorzoeking van de {adres verdachte} was onrechtmatig. Er is sprake van diverse vormverzuimen:

1. Niet kan worden vastgesteld dat er een geldige machtiging is afgegeven. Het binnentreden is klaarblijkelijk geschied met een schriftelijke machtiging van de hulpofficier van justitie Koolhof. Deze machtiging is niet opgenomen in het dossier. Niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk een machtiging is afgegeven, wanneer deze zou zijn afgegeven en aan welke specifieke verbalisant. Nu dit niet is vast te stellen, moet het er voor worden gehouden dat is binnengetreden zonder machtiging, hetgeen een vormverzuim oplevert.

2. Indien een machtiging is afgegeven is dit ten onrechte door een hulpofficier van justitie gebeurd. Er is binnengetreden ter doorzoeking en aanhouding. De machtiging binnentreden ter doorzoeking en aanhouding mag op grond van artikel 55a Wetboek van Strafvordering (‘Sv’) echter uitsluitend worden afgegeven door een officier van justitie. De hulpofficier van justitie is daartoe niet bevoegd en had de machtiging dan ook niet mogen afgeven, hetgeen een vormverzuim oplevert.

3. De binnentredende verbalisanten hebben zich niet voorafgaand aan het binnentreden gelegitimeerd, zoals voorgeschreven in artikel 1 lid 1 en artikel 2 lid 1 van de Algemene Wet op het Binnentreden (‘Awbi’), de machtiging binnentreden is niet voorafgaand getoond en het doel van het binnentreden is niet voorafgaand medegedeeld. In het verslag binnentreden is vermeld dat de genoemde verplichtingen niet zijn nageleefd omdat dit naar redelijke verwachting strafvordering zou schaden. Waarom dit het geval zou zijn, is echter geenszins onderbouwd. Het strafdossier biedt hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Het huisrecht van verdachte is geschonden.

4. De rechter-commissaris is niet voortdurend lijfelijk aanwezig geweest bij de doorzoeking. De rechter-commissaris is verplicht om indien hij het onderzoek van een afstand leidt, maatregelen te treffen in verband met zijn bereikbaarheid. Van deze maatregelen moet rekenschap worden afgelegd in een proces-verbaal. In het dossier is geen proces-verbaal aanwezig waarin de rechter-commissaris de gang van zaken bij de doorzoeking relateert.

Deze vormverzuimen dienen ieder voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang beschouwd, te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen op het binnentreden en doorzoeken is gevolgd, te weten: het aantreffen van de gestolen paspoorten, het contante geld, de constatering van de overgemaakte geldbedragen via Western Union en het constateren van het ongewenst vreemdelingschap. Deze bewijsuitsluiting dient te leiden tot integrale vrijspraak van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie:

Er is geen sprake van vormverzuimen bij het binnentreden en de doorzoeking van de verblijfplaats van verdachte aan de {adres verdachte}, laat staan dat er grond zou zijn voor bewijsuitsluiting.

(ad 1): Weliswaar ontbreekt de originele machtiging, maar uit het verslag van binnentreden volgt dat een machtiging is opgemaakt en later is getoond. Uit de overgelegde printscreen blijkt dat op 11 april 2011 om 9.31 uur een machtiging binnentreden is opgemaakt met betrekking tot verdachte.

(ad 2): Uit het proces-verbaal van bevindingen 27-297225 (p. 120 algemeen dossier) blijkt dat de officier van justitie IJzerdoorn bij de opening van de doorzoeking aanwezig is geweest.

(ad 3): De reden waarom niet direct werd gelegitimeerd, het doel van binnentreden werd medegedeeld en de machtiging werd getoond, was de beoogde aanhouding van verdachte, het mogelijk door hem onttrekken hieraan en het mogelijk wegmaken van bewijs. Uit het verslag binnentreden blijkt dat de verplichting tot legitimatie, mededeling van het doel van binnentreden en het tonen van de machtiging, later alsnog is nagekomen.

(ad 4): Het betrof een door de rechter-commissaris goedgekeurde doorzoeking van de woning. De rechter-commissaris is niet steeds bij de doorzoeking aanwezig geweest omdat er op hetzelfde moment meerdere doorzoekingen plaatsvonden. Er is wel steeds telefonisch contact geweest. Door deze gang van zaken is verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Het oordeel van de rechtbank:

Krachtens het bepaalde in artikel 359a Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Bij de toepassing daarvan houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben zich bij het binnentreden in de woning van (de vriendin van) verdachte, bij de aanhouding van verdachte en bij de doorzoeking ter inbeslagneming geen vormverzuimen voorgedaan die bewijsuitsluiting kunnen rechtvaardigen. De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Ad 1: Ontbreken machtiging in dossier.

Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad meermalen heeft beslist dat niet vereist is dat de machtiging tot het binnentreden in een woning zich bij de processtukken bevindt. Dat met een dergelijke machtiging is binnengetreden kan ook op een andere wijze worden vastgesteld.

In dit geval bevindt zich in het dossier het “verslag van binnentreden in woning” (p-v 27-296488, p. 101-102 algemeen dossier) waarin staat vermeld dat is binnengetreden krachtens een machtiging van de hulpofficier van justitie en voorts dat kort na het binnentreden de schriftelijke machtiging aan de bewoonster is getoond. Daarnaast heeft de officier van justitie aan het dossier toegevoegd:

a. een zogenoemde printscreen waarop te zien is dat op 11 april 2011 om 9.31 uur een machtiging tot binnentreden is opgemaakt, en

b. een uitdraai van een uit het digitale bestand van het Openbaar Ministerie in deze zaak afkomstige (niet getekende) machtiging tot binnentreden van de woning aan de {adres verdachte} ter aanhouding van verdachte, welke digitaal is opgemaakt op 11 april 2011 en waarop een geldigheidsduur is vermeld van 3 dagen na afgifte.

Op basis van voornoemde stukken kan naar het oordeel voor de rechtbank afdoende worden vastgesteld dat op 11 april 2011 een machtiging tot binnentreden van de woning aan de {adres verdachte} voor de aanhouding van verdachte is afgegeven door een hulpofficier van justitie.

Aan de hand van voornoemde stukken kan weliswaar niet worden vastgesteld of de machtiging ook door de hulpofficier Koolhof was getekend, hetgeen wel vereist is op grond van artikel 6 aanhef Awbi, doch ook als dit niet het geval zou zijn levert een enkel niet ondertekende machtiging geen tot bewijsuitsluiting leidend vormverzuim op (zie HR 16 juni 2009, LJN BH9929).

Ad 2: Geen machtiging door de officier van Justitie.

Er is binnengetreden ter aanhouding. Op grond van het bepaalde in artikel 55 Sv jo. artikel 2 en 3 Awbi is de hulpofficier van justitie bevoegd hiertoe een machtiging af te geven, zoals in dit geval ook is geschied. Anders dan de verdediging betoogt, was geen sprake van een doorzoeking ter aanhouding bedoeld in artikel 55a Sv, waarvoor een machtiging van de officier van justitie is vereist.

In voornoemd verslag binnentreden in de woning (p-v 27296488, p. 101-102 algemeen dossier) staat vermeld dat de hulpofficier van justitie in afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde autoriteit de situatie heeft bevroren. De aanwezige personen werden in de woon- annex slaapkamer bij elkaar geplaatst onder toezicht en in afwachting van de komst van de rechter-commissaris, die omstreeks 7.40 uur arriveerde. Vervolgens heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de officier van justitie (zie proces-verbaal van bevindingen, 27-297225, p. 120 algemeen dossier). Hiermee is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 110 Sv. Van enig vormverzuim is geen sprake.

Ad 3: Krachtens artikel 1, lid 1 Awbi dient de bij binnentreding in een woning verantwoordelijke persoon zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden. Ingevolge lid 2 van dit artikel gelden deze verplichtingen slechts voorzover de naleving daarvan kan worden gevergd, in het geval dit naar redelijke verwachting strafvordering schaadt.

Bij het binnentreden in de woning hebben verbalisanten zich niet direct gelegitimeerd en evenmin direct mededeling gedaan van het doel van het binnentreden. In het verslag van binnentreden is als reden aangegeven dat naleving van deze verplichtingen de strafvordering zouden schaden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan het bepaalde in artikel 10 lid 2 onder g Awbi dat als van deze uitzonderingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zulks moet worden verantwoord in het verslag van binnentreden.

Voorzover de verdediging bepleit dat een nadere redengeving in het verslag dient te worden opgenomen, vindt dit geen steun in de wet. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier ruim voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de vermelde omstandigheid zich hier voordeed. Uit de aard van de zaak vloeit voort dat de naleving van voornoemde verplichting bij het binnentreden naar redelijke verwachting strafvordering zou schaden. Immers, het betrof de aanhouding van een illegaal in Nederland verblijvende verdachte, zonder vaste woon of verblijfplaats, die werd verdacht van het voorhanden hebben van valse of vervalste reisdocumenten, in dat geval bestaat er gevaar voor vlucht en voorts het wegmaken van bewijsmateriaal.

Naar het oordeel van de rechtbank is van enig vormverzuim op dit punt geen sprake.

Ad 4: In meergemeld verslag binnentreden in de woning (p-v 27296488, p. 101-102 algemeen dossier) staat vermeld dat de hulpofficier van justitie in afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde autoriteit de situatie heeft bevroren in afwachting van de komst van de rechter-commissaris, die omstreeks 7.40 uur arriveerde.

De doorzoeking op 12 april 2011 in de woning van (de vriendin van) verdachte vond plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Gelijktijdig vond een doorzoeking in een andere woning plaats (eveneens in het kader van het onderzoek Heiloo), vide het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2011 (p-v 27-297225, p. 120 algemeen proces-verbaal).

De rechter-commissaris was derhalve niet steeds aanwezig maar kan de doorzoeking vanaf een afstand leiden. De leidinggevende taak van de rechter-commissaris houdt onder meer in dat hij maatregelen treft met het oog op zijn bereikbaarheid. Van de getroffen maatregelen dient hij in het proces-verbaal rekenschap af te leggen.

In dit geval bevindt een dergelijk proces-verbaal van de rechter-commissaris zich niet tussen de processtukken, zodat niet kan worden vastgesteld welke maatregelen de rechter-commissaris heeft getroffen. Op geen enkele wijze is echter gebleken - en dit wordt ook niet door de verdediging betoogd - dat verdachte hierdoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de onder 1. en 4. bedoelde vormverzuimen, noch op zichzelf beschouwd, noch in samenhang bezien, kunnen worden aangemerkt als een tot bewijsuitsluiting leidend vormverzuim. Het verweer faalt.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht op grond van de in bijlage B opgenomen bewijsmiddelen en de hieronder weergegeven toelichting van de rechtbank daarop - alles in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. primair, 3. primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij in de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam, reisdocumenten in zijn bezit heeft gehad, te weten

- een Frans blanco, paspoort met het nummer 06TC96425 ( ) en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04902 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04909 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04916 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04917 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04919

waarvan hij wist dat die paspoorten, vals waren, bestaande die valsheid hierin dat

- de personaliabladzijden van deze paspoorten niet zijn voorzien van document- en persoonsgegevens en

- er op deze paspoorten geen pasfoto's zijn aangebracht en

- de paspoorten niet zijn voorzien van aantekeningen, in- of uitreisstempels of anderszins en

- er in deze paspoorten geen watermerken voorkomen en

- op het voorste schutblad van de paspoorten geen gedrukt documentnummer zit en

- de paspoorten qua kleur, detaillering, toegepaste basismateriaal en gebruikte druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomen met de originele paspoorten van dit model;

3.

hij in de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011, te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, te weten

- een Frans blanco, paspoort met het nummer 06TC96425 ( B01) en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04902 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04909 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04916 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04917 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04919 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982

en geldbedragen, te weten

- 9.950,- euro, en

- 1.000,- euro, overgeboekt middels een moneytransfer d.d. 24 april 2010 en/of 26 april 2010 en

- 870,- euro, overgeboekt middels een moneytransfer d.d. 12 augustus 2010

voorhanden gehad, en/of overgedragen , zulks terwijl hij, verdachte wist, dat die reisdocumenten en die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011, te Amsterdam, een gewoonte

heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte toen aldaar, na te melden reisdocumenten te weten

- een Frans blanco, paspoort met het nummer 06TC96425 ( B01) en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04902 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04909 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04916 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04917 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04919 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982

voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die reisdocumenten wist dat het/ door misdrijf, namelijk door diefstal of door enig ander misdrijf, verkregen reisdocumenten, betrof;

5.

hij in de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam voorwerpen, te weten:

- een Frans blanco, paspoort met het nummer 06TC96425 ( B01) en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04902 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04909 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04916 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04917 en

- een Frans blanco, paspoort met nummer 06AE04919 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 en

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982

heeft overgedragen en/of voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van enig in artikel 231, eerste lid omschreven misdrijf, namelijk het valselijk opmaken of vervalsen van reisdocumenten;

6.

dat hij in de periode 1 juni 2005 t/m 12 april 2011, in de gemeente Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 en/of artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud), tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Feiten 2, 3, 4 en 5

De tapgesprekken te koppelen aan verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat de belastende tapgesprekken op de taplijnen T503 en T504 niet aan verdachte zijn te koppelen.

In het proces-verbaal identiteit {naam verdachte} (p-v 27-287419, map 15, p. 12 e.v.) is hieromtrent het volgende vermeld. Verdachte komt in beeld doordat op de getapte lijn van de medeverdachte {naam medeverdachte 1} een persoon die zichzelf {naam verdachte} noemt op 13 september 2010 inbelt met het telefoonnummer 06-85046576 en op 16 september 2010 met het nummer 06-84694335. Vervolgens zijn deze twee telefoonnummers getapt onder respectievelijk tapnummer T503 en T504. Uit een proces-verbaal van stemvergelijking en stemherkenning volgt dat de gebruikers van de lijn T503 en T504 één en dezelfde persoon is (zie afzonderlijk proces-verbaal 27-287475). Door de verdediging is de juistheid daarvan niet betwist, noch is daaromtrent een nader onderzoek verzocht.

Vervolgens zijn er, blijkens het hiervoor bedoelde proces-verbaal van identificatie, telefoongesprekken getapt (onder andere d.d. 30 oktober 2010 en 31 december 2010) waarin op de lijn T504 de gebruiker van het onderliggende telefoonnummer zichzelf voorstelt als {naam verdachte}. Daarnaast is onderzoek gedaan naar het adres van de gebruiker van voornoemde twee telefoonnummers. In oktober 2010 wordt tweemaal op T504 naar iemand gebeld die hij ‘buurman’ noemt. Het telefoonnummer van deze buurman staat geregistreerd op de naam van {naam buurman}, die woont op {adres verdachte}. Op een getapt telefoongesprek d.d. 24 oktober 2010 wordt op T504 naar {voornaam vrouw verdachte} gebeld en zegt de beller dat hij zijn gezin mist, {naam vrouw verdachte} en {naam dochter verdachte}a. Uit de gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) blijkt dat op het {adres verdachte} te Amsterdam zijn ingeschreven {naam vrouw verdachte} en {naam dochter verdachte}. Als ouders van {naam dochter verdachte} staan in de GBA vermeld: {naam vrouw verdachte} en verdachte, {naam verdachte} .

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van deze bevindingen vast dat verdachte degene is die gebruik maakte van de twee telefoonnummers die zijn getapt op de lijnen T503 en T504. Bovendien is in de tapverslagen van de telefoongesprekken die als bewijsmiddel worden gebruikt telkens vermeld dat verdachte wordt herkend ofwel aan de hand van stemherkenning (‘SH’) ofwel doordat hij zijn naam heeft genoemd (‘NG’). Het onderhavige verweer wordt derhalve verworpen.

De paspoorten koppelen aan verdachte

De verdediging voert als verweer dat het op 8 december 2010 door de politie aangetroffen Frans blanco paspoort met nummer 06TC96425 en de tien in de woning aan de {adres verdachte} te Amsterdam aangetroffen paspoorten niet aan verdachte zijn te koppelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het Frans blanco paspoort met nummer 06TC96425

Op basis van de tapgesprekken in de periode van 5 tot 8 december 2010 kan worden vastgesteld dat de medeverdachte {naam medeverdachte 1} in opdracht van de medeverdachte {naam medeverdachte 2} op 7 december 2010 een Frans paspoort heeft opgehaald bij {naam verdachte} en dat hij met {naam medeverdachte 2} heeft afgesproken elkaar de volgende dag, op 8 december 2010, te ontmoeten. Vervolgens heeft er een observatie plaatsgevonden van deze ontmoeting op 8 december 2010, waarbij is gezien dat {naam medeverdachte 1} een envelop overhandigde aan {naam medeverdachte 2}. Direct hierop heeft de politie {naam medeverdachte 1} aangehouden, daarbij werd gezien dat er een witte ING-envelop op de grond viel. Deze open envelop bevatte het Franse blanco paspoort met nummer 06TC96425. Daarnaast bevinden zich in het dossier tapverslagen van verschillende telefoongesprekken die verdachte in de periode na de aanhouding van {(naam medeverdachte 1)] voerde waarin verdachte onder andere navraag doet naar de aanhouding van {naam medeverdachte 1}, hij zich afvraagt of zij iets bij {voornaam medeverdachte 1} hebben aangetroffen, zegt dat {naam medeverdachte 1} ‘dat van Chirac’ bij hem heeft opgehaald en hem later zou komen betalen en waarin een van zijn gesprekspartners, ‘{naam buurman}’, aangeeft dat zij de paspoorten niet bij {naam medeverdachte 1} hebben gevonden en {voornaam medeverdachte 1} zijn naam niet heeft genoemd, maar dat verdachte zijn simkaart die hij met {voornaam medeverdachte 1} gebruikte toch moet vervangen.

Deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot de conclusie van de rechtbank dat verdachte het onderhavige paspoort voorhanden heeft gehad en op 7 december 2010 heeft overgedragen aan {naam medeverdachte 1}.

Ten aanzien van tien paspoorten in de woning aan de {adres}

Er zijn op 12 april 2011 tien paspoorten aangetroffen bij de doorzoeking op het adres {adres verdachte} te Amsterdam. Vijf Nederlandse paspoorten in een bus melkpoeder in de keuken en vijf valse Franse paspoorten in een witte ING-envelop op een kast in het slaapgedeelte van de woonkamer. Op dit adres wonen de vrouw en de dochter van verdachte. Verdachte is illegaal in Nederland, is niet ingeschreven op dit adres maar verklaart op 10 mei 2011 tegenover de politie dat hij in augustus 2008 met zijn vrouw, met wie hij in augustus 2008 in de moskee is getrouwd, aldaar is gaan wonen. Zij hebben samen een dochter, {naam dochter verdachte}, die op dit adres staat ingeschreven.

Ook uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte op dit adres verblijft. Op 15 december 2010 om 17.38 uur zegt {naam vrouw verdachte} tegen verdachte dat {naam dochter verdachte} wakker is en op papa wacht. Verdachte zegt dat hij zo thuis kan zijn. Op 22 december 2010 om 17.40 uur vraagt {naam vrouw verdachte} aan verdachte of hij thuis is, verdachte antwoordt bevestigend (“ja, ik ben thuis”) en zegt vervolgens dat hij goud tussen de kleding van {naam dochter verdachte} heeft verstopt.

{naam vrouw verdachte} heeft verklaard dat de bus melkpoeder al enkele maanden niet door haar werd gebruikt en dat zij de paspoorten nooit heeft gezien.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de paspoorten in de woning zijn verstopt door een van de mensen die daar volgens {naam vrouw verdachte} wel eens bleven overnachten acht de rechtbank dit volstrekt onaannemelijk bezien in samenhang met de bewijsmiddelen ten aanzien van een vals Frans paspoort op 8 december 2010 (overigens eveneens in een witte ING envelop) en de taps van de telefoongesprekken die verdachte voert waarin verdachte aangeeft paspoorten te vervalsen. Bijvoorbeeld in het tapgesprek van 12 november 2010 om 18.21 uur zegt verdachte tegen {onbekende 1}: “Jij hebt het oude paspoort. Ik zal het voor jou bewerken.” Ook in het tapgesprek van 24 oktober 2010 om 11.32 uur waarin hij belt met {onbekende 2}spreekt verdachte uitvoerig over hoe hij paspoorten vervalst: “Misschien kan ik ook een paspoort van een Marokkaan regelen. Hierin moet ik alleen de foto vervangen en ik laat het verlichte netje zoals het is.”

Daarnaast hebben de getuigen {getuige 1 en getuige 2} beiden, kort gezegd, verklaard dat zij verdachte kennen als een vervalser danwel leverancier van valse paspoorten.

Hoewel de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om deze getuigen te horen, kunnen deze verklaringen wel als aanvullend bewijs worden gebruikt aangezien zij (in ruime mate) steun vinden in voornoemde objectieve bewijsmiddelen en aan deze verklaringen geen doorslaggevende betekenis toekomt. Op basis van de bevindingen van de rechter-commissaris dat de getuigen onvindbaar zijn, stelt de rechtbank vast dat het onaannemelijk is dat deze getuigen binnen aanvaardbare termijn op de zitting zouden kunnen verschijnen, zodat de rechtbank het bij pleidooi gedane voorwaardelijk verzoek tot het alsnog horen van {getuige 1} afwijst.

Op grond van deze omstandigheden, de betrokkenheid van verdachte bij valse reisdocumenten en het aantreffen van de reisdocumenten in een woning waar verdachte feitelijk met vrouw en kind woont, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de betreffende paspoorten voorhanden heeft gehad.

Dat mogelijkheid dat niet hij maar alleen zijn vrouw of kind de documenten voorhanden zou hebben gehad, kan buiten beschouwing blijven, dit is noch door de verdediging betoogd, noch is hiervoor steun in het dossier.

Witwassen geld

De verdediging betoogt dat er geen verband is vast te stellen tussen verdachte en het in de woning aan de {adres verdachte} aangetroffen geld.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Mede op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in een schoenendoosje met opschrift “Armani junior” aangetroffen geld ad

€ 1.050,- en het in een open envelop in de kledingkast aangetroffen geld ad € 9.400,- voorhanden had. De schoenendoos bevond zich op een plank van de kast in het slaapgedeelte van de woonkamer (E1.1.3.3), de open envelop in de onderste la van die kast (E1.1.3.2) een en ander aldus nabij de bergplaats van vijf valse paspoorten op diezelfde kast (E1.1.3.1). Verdachte zwijgt hierover en zijn vrouw verklaart dat het geld deels van haar en deels van een niet nader genoemde kennis is. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van de vrouw. De vindplaats, de omvang van de bedragen, de samenstelling daarvan, contant in coupures van € 50,- tot € 500,- en de nonchalante verpakkingswijze maken deze voorstelling van zaken uiterst onwaarschijnlijk. Zonder nadere toelichting, die er niet is, valt immers niet in te zien dat een kennis een zo groot geldbedrag zo voor het grijpen liggend bij verdachte en zijn vrouw zou achterlaten terwijl aldus evenmin valt in te zien dat bedragen van deze omvang aan de vrouw van verdachte, in de schuldsanering verkerend, toebehoren.

De verdediging heeft gesteld dat de constatering dat via Western Union geldbedragen zijn overgemaakt moet worden uitgesloten van het bewijs omdat er geen artikel 126nd Sv vordering met betrekking tot deze gegevens in het dossier zit. De officier van justitie heeft vervolgens deze vorderingen ex artikel 126nd Sv bij gelegenheid van haar repliek alsnog overgelegd, zodat dit verweer, voorzover gehandhaafd, feitelijke grondslag mist.

Uit de informatie van Western Union blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 1.000,- en een bedrag van € 870,- heeft overgeboekt aan {naam ontvanger} in Bangkok. De verdediging betoogt dat onvoldoende blijkt dat deze bedragen uit misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit de taps van diverse telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd kan worden vastgesteld dat verdachte geld verdiende met de handel in vervalste of valse documenten. Zo zegt hij in een gesprek op 28 oktober 2010 om 17.49 uur tegen {onbekende 3}: “met bewerking erbij vraag ik je 900 (…) zonder bewerking 700 (…) Die van Frankrijk zijn voor 500 met vervalsing erbij kosten het 700” en op 3 januari 2011 om 18.17 uur tegen {onbekende 4}: “Als ik ze zelf zou bewerken kosten ze 1600 (…) Ik kan 1400 cash krijgen zonder dat ik die dingen hoef te bewerken.” Verdachte had zelf geen legale bron van inkomsten in Nederland.

Weliswaar zijn deze bedragen niet aanzienlijk, zoals de verdediging aanvoert, echter in de context van deze tapgesprekken en het in zijn woning aantreffen van voornoemde geldbedragen, in grote coupures, en van 10 valse/vervalste paspoorten, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze gestorte geldbedragen uit door verdachte zelf gepleegde misdrijven afkomstig zijn.

Feit 6

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een persoon genaamd {alias verdachte}, geboren op xx-xx- 1974, bij beschikking van 27 januari 1995 ongewenst is verklaard ex artikel 21 van de Vreemdelingenwet omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en openbare rust wegens drie veroordelingen tot gevangenisstraffen met een gezamenlijke duur van zeven maanden. Deze beschikking is aan hem uitgereikt op 9 november 1995.

Naar aanleiding van het tegen het besluit tot ongewenst verklaring gemaakte bezwaar is bij beschikking van 31 juli 1997 expliciet bepaald dat de ongewenst verklaarde Nederland onmiddellijk moest verlaten.

Op basis van het proces-verbaal van 26 september 2012 en de uitslag van het dactyloscopisch onderzoek, kan worden vastgesteld dat verdachte en de in de ongewenstverklaring bedoelde persoon, zich toen noemende {alias verdachte}, een en dezelfde persoon betreft.

Door de verdediging is een beroep gedaan op de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn

en artikel 6.5a, derde lid, van het thans geldende Vreemdelingenbesluit . De verdediging stelt primair dat de ongewenstverklaring van verdachte, {alias verdachte}, bij beschikking van 27 januari 1995, heeft te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn met een inreisverbod, dat dit inreisverbod krachtens de Terugkeerrichtlijn in beginsel vijf jaar geldt, doch krachtens het - voor verdachte gunstiger - artikel 6.5a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit, voor ten hoogste drie jaar geldt en dat deze termijn is verlopen nu verdachte sinds november 1995 voor een periode van “minstens drie jaren maar ook zeker minstens vijf jaren” buiten Nederland heeft verbleven. Verdachte heeft - aldus de raadsman - in ieder geval in de periode van 2001 tot en met 2004 in Spanje verbleven en is ook op andere momenten, getuige onder meer zijn Spaanse verblijfsvergunning, langdurig in Spanje geweest.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn - voor zover voldoende concreet - van toepassing zijn, nu de bepalingen van die richtlijn, in strijd met het bepaalde in artikel 20 van die richtlijn, niet vóór 24 december 2010 zijn geïmplementeerd in onze nationale wetgeving . Dit geldt ook indien - zoals in dit geval - de datum van de ongewenstverklaring en de in de tenlastelegging vermelde pleegdatum gelegen zijn vóór 24 december 2010.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 197 Sr heeft te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn en dat dit tevens een inreisverbod omvat. Dit laatste volgt uit artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn waarin is bepaald dat het terugkeerbesluit gepaard dient te gaan met een inreisverbod in die gevallen waarin - zoals ook in het geval van verdachte - geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend. Bij de beschikking op zijn bezwaar tegen de ongewenstverklaring is zelfs expliciet bepaald dat verdachte Nederland onmiddellijk moest verlaten.

Onder een inreisverbod wordt volgens artikel 3, aanhef en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn verstaan ‘een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit.’ Volgens artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn bedraagt de duur van een inreisverbod in principe niet meer dan vijf jaar.

De vraag of aan verdachte een beroep toekomt op de in artikel 6.5a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit bedoelde kortere periode voor het inreisverbod van drie jaar kan in het midden blijven.

Een beroep op het expireren van de periode van het inreisverbod faalt immers reeds omdat verdachte stelt vanuit Nederland naar Spanje te zijn gegaan en een inreisverbod - als hierboven is weergegeven - een verbod inhoudt van toegang tot en het verblijf op het grondgebied van alle lidstaten, waaronder Spanje. Hieraan doet niet af dat de periode van het inreisverbod aanvangt zodra de vreemdeling het land verlaat, immers zodra hij zich toegang tot een ander lidstaat verschaft, handelt hij in strijd met dit verbod. Dat het inreisverbod is geëxpireerd, is dan ook niet aannemelijk geworden. Dit brengt mee dat het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2 primair.

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd;

3 primair.

een gewoonte maken van witwassen;

4.

een gewoonte maken van opzetheling;

5.

voorwerpen voorhanden hebben, wetende dat zij bestemd zijn tot het valselijk opmaken of vervalsen van reisdocumenten, meermalen gepleegd;

6.

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

De feiten zijn strafbaar.

SAMENLOOP

Namens verdachte is een beroep gedaan op eendaadse samenloop. Het beroep is niet gespecificeerd. De rechtbank overweegt dienaangaand het volgende.

Ten aanzien van de documenten is in het bewezenverklaarde deels sprake van een eenheid van tijd en plaats. Naar het oordeel van de rechtbank worden echter in artikel 231 lid 2 Sr, 234 Sr, 417 Sr en 420ter Sr telkens verschillende belangen beschermd en levert een handeling die in meer dan een van deze delictsomschrijvingen valt meerdaadse samenloop op, zodat het beroep op eendaadse samenloop wordt verworpen.

Bij de strafbaarstelling van valsheidsdelicten als bedoeld in de artikelen 231 en 234 Sr staan van oudsher twee belangen centraal: het belang van het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen enerzijds en het belang van het voorkomen van mogelijk nadeel dat door valsheid in geschrift kan worden geleden anderzijds.

Artikel 417 Sr beoogt tegen te gaan dat iemand profiteert van het misdrijf van een ander en beoogt tevens bescherming te bieden tegen het continueren van de door een misdrijf gecreëerde onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand. Bijkomend beoogt deze strafbaarstelling ook het plegen van het onderliggende delict (bijvoorbeeld de diefstal) te ontmoedigen.

Witwasbepalingen zoals artikel 420ter Sr beschermen de integriteit van het financiële en economisch verkeer door tegen te gaan dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Krachtens de artikelen 420 bis en 420ter Sr is ook het enkele voorhanden hebben van de buit van een door hemzelf gepleegd misdrijf strafbaar. De helingsbepalingen en witwasbepalingen overlappen elkaar voor een deel, dit geldt ook voor het door deze bepalingen beschermde rechtsbelang.

Blijkens de wetsgeschiedenis is evenwel geen sprake van een specialiteitsverhouding. En aangezien de strekking niet (geheel) gelijk is, zal bij gedragingen die zowel witwassen als heling opleveren, meerdaadse samenloop moeten worden aangenomen.

Ten opzichte van het hiervoor vermelde artikel 234 Sr vertegenwoordigen de heling- en witwasbepalingen een geheel verschillend belang.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep op eendaadse samenloop wordt verworpen.

Een en ander neemt niet weg dat bij strafoplegging de aard en ernst van het feitencomplex voorop staat en de uitgebreide wijze van tenlasteleggen, waarvoor in deze zaak door het Openbaar Ministerie is gekozen, niet tot een ander oordeel over strafwaardigheid en strafmaat leidt dan in het geval het Openbaar Ministerie in de tenlastelegging een weloverwogen keuze had gemaakt.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Verdachte is voor de feiten strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de feiten 2 primair, 3 primair, 4 en 5

Verdachte heeft een aantal blanco Franse paspoorten en een aantal gestolen Nederlandse paspoorten voorhanden gehad. Valse reis- en verblijfsdocumenten kunnen ertoe dienen om personen niet op een legale manier toegang of verblijf te verschaffen tot landen die daardoor ernstig in hun vreemdelingenbeleid worden gefrustreerd. Bovendien wordt daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat ook meer algemeen in de juistheid van reis- en verblijfsdocumenten behoort te kunnen worden gesteld.

Ten aanzien van genoemde documenten heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen en opzetheling. Voorts heeft verdachte aanzienlijke geldbedragen witgewassen.

Dit zijn ernstige feiten waarop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Ten aanzien van feit 6

Door de verdediging is aangevoerd dat de Terugkeerrichtlijn in dit geval aan oplegging van een gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 197 Sr in de weg staat omdat uit het strafdossier op geen enkele wijze blijkt dat de Nederlandse overheid aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan om hem via de bij de richtlijn ingestelde terugkeerprocedure terug te laten keren naar zijn land van herkomst of een ander land.

Dit verweer treft doel.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de implementatiewetgeving van de Terugkeerrichtlijn in de Nederlandse wetgeving, een advies van de Raad van State en de op basis daarvan gevormde gezaghebbende jurisprudentie heeft als uitgangspunt te gelden dat sancties van strafrechtelijk aard, pas dan mogen worden opgelegd wanneer aan de in de terugkeerrichtlijn genoemde inpanningsverplichting met als doel de verwijdering, door de lidstaat is voldaan en zonder succes is gebleven.

De ratio daarvan is hierin gelegen dat bij het niet volledig doorlopen van de terugkeerprocedure een spoedige terugkeer door strafoplegging zou kunnen worden gefrustreerd waardoor de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn in gevaar zou kunnen komen.

Het strafdossier van verdachte bevat geen informatie over een terugkeerprocedure anders dan dat van verdachte blijkens een relaas-proces-verbaal d.d. 26 september 2012 van de vreemdelingenpolitie, Team Identificatie, bekend is dat verdachte gebruik maakt van de {alias verdachte} geboren op xx-xx-1974 met zowel de Franse als de Marokkaanse nationaliteit, dat hij zonder vaste woon- of verblijfplaats is, doch vaak verblijft op de {adres verdachte} te Amsterdam bij zijn vrouw en kind, dat hij (inmiddels) beschikt over een origineel Algerijns paspoort, dat hij in 2006 is veroordeeld onder de naam {naam verdachte}, xx-xx-1971, dat hij nog nooit in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en dat derhalve er ook geen bijlage van uitzettingshandelingen bekend is bij de Dienst Terugkeer en Vertrek.

Nu kennelijk de identiteit van verdachte inmiddels vaststaat en geen beletsel (meer) hoeft te zijn voor terugkeer naar Algerije - hetgeen mogelijk in het verleden door het gebruik van aliassen wel het geval is geweest - staat het voor de rechtbank niet vast dat de terugkeerprocedure volledig is doorlopen en is naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet voldaan aan bovengenoemde voorwaarde dat pas strafrechtelijke sancties mogen worden opgelegd wanneer de in de Terugkeerrichtlijn genoemde stappen zonder succes zijn doorlopen.

De rechtbank is concluderend dan ook van oordeel dat aan verdachte terzake het onder 6. bewezenverklaarde geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2012 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De straf is niettemin lager dan gevorderd nu terzake feit 6 geen straf wordt opgelegd en de thans gehanteerde strafmaat overeenkomt met wat terzake de overige feiten - die als gezegd veel overlap vertonen - in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

Overigens is, anders dan de verdediging heeft betoogd, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing. Uitgegaan moet worden van de berechting in feitelijke instantie (en derhalve niet van de latere beslissing in deze zaak door de Hoge Raad), die plaatsvond voorafgaand aan het plegen van de ten laste gelegde feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Ten aanzien van de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte overweegt de rechtbank dat een van de redenen om de voorlopige hechtenis te schorsen was gelegen in de omstandigheid dat geen duidelijkheid bestond omtrent de inplanning van de inhoudelijke behandeling. Nu deze reden is vervallen, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de schorsing dient te worden opgeheven.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen Nederlands geld, zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen en genummerd 3 en 4 verbeurd te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen 5 Franse paspoorten zoals vermeld op de lijst met in beslag genomen voorwerpen en genummerd 1 te ontrekken aan het verkeer

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen 5 Nederlandse paspoorten zoals vermeld op de lijst met in beslag genomen voorwerpen en genummerd 2 terug te geven aan de rechthebbende.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het in beslag genomen Nederlands geld, zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen en genummerd 3 en 4, zal worden verbeurd verklaard.

De verbeurverklaring zal als bijkomende straf worden opgelegd voor feit 3. Het geld behoort verdachte toe en het onder 3. ten laste gelegde is met behulp van het geld gepleegd.

De in beslag genomen 5 Franse paspoorten, zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen en genummerd 1 zullen worden onttrokken aan het verkeer. De bewezen feiten zijn met betrekking tot deze paspoorten gepleegd en het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de in beslag genomen 5 Nederlandse paspoorten zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen en genummerd 2 zal een last worden gegeven tot bewaring ten behoeve van de rechthebbenden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9a, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 197, 231, 234, 416, 417, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 6 voor zover het betreft de periode tot en met 1 juni 2005.

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat verdachte de onder 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart verdachte strafbaar;

bepaalt dat terzake het onder 6 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 3 primair en 4:

het in beslag genomen Nederlands geld, zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen en genummerd 3 en 4;

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

de in beslag genomen 5 Franse paspoorten zoals vermeld op de lijst met in beslag genomen voorwerpen en genummerd 1.

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

de in beslag genomen 5 Nederlandse paspoorten zoals vermeld op de lijst met in beslag genomen voorwerpen en genummerd 2;

heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Russell-van der Hoeven, voorzitter,

en mrs. Mentink en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van De Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 december 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage A bij vonnis van 6 december 2012.

TEKST NADER OMSCHREVEN EN GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

januari 2010 t/m 12 april 2011, althans de periode april 2010 t/m 12 april

2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland en/of te Zaventem

en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans in België,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n)

voorgenomen misdrijf mensensmokkel ten aanzien van één of meer te smokkelen

perso(o)n(en),

- contact heeft onderhouden met en/of instructies heeft gegeven aan en/of

heeft ontvangen van en/of afspraken heeft gemaakt met één of meer

medeverdachte(n) over de organisatie en/of de coördinatie en/of het verloop

van het vervoer van deze te smokkelen perso(o)n(en) en/of over het verlenen

van onderdak en/of het ter beschikking (laten) stellen van reisdocumenten aan

deze te smokkelen perso(o)n(en) en/of over het betalen en/of innen van gelden

voor het vervoer en/of reisdocumenten van deze te smokkelen perso(o)n(en)

en/of

- elf (11) Franse en Nederlandse paspoorten, althans een aantal

(reis)document(en), te weten:

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld, paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats zaaksdossier B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982 (vindplaats zaaksdossier B05)

(ten behoeve van deze mensensmokkel) voorhanden gehad (in zijn woning in

Amsterdam) en/of

- (al dan niet tegen betaling) reisdocumenten trachten te (laten) vervalsen,

terwijl de verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachte(n) daarvan een

beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt;

(artikel 197a jo. 46 Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossier B01en

B05)

2.

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in

Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans

in België, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

één of meerdere reisdocument(en) in zijn bezit heeft gehad, te weten

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05)

waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat het/die paspoort(en), althans reisdocument(en) vals of vervalst

was/waren, bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat

- de personaliabladzijden van deze paspoort(en) niet zijn voorzien van

document- en persoonsgegevens en/of

- er op deze paspoort(en) geen pasfoto's zijn aangebracht en/of

- de paspoort(en) niet zijn voorzien van aantekeningen, in- of uitreisstempels

of anderszins en/of

- er in deze paspoort(en) geen watermerken voorkomen en/of

- op het voorste schutblad van de paspoort(en) geen gedrukt documentnummer zit

en/of

- de paspoort(en) qua kleur, detaillering, toegepaste basismateriaal en gebruikte druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomen met de originele paspoorten van dit model en/of

- die/dit paspoort(en) met (de) serienummer(s) 06AE en/of 06TC niet in omloop

had(den) mogen zijn/komen;

(artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht, vindplaats zaaksdossier B01 en B05)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in

Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans

in België, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van en/of heeft/hebben afgeleverd

en/of voorhanden heeft/hebben gehad één of meer vals of vervalst(e)

geschrift(en), te weten

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05)

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) deze echt en onvervalst, immers

- was/waren de personaliabladzijde(n) van deze paspoort(en) niet voorzien van document- en persoonsgegevens en/of

- was/waren er op deze paspoort(en) geen pasfoto's aangebracht en/of

- was/waren de paspoort(en) niet voorzien van aantekeningen en in- of uitreisstempels en/of

- was/waren er in deze paspoort(en) geen watermerken en/of

- was/waren op het voorste schutblad van het/de paspoort(en) geen gedrukt(e)

documentnummer(s) en/of

- komt/komen het/de paspoort(en) qua kleur, detaillering, toegepaste basismateriaal en gebruikte druk- en beveiligingstechnieken niet overeen met de originele paspoorten van dit model en/of

- had(den) die/dit paspoort(en) met (de) serienummer(s) 06AE en/of 06TC niet in omloop mogen zijn/komen;

(artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossiers B01 en

B05)

3.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011, althans de periode april 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans in België, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of

meer anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats zaaksdossier B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- 1, althans één of meer blanco Franse paspoort(en), althans reisdocument(en)

(vindplaats zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Duitse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Franse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08)

en/of één of meer geldbedragen, te weten

- 9.950,- euro, althans een geldbedrag (zaaksdossiers B05 en C02) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 24 april 2010 en/of 26 april 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 870,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 12 augustus 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 880,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 05 februari 2010 en/of 06 februari 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 17 september 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 952,50 euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 25 januari 2011 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

verworven en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen en/of omgezet en/of van het/de (reis)document(en), althans van het/de voorwerp(en) en/of het/de geldbedrag(en) gebruik gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdacht(en) (telkens) wist(en), dat het/die (reis)document(en), althans het/de voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420ter/ bis Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossiers B01,

B05, B08 en C02)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011, althans de periode april 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats zaaksdossier B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- 1, althans één of meer blanco Franse paspoort(en), althans reisdocument(en)

(vindplaats zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Duitse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Franse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

en/of één of meer geldbedragen, te weten

- 9.950,- euro, althans een geldbedrag (zaaksdossiers B05 en C02) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 24 april 2010 en/of 26 april 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 870,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 12 augustus 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 880,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 05 februari 2010 en/of 06 februari 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 17 september 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 952,50 euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 25 januari 2011 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van het/de reisdocument(en), althans van het/de voorwerp(en) en/of een/de geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het/die reisdocument(en), althans dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420quater Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossiers B01,

B05, B08 en C02)

4.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011, althans de periode april 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen een gewoonte heeft/hebben gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) toen aldaar, na te melden

reisdocument(en), althans (een) goed(eren), te weten

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats zaaksdossier B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- 1, althans één of meer blanco Franse paspoort(en), althans reisdocument(en)

(vindplaats zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Duitse visa(um), althans reisdocumenten (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Franse visa(um), althans reisdocumenten (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

en/of één of meer geldbedragen, te weten

- 9.950,- euro, althans een geldbedrag (zaaksdossiers B05 en C02) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 24 april 2010 en/of 26 april 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 870,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 12 augustus 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 4, blz. 42 en 43) en/of

- 880,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 05 februari 2010 en/of 06 februari 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 1.000,- euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 17 september 2010 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47) en/of

- 952,50 euro, althans een geldbedrag, overgeboekt, althans laten overboeken middels een moneytransfer d.d. 25 januari 2011 (vindplaats zaaksdossier C02, blz. 10 en bijlage 5, blz. 46 en 47)

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van die reisdocument(en), althans (een) goed(eren), wist(en) dat het/deze door misdrijf, namelijk door diefstal en/of verduistering, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen reisdocument(en), althans (een) goed(eren) betrof;

(artikel 417/ 416 Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossiers B01, B05,

B08 en C02)

5.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 t/m 12 april 2011 te Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland en/of te Zaventem en/of Brussel en/of Gent en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten:

- een Frans blanco, althans een niet op naam gesteld paspoort met het nummer

06TC96425 (vindplaats zaaksdossier B01) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04902

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04909

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04916

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04917

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Frans blanco, althans niet op naam gesteld paspoort met nummer 06AE04919

(vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NM23HF2P5 op naam van {naam paspoorthouder 1}, geboren te xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX8C8CDC5 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren te xx-xx-1994 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NT8D4PDD4 op naam van {naam paspoorthouder 2}, geboren xx-xx-1955 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NSCJ2C7B0 op naam van {naam paspoorthouder 3} geboren te xx-xx-1984 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- een Nederlands paspoort met het nummer NX9192364 op naam van {naam paspoorthouder 4} geboren te xx-xx-1982 (vindplaats zaaksdossier B05) en/of

- 1, althans één of meer blanco Franse paspoort(en), althans reisdocument(en)

(vindplaats zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Duitse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08) en/of

- 5, althans één of meer Franse visa(um), althans reisdocument(en) (vindplaats

zaaksdossier B08)

heeft/hebben vervaardigd en/of heeft/hebben ontvangen en/of zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben verkocht en/of heeft/hebben overgedragen en/of voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat zij bestemd was/waren tot het plegen van enig in artikel 231, eerste lid omschreven misdrijf, namelijk het valselijk opmaken of vervalsen van (een) reisdocument(en), danwel (een) aan hem of een ander verstrekt(e) reisdocument(en) ter beschikking stellen van (een) derde(n) met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem/hen verstrekt;

(artikel 234 Wetboek van Strafrecht, vindplaatsen zaaksdossiers B01, B05 en

B08)

6.

Dat hij in of omstreeks de periode 9 november 1995 t/m 12 april 2011, althans in de periode

1 januari 2010 t/m 12 april 2011 in de gemeente Amsterdam en/of Purmerend, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 en/of artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud), in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

(artikel 197 Wetboek van Strafrecht, vindplaats persoonsdossier {naam verdachte})