Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY6522

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
412564 / KG ZA 12-913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot opheffing van het beslag op de aandelen in de bv die eigenaar is van de ss Rotterdam. Dat beslag is gelegd door partijen die stellen dat zij met Woonbron overeenstemming hadden bereikt over de koop van die aandelen, terwijl Woonbron stelt de aandelen aan een derde partij te hebben verkocht. De voorzieningenrechter verwerpt de stellingen dat het beslag reeds op formele gronden moet worden opgeheven. Inhoudelijk oordeelt de voorzieningenrechter dat er op dit moment voldoende aanwijzingen zijn dat er over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming was bereikt, zodat het beslag niet wordt opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 412564 / KG ZA 12-913

Vonnis in kort geding van 18 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WOONBRON HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.B. Gerretsen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEKA GROUP B.V.,

gevestigd te Werkendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTWIND HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Heijnen.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Woonbron”. Gedaagden worden hierna aangeduid als “Veka” respectievelijk “Westwind” en daar waar mogelijk gezamenlijk en in enkelvoud als Veka c.s.”.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende overlegging producties met producties 1-34 van mr. Gerretsen;

- de fax d.d. 4 december 2012 met aanvullende producties 35-39 van mr. Gerretsen;

- de fax d.d. 5 december 2012 met aanvullende productie 40 van mr. Gerretsen;

- de pleitnota van mr. Gerretsen;

- de akte houdende overlegging producties met producties 1-5 van mr. Heijnen;

- de brief d.d. 4 december 2012 met aanvullende productie 6 van mr. Heijnen;

- de fax d.d. 5 december 2012 met aanvullende productie 7 van mr. Heijnen;

- de pleitnota van mr. Heijnen;

- de mondelinge behandeling d.d. 6 december 2012.

2. De feiten

2.1. Veka c.s. heeft bij verzoekschrift d.d. 23 oktober 2012 verlof gevraagd en op 24 oktober 2012 verlof verkregen voor het leggen van conservatoir beslag tot afgifte en levering op alle aandelen die Woonbron houdt in het kapitaal van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij De Rotterdam B.V. (hierna: “de Rederij”), met bepaling van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op vier weken na het leggen van het eerste conservatoir beslag.

2.2. Veka c.s. heeft op basis van het verleende beslagverlof op 24 oktober 2012 ten laste van Woonbron conservatoir beslag doen leggen op de aandelen die Woonbron houdt in het kapitaal van de Rederij.

2.3. Het beslagrekest en het daarop gegeven beslagverlof zijn op 26 oktober 2012 betekend aan Woonbron en de Rederij. Van het beslag is aantekening gemaakt in het aandelenregister van de Rederij.

2.4. De Rederij is eigenaresse van het schip de “SS Rotterdam”. Woonbron is enig aandeelhoudster van de Rederij. Stichting Woonbron is enig aandeelhoudster en bestuurster van Woonbron. Stichting Woonbron heeft een Raad van Commissarissen.

De heer [X] (hierna: [X]) is sinds 1 april 2011 voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting Woonbron.

2.5. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft een aanwijzing gegeven dat Woonbron haar betrokkenheid bij de SS Rotterdam moet terugbrengen tot ten hoogste 20% van de activiteiten van/op het schip. De Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van de Stichting Woonbron hebben daarop besloten de SS Rotterdam af te stoten.

2.6. KPMG Advisory N.V. (hierna: “KPMG”) heeft in verband met de af te stoten SS Rotterdam een veilingprocedure georganiseerd. Het veilingproces van de aandelen in de vennootschap die eigenaresse is van de SS Rotterdam is in februari 2012 van start gegaan.

2.7. In augustus 2012 is de heer [Y] van Mixed Invest Partners B.V. (hierna: “[Y]”) namens Veka c.s. met Woonbron in contact getreden in verband met het door Woonbron ingezette verkooptraject.

2.8. Nadat Veka c.s. een geheimhoudingsverklaring heeft ondertekend, heeft KPMG bij e-mail van 30 augustus 2012 een brief d.d. 29 augustus 2012 met de titel “Process letter Project ss Rotterdam” aan Veka gestuurd. Deze brief luidt, voor zover van belang:

“(…)

Thank you for your interest in the possible acquisition of Rederij de Rotterdam B.V. (…), owner of the steamship Rotterdam (“ss Rotterdam”).

In this letter, we would like to outline the proposed sale process, the information made available to assist you in the formulation of an indicative, non-binding offer (…) and the information that you are kindly asked to submit as part of your Non-Binding Offer. Based on the information provided, you are invited to submit a Non-Binding Offer for the Company as soon as possible, but no later than 13 September 2012. As discussed, the sale process is currently at an advanced stage, therefore Seller assumes you will be able to act swiftly in this process.

(…)

You are invited to submit an Non-Binding Offer for Rederij de Rotterdam in accordance with the procedure set out below.

(…)

Envisage sale process

The sale process is structured in multiple phases.

If, following the review of the Information Memorandum, the party wishes to continue with the Proposed Transaction, it has to submit a Non-Binding offer, covering a number of topics as set out below.

Shortly after receipt of the Non-Binding Offer, KPMG Corporate Finance will notify the interested party who has submitted an Non-Binding Offer whether or not it will be invited to participate in the next phase at which point further details of the process will be provided.

Non-Binding Offer

The Non-Binding Offer should contain at least the following;

1 The purchase price to be paid in euro to acquire (i) (all of) the shares in Rederij de Rotterdam or (ii) the asset the ss Rotterdam;

2 The proposed financing structure, including the extent (if any) to which the acquisition will be financed by third parties and in what form (including details of the types and levels of debt, equity and hybrid financing);

3 Identity and description of the bidding entity and its ownership structure;

4 A brief overview of your plans with respect to the ss Rotterdam going forward including your view on whether the ss Rotterdam will remain in Rotterdam or will be moved to elsewhere;

5 Any other matters that buyer considers relevant and which should be considered by the Seller in deciding which party or parties should be invited into the next phase of the process.

(…)

Shortly after receipt of the Non-Binding Offer, KPMG Corporate Finance will notify the interested party who has submitted a Non-Binding Offer whether or not it will be invited to participate in the Phase 2.

More details on phase 2 will be shared at the beginning of the second round.

(…)

Other relevant matters

The Seller and KPMG Corporate Finance reserve the right, at any time prior to the signing of any binding agreement in relation to the Proposed Transaction, without advance notice and in their sole and absolute discretion, to negotiate with one or more potential purchasers, to reject any prospective purchaser from further consideration without disclosing the reason for such rejection, to change the procedure for the proposed Transaction, to amend the legal structure of the proposed Transaction or to terminate the process.

(…)”

2.9. Een brief d.d. 5 september 2012 van Mixed Invest Partners B.V. aan KPMG luidt, voor zover van belang:

“(…)

Onderwerp van verkoop en prijs

Koper is voornemens om een bieding op de aandelen “De Rotterdam” uit te brengen. Er is momenteel onvoldoende inzicht in de wijze waarop dit geformuleerd moet worden. Wel is koper bekend met de in de publiciteit genoemde bedragen. In dit verband wordt met een bandbreedte gerekend tussen de € 25 en € 30 miljoen. Dit prijsniveau lijkt een aanvaardbare basis te zijn voor een definitief voorstel.

(…)”

2.10. Op 12 september 2012 heeft er tussen Veka c.s. en Woonbron een gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van hetgeen tijdens dit gesprek tussen partijen is besproken, heeft KPMG een ‘ss Rotterdam-Concept tegenvoorstel’ d.d. 13 september 2012 opgesteld. Dit document - met de vermelding op het voorblad Uitsluitend voor discussiedoeleinden - luidt, voor zover van belang:

“Achtergrond

Dit document is opgesteld naar aanleiding van het gesprek met Mixedinvest Partners op 12 september jongstleden over de indicatieve bieding (…)

Het doel van dit document is op basis van dit gesprek de door Woonbron voorgestelde contouren van een mogelijke transactie uiteen te zetten zodat hier overeenstemming over bereikt kan worden (…)

We vernemen graag jullie reactie op dit tegenvoorstel. Woonbron is in de gelegenheid na jullie reactie snel te beslissen en jullie toegang te geven tot de due diligence fase

(…)

Signing Datum in de toekomst na uitkomst due diligence, 12 oktober 2012

Effectieve datum 31 december 2012, resultaat tot die datum voor rekening Verkoper

(…)

Financiering Koper heeft aangegeven dat:

a) 30% van de Koopsom uit eigen vermogen (equity) bestaat, welke door middel van een bankgarantie bevestigd wordt

b) 70% van de Koopsom middels een bankfinanciering beschikbaar gesteld wordt. (…)

(…)

Claims Woonbron zal voor transactie huidige claims van de Rederij op derden uit De Rederij halen en naar Woonbron overbrengen danwel een vrijwaring geven waarbij Woonbron controle houdt over het proces en alle kosten en opbrengsten voor rekening en risico Woonbron zijn

(…)

Due Diligence onderwerpen Koper heeft aangeven de volgende gebieden in haar due diligence te onderzoeken. Dit onderzoek zal 14 dagen in beslag nemen:

(…)

Toekomstige plannen Koper Het is koper bekend dat er op dit moment geen vergunning is voor een

voor het ss Rotterdam Casino noch een vergunningvoor het (al dan niet tijdelijk) afmeren van andere schepen aan het [adres] (kade onder erfpacht). Verkoper zal zich inspannen om tesamen met Koper een eerste aanzet te maken voor deze mogelijkheden, echter zal in geen geval het (nog) niet verkrijgen van deze specifieke vergunningen kunnen worden gebruikt als ontbindende voorwaarde voor een mogelijke overname en/of prijscorrectie

Vrijwaringen en garanties Woonbron zal passende set van garanties en vrijwaringen verstrekken, die hoort bij haar rol als eigenaar/verhuurder van het ss Rotterdam. (…)

Proces (…)

Woonbron en KPMG Finance behouden zich het recht voor om op elk moment voorafgaand aan het tekenen van een bindende overeenkomst met betrekking tot de Voorgenomen Transactie, zonder voorafgaande aankondiging en naar hun eigen goeddunken te onderhandelen met één of meerdere potentiële kopers, enige potentiële koper af te wijzen zonder opgaaf van redenen, de procedure voor de Voorgenomen Transactie te wijzigen, de juridische structuur van de Voorgenomen Transactie te wijzigen of het proces te beëindigen. (…)

Timing De timing is als volgt uiteengezet en bevestigd door Koper:

Vrijdag 14 september – Afstemmen contouren transactie

Maandag 17 september – Aanvang due diligence (14 dagen)

Maandag 1 oktober – Einde due diligence

Vrijdag 5 oktober – Finale bieding inclusief financiering door middel van een markup SPA (te verstrekken door Verkoper)

Vrijdag 12 oktober – Signing

(…)”

2.11. Het onder 2.10. bedoelde document is bij begeleidende e-mail d.d. 13 september 2012 van [Z] (KPMG) aan [Y] toegezonden. Deze e- mail luidt, voor zover van belang:

“(…)

Zoals gisteren reeds aangekondigd stuur ik je een ‘tegenvoorstel’ voor de contouren van de transactie. Deze zijn opgesteld door Woonbron naar aanleiding van ons gesprek van 12 september jongstleden. Het doel van dit document is de door Woonbron voorgestelde contouren van een mogelijke transactie uiteen te zetten zodat hier overeenstemming over bereikt kan worden.

(…)

We vernemen graag jullie reactie op dit tegenvoorstel. Woonbron is in de gelegenheid na jullie reactie snel te beslissen en jullie toegang te geven tot de due diligence fase.

(…)”

2.12. Een e-mailbericht d.d. 20 september 2012 van [Z] aan [Y] luidt, voor zover van belang:

“(…)

We hebben een aantal besprekingen gehad (…) waarin we hebben aangegeven dat een belangrijke factor voor Woonbron de opbrengst van de transactie is. Tevens hebben we aangegeven dat jullie een achterstand hebben ten opzichte van andere partijen, waarbij Woonbron thans in de fase komt waarin ze belangrijke beslissingen moet nemen en het aantal opties zal moeten verminderen. Onze initiële reactie op jullie eerste voorstel is geweest dat jullie prijs, ten opzichte van andere alternatieven, niet onderscheiden genoeg is en dat Woonbron, mede gebaseerd op de fase in het verkoopproces, het niet langer opportuun acht met jullie verder te praten. Jullie hebben vervolgens om een gesprek gevraagd, wat we direct de dag erna hebben gehad.

(…)

Positie Woonbron

Jullie reactie hierop hebben we op 17 september (in de avond) ontvangen en besproken. Op basis van jullie mail concludeert Woonbron dat de prijs niet is gewijzigd – ondanks dat er meer inzicht is gegeven in de toekomstige fiscale afschrijving en een voorstel is gedaan ter financiering van deze post – en dat een aantal voorwaarden (bijvoorbeeld personeel, investering en erfpacht) afhankelijk is van due diligence waarvan een eventuele impact op de prijs onduidelijk is.

Deze facetten maakt dat Woonbron een keuze heeft gemaakt jullie geen toegang te geven tot de due diligence fase, simpelweg omdat het door jullie gedane bod niet onderscheidend genoeg is. Woonbron, als verkoper, is hiertoe te allen tijde gerechtigd.

Doestelling bijeenkomst vrijdag

De bijeenkomst van vrijdag wordt door woonbron dan ook mede gezien als laatste poging om te kijken of partijen overeenstemming kunnen bereiken over een verdere deelname van jullie in het proces. De beslissing om jullie vooralsnog niet door te laten tot een volgende ronde is uitsluitend gebaseerd op de financiële condities van jullie voorstel, en niet op basis van identiteit van bieders of plannen met het schip. Een presentatie over jullie plannen met het schip – zoals jullie aankondigen – is derhalve alleen opportuun indien overeenstemming bereikt wordt over continuering van jullie cliënt in het verkoopproces. (…)”

2.13. Een ‘Gespreksverslag overleg Woonbron/KPMG/White” d.d. 21 september 2012 luidt, voor zover van belang:

“(…)

Aangegeven wordt dat van toetreding tot het verkoopproces door White alleen sprake kan zijn indien upfront voorzien kan worden in eigen financiering van tenminste € 10 mln. (…)

[X] geeft aan dat de waarde van een mogelijke transactie met White tenminste € 40 mln. moet bedragen om deze aantrekkelijk te maken voor Woonbron.

(…)

Afgesproken wordt daarnaast dat, White KPMG tussentijds op de hoogte zal houden van de bevindingen uit het DD. Indien de bevindingen daartoe aanleiding geven, dat is in ieder geval aan de orde indien White verwacht dat niet voldaan kan worden aan een minimale transactiewaarde van € 40 mln. zal het DD worden gestopt. White geeft aan hiermee akkoord te zijn. (…)”

2.14. Een e-mailbericht d.d. 17 september 2012 van [Y] aan (onder meer) [Z] luidt, voor zover van belang:

“Vanmorgen informeerde ik u in goede orde uw “tegenvoorstel” te hebben ontvangen. De tussen u en mij op 12 september besproken zaken zijn hier correct in opgenomen.

U gaf aan, dat mijn reactie van de 13e niet voldoende toereikend is om toegang tot de database te verstrekken. Met de kennis welke mij tot heden ter beschikking staat zal ik hier, na nadrukkelijke instemming van mijn opdrachtgevers, een poging doen.

(…)

Financiering.

Ik informeerde u dat de financiering zal worden aangetrokken op basis van 30% equity. Cliënten hebben van de financier de informatie dat hierover kan worden beschikt, mits dit bedrag volgende week wordt gesepareerd. (…)

Nb. De financier is op de hoogte van de asbest problematiek en heeft hier vooralsnog geen problemen mee.

Due Diligence

De weergave is correct.

Koper is zich er van bewust, dat sommige zaken (…) wellicht buiten de invloedsfeer van verkoper liggen, doch dat beslissing door derden wordt genomen.

Koper wil met verkoper overleg voeren over een inspanningsverplichting dienaangaande.

(…)

Proces en timing

Onder voorbehoud van onvoorzien ontwikkelingen: akkoord. Vermeldenswaardig dat het DD team gereed is om binnen het tijdspad te gaan werken. Ditzelfde geldt voor de daadwerkelijke overname en de bijbehorende financiering.

(…)”

2.15. Een brief d.d. 26 september 2012 van KPMG aan Veka luidt, voor zover van belang:

“(…)

Thank you for submitting your indicative offer with regard to project ss Rotterdam. We are pleased to conform that Stichting Woonbron (…) hereby conforms your invitation to proceed to Phase II of the process regarding the possible acquisition of Rederij de Rotterdam B.V. (…).

During Phase II you are kindly asked to submit a Firm Offer to acquire the share capital of Rederij de Rotterdam (…) by means of a mark-up draft Sale and Purchase Agreement “(SPA”) in relation to the Proposed Transaction.

(…)

We kindly request you to submit your Firm Offer by means of a revised mark-up to the SPA to KPMG Corporate Finance on or before Friday 12 October 2012, 14.00 pm CET.

(…)

The sale and purchase agreement (the “SPA”) specifying the terms upon which the Seller intends to effectuate the sale of the Company will be sent to you in a separate document. An initial compressive mark-up of this agreement comprising your complete comments to the SPA and representing the agreement that you would be willing to sign should be submitted on or before Monday 8 October 2012, 10.00 am CET.

(…)

Please appreciate that general, summary or conceptual comments on the SPA are discouraged. We encourage you to include all your desired changes, but remind you that substantial deviations from the proposed draft will put your Form Offer at a disadvantage.

Phase III – final negotiations and signing

On the basis of the Firm Offers, the Seller and KPMG Corporate Finance will discuss next steps and may identify one or several preferred bidder(s) for final negotiations.

(…)

The seller and KPMG Corporate Finance reserve the right, at any time prior to the signing of any binding agreement in relation to the Proposed Transaction, without advance notice and in their sole and absolute discretion, to negotiate with one or more potential purchasers, to reject any prospective purchaser for further consideration without disclosing the reason for such rejection, to change the procedure for the Proposed Transaction, to amend the legal structure of the Proposed Transaction or to terminate the process.

(…)”

2.16. Een e-mailbericht d.d. 26 september 2012 van KPMG aan (onder meer) [Y] luidt, voor zover van belang:

“(…)

We stellen voor om dinsdag 9 oktober een bespreking te plannen om de bevindingen uit het due diligence te bespreken, alsmede jullie opmerkingen op de concept SPA. De uitkomsten van deze bespreking kunnen dan verwerkt worden in jullie Firm Offer.

(…)”

2.17. Een e-mailbericht d.d. 11 oktober 2012 van [Z] aan verscheidene geadresseerden met als onderwerp “ssR – Uitwerking bespreking 9 oktober” luidt, voor zover van belang:

“Heren,

Naar aanleiding van onze bespreking afgelopen dinsdag doe ik jullie de onderstaande stukken toekomen. Wij zijn op basis van de “Uitwerking 9 oktober” een aantal artikelen aan het toevoegen aan de SPA. We vernemen graag jullie opmerkingen op de “Uitwerking 9 oktober”. De “Uitwerking 9 oktober” zal, tesamen met een begeleidend schrijven dienen als termsheet die partijen overeenkomen. (…)

We ontvangen graag tevens jullie commentaar op de SPA die reeds op 26 september is toegezonden, dit borgt dat we op de algemene artikelen jullie input kunnen verwerken in een nieuw concept SPA (zal na ontvangst van jullie commentaar deze week, volgende week gecirculeerd worden). Voor de volledigheid is de concept SPA eveneens toegevoegd.

Daarnaast heeft [X] gisteren met [W] gesproken over de financiering van de trasactie. Woonbron dient voor haar interne besluitvorming inzicht te verkrijgen in de financieringsmogelijkheden van Veka en Westwind. Dit wordt door jullie nog verstrekt.

Als laatste hebben de juristen van DVDW toegang gekregen tot de dataroom. Ter voorkoming van misverstanden: We hebben afgesproken dat het due diligence onderzoek naar tevredenheid is afgerond. DVDW zal de data room uitsluitend gebruiken voor hun werkzaamheden omtrent de SPA.

We zien graag jullie opmerkingen en eventuele aanvullingen tegemoet (op “Uitwerking 9 oktober” en “SPA 25 september”), gezien onze interne besluitvorming dient dit uiterlijk maandag 13:00 u ontvangen te zijn.

(…)”

2.18. Tijdens de bespreking op 9 oktober 2012 heeft [Q] (namens Veka c.s.) aantekeningen met als aanhef “Definitief Uiterlijk Voorstel!!!” op een flip-over bord geschreven. Hiervan is ter plaatse een foto gemaakt. Een kopie van die foto is hierna ingevoegd.

2.19. KPMG heeft een ‘ss Rotterdam-Uitwerking bespreking 9 oktober 2012’ d.d. 11 oktober 2012 opgesteld. Dit document luidt, voor zover van belang:

“(…)

Signing en Closing Signing oktober 2012 (of zoveel later als aan de Signing voorwaarden zal zijn voldaan),Closing eind december 2012

Signing Voorwaarden Voor signing van de koopovereenkomst zullen de volgende voorwaarden moeten zijn vervuld;

Goedkeuring van de Voorgenomen Transactie (en transactiedocumentatie) door de RvC van Stichting Woonbron

(…)

1e betaling door Koper Als 1e betaling zal uiterlijk vrijdag 19 oktober 2012 EUR 500.000 (…) gestort worden op (…)

(…)

Financiering Ter aflossing van de thans door Verkoper aan het Object verstrekte financiering zal Koper op Closing gelden ter beschikking stellen op de volgende wijze:

(…)

In het geval een bankfinanciering niet of gedeeltelijk beschikbaar wordt gesteld, zal Verkoper een financiering verstrekken aan Veka ter grootte van het verschil; tussen de bankfinanciering en EUR 16 miljoen, onder de volgende condities:

- Een financiering van Verkoper zal een 1e hypotheekrecht bevatten met een preferentie voor de eerste EUR 6 miljoen boven de inbreng van Koper. Bij volledige financiering door Verkoper zal Verkoper voor EUR 6 miljoen preferent en voor 16/22e deel (circa 72%) concurrent schuldeiser zijn. (…) Mocht de preferentie in het 1e hypotheekrecht niet mogelijk blijken in de praktijk, dan zal Koper aanvullende zekerheiden verstrekken aan Verkoper ter grootte van minimaal EUR 6 miljoen

(…)

- De looptijd van de financiering van verkoper bedraagt maximaal 15 jaar, ingaande op Effectieve Datum, met een effectief rentepercentage van 6% per jaar, waarbij jaarlijks achteraf lineair zal worden afgelost

Indien Verkoper een financiering verstrekt, zal Koper trachten deze financiering zo snel mogelijk te herfinancieren met alternatieve financiering. Indien deze herfinanciering binnen 2 jaar plaatsvindt, zal de vergoeding voor de gerealiseerde belastingbesparing (die onderdeel is van de koopsom) gemaximeerd worden op EUR 20 miljoen (zegge: twintig miljoen euro)

(…)

Koopsom De Koopsom is opgebouwd uit de volgende componenten:

a) Een bedrag voor de aandelen van De Rederij van EUR 1 (…)

b) Circa 40% (…) van de daadwerkelijk door Koper gerealiseerde belastingbesparing, te berekenen als het verschil tussen nominaal tarief VbP toegepast op winst voor belasting van de groep van Koper, minus het daadwerkelijk door Koper betaalde bedrag aan VpB aangaande dat jaar, waarbij de vergoeding van Koper aan Verkoper gemaximeerd wordt op EUR 21 miljoen (…)

Ter aflossing van de thans door Verkoper aan het Object verstrekte financiering zal Koper op Closing gelden ter beschikking stellen op de volgende wijze:

a) EUR 6,0 miljoen (…) wordt door Koper als risicodragend vermogen ingebracht, opgebowud uit een contante storting op de derdenrekening van de notaris van EUR 5,5 miljoen en de 1e Betaling van EUR 0,5 miljoen

b) EUR 16,0 miljoen (…) wordt door Koper middels een bankfinanciering beschikbaar gesteld. Koper zal zich maximaal inspannen om gedurende de tijd tussen Signing en Closing van de transactie vreemd vermogen financiering aan te trekken.

In het geval een bankfinanciering niet of gedeeltelijk beschikbaar wordt gesteld, zal Verkoper een financiering verstrekken aan Veka ter grootte van het verschil tussen de bankfinanciering en EUR 16 miljoen, onder de volgende condities:

Een financiering van Verkoper zal een 1e hypotheekrecht bevatten met een preferentie voor de eerste EUR 6 miljoen boven de inbreng van Koper. Bij volledige financiering door Verkoper zal voor EUR 6 miljoen preferent en voor 16/22e deel (circa 72%) concurrentschuldeiser zijn. Bij eventuele aanvullende financieringen (…) zal dit percentage voor Verkoper niet wijzigen. Mocht de preferentie in het 1e hypotheekrecht niet mogelijk blijken in de praktijk, dan zal Koper aanvullende zekerheden verstrekken aan Verkoper ter grootte van minimaal EUR 6 miljoen

De looptijd van de financiering van Verkoper bedraagt maximaal 15 jaar, ingaande op Effectieve datum, met een effectief rentepercentage van 6% per jaar, waarbij jaarlijks achteraf lineair zal worden afgelost

Indien Verkoper een financiering verstrekt, zal Koper trachten deze financiering zo snel mogelijk te herfinancieren met een alternatieve financiering. Indien deze herfinanciering binnen 2 jaar plaatsvindt, zal de vergoeding voor de gerealiseerde belastingbesparing (die onderdeel is van de Koopsom) gemaximeerd worden op EUR 20 miljoen (…)

(…)

Due Diligence Koper heeft aangeven haar due diligence onderzoek naar tevredenheid te hebben afgerond, kennis te hebben genomen van de volledige EDR en geen verdere zaken te willen onderzoeken

(…)

Toekomstige plannen

Koper voor Object Het is Koper bekend dat er op dit moment geen vergunning is voor een casino noch een vergunning voor het (al dan niet tijdelijk) afmeren van andere schepen aan het [adres] (kade onder erfpacht). Verkoper zal zich inspannen om Koper bij haar gesprekken met de betrokken instanties, echter zal in geen geval het (nog) niet verkrijgen van deze specifieke vergunningen kunnen worden gebruikt als ontbindende voorwaarde voor een mogelijke overname en/of prijscorrectie

(…)”

2.20. Een e-mailbericht d.d. 15 oktober 2012 van mr. R. Horstman, raadsman van Veka c.s., aan [Z] van KPMG luidt, voor zover van belang:

“(…)

Als vrijdag al telefonisch aangekondigd, bijgaand ons commentaar op de ‘Uitwerking bespreking 9 oktober 2012”. Voor de goede orde, hierin zijn nog niet de uitkomsten van het juridisch due diligence betrokken nu dat onderzoek nog niet geheel is afgerond.

(…)”

2.21. Het onder 2.20. bedoelde commentaar is opgenomen in een document met als titel ‘Opmerkingen bij de “Uitwerking Bespreking 9 oktober 2012”’. In dit document staat onder meer het volgende:

“(…)

Koper “hoofdelijke aansprakelijk”wijzigen in: “aansprakelijkheid voor

gelijke delen”.

Signing “en Closing” (…)

Voorwaarden Voorwaarden voor Closing (ten behoeve van Koper) toevoegen:

Voortzetten of verkrijgen van alle vergunningen vereist voor continuering van de huidige activiteiten van De Rederij en De Rotterdam, alsmede de nieuwe activiteiten als bedoeld onder Toekomstige Plannen Koper voor het Object.

(…)

Exclusiviteit (toevoegen) Toevoegen: “Verkoper verleent aan Koper tot 1 januari 2013 exclusiviteit gedurende welke periode Verkoper met betrekking tot de Voorgenomen transactie direct noch indirect met derden zal onderhandelen of een vergelijkbare transactie aangaan en lopende onderhandelingen afbreken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van [EUR 500]”.

(…)

Due Diligence Toevoegen “Verkoper heeft alle voor de hierin bedoelde transactie relevante informatie aan Koper ter beschikking gestelde in een EDR ten behoeve van een due diligence onderzoek door Koper.”Verwijderen: “naar tevredenheid” en “en geen verdere zaken te willen onderzoeken”.

Toevoegen: De EDR blijft tot Closing ten behoeve van Koper open en na Signing zal de inhoud printable en downloadable zijn.

3e alinea 1e zin wijzigen in: “Verkoper zal uit hoofde van de garanties niet aansprakelijk zijn jegens Koper van die feiten die direct en bij eerste lezing uit de EDR blijken.

(…)”

2.22. Een e-mailbericht d.d. 17 oktober 2012 van [W] (namens Veka c.s.) aan [Z] luidt, voor zover van belang:

“(…)

Inmiddels hebben wij een offerte binnen aangaande de financiering van de ss Rotterdam.

Via deze route financier ik ook andere projecten.

Onder jullie NDA welke getekend is door VEKA wil ik de ‘Letter of intent for loan agreement’ aanmerken als confidentieel stuk.

(…)

Graag jouw akkoord waarna ik de LOI zal doorsturen.

(…)”

2.23. Een e-mailbericht d.d. 18 oktober 2012 van [A] (van KPMG namens Woonbron) aan [W] luidt, voor zover van belang:

“(…)

Door middel van deze mail willen wij graag namens Woonbron bevestigen dat de ‘Letter of intent for loan agreement’ als vertrouwelijk document onder de wederzijds getekende geheimhoudingsverklaring zal vallen.

Aangezien Woonbron dit document wenst te gebruiken voor de interne besluitvorming, zouden we dit document indien mogelijk graag spoedig ontvangen.

(…)”

2.24. Een gesprekverslag White/Woonbron (telefonisch overleg) d.d. 18 oktober 2012 van een telefoongesprek tussen [W] en [X] en [B] luidt, voor zover van belang:

“(…)

Telefonische call is bedoeld om White te informeren dat zij niet de partij wordt waaraan Woonbron het SSR gaat verkopen. De call vindt aan het begin van de avond van 18 oktober plaats (…)

[X] meldt aan [W] dat hij geen goed nieuws gaat brengen. Hij geeft aan dat het definitieve voorstel van een verkooptransactie met White, zoals uitgewerkt tijdens het gesprek op 9 oktober jl. in Rotterdam, inmiddels besproken te hebben met de leden van de RvB, de toezichthouder CFV (Centraal Fonds Volkshuisvesting, externe toezichthouder belast met financieel toezicht op woningcorporaties, opm. voorzieningenrechter)(…). Het CFV heeft aangegeven kanttekeningen te hebben bij het verstrekken van financiering aan White. Men heeft geconcludeerd dat corporaties hier niet voor zijn. Op grond van het gevoerde overleg is de conclusie dat er ten aanzien van een deal met White sprake is van een “No Go”. (…)

Ter toelichting meldt [X] dat het uitblijven van zekerheid over de financiering van de transactie door White een relatief hoog risicoprofiel van het voorstel, op grond van een relatief ongunstige verhouding tussen het deel van de transactieprijs up-front en het deel dat op termijn wordt ontvangen, aan de basis ligt van de genomen beslissing van de RvB.

(…)”

2.25. Op 18 oktober 2012 heeft Woonbron verder overleg met Veka c.s. gestaakt.

Nadien heeft Woonbron met WestCord Hotels een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de overname van de aandelen in de Rederij en daarmee de SS Rotterdam.

2.26. Een schriftelijke verklaring d.d. 9 november 2012 van [W] luidt, voor zover van belang:

“(…)

De bespreking op 8 oktober 2012 had een duidelijke inzet. Met zoveel woorden werd aan de kant van Woonbron aangegeven dat we zouden onderhandelen om tot een deal te komen. Het woord exclusiviteit is in dit gesprek meerdere malen gevallen. Twee zaken stonden centraal, te weten de waarde van het schip en de waarde van de fiscaliteit (het afschrijvingspotentieel).

(…)

Het gesprek liep in eerste instantie niet helemaal soepel omdat we het hadden over bedragen in de orde van grootte van 30,32 of 32 miljoen. Dit was niet waar Woonbron aan dacht. Men liet toen weten eerst intern te willen overleggen en de bespreking te willen schorsen. (…) Toen men terug kwam van de scho[X] letterlijk: “Het was lastig om mensen van de RvC te pakken te krijgen maar het is gelukt. Hetgeen [C] van KPMG dadelijk zal aangeven ter zake van de vraagprijs en de financiering is hetgeen wij jullie kunnen aanbieden”. Het ging toen om een bedrag van 40 miljoen met een interne lening door Woonbron van 28 miljoen. Ook de voorwaarden waaronder Woonbron de lening wilde verstrekken werden genoemd, te weten een eerste hypotheek op het schip van 28 miljoen, aanvullende zekerheden voor 14 miljoen, een boetevrije aflossing en een rente van 9%. [X] gaf aan: “Ik faciliteer een interne lening, dat doe ik omdat ik niet het risico wil lopen dat de deal niet doorgaat omdat jullie het niet gefinancierd krijgen”.

(…)

De volgende dag (dat wil zeggen op 9 oktober 2012) zijn wij eerder begonnen.

(…)

[X] wilde hoe dan ook de interne leningsfaciliteit er in opgenomen hebben. Hij gaf aan: “ik wil er met jullie uitkomen en de zaak doen, maar ik wil niet het gevaar lopen dat de financiering een discussie wordt als de overdracht nadert en aan iedereen gecommuniceerd is dat jullie overgenomen hebben. Mocht ik het schip dan weer terug krijgen, dan kost mij dat de kop”. Wederom waren dat zijn letterlijke woorden. We zijn toen nogmaals een keer uit elkaar gegaan. Na deze pauze spraken wij intern af een nieuwe variant te noemen inclusief de leningsfaciliteit.

[Q] rekende ons 43 miljoen voor er van uitgaande dat Woonbron langere tijd zou financieren. Als wij binnen twee jaar elders een financiering zouden afsluiten – hetgeen voor de hand lag omdat wij al ver gevorderd waren – zou de koopsom 42 miljoen zijn. De duur van de lening zou 15 jaar moeten zijn en de rente 6%.

Na de schorsing stonden we met z’n allen om het bord. De koopsom stond niet meer ter discussie maar over enkele punten waren wij het nog niet eens, dat wil zeggen de eerste hypotheek die Woonbron wilde hebben en de wijze waarop dat diende te worden ingevuld, de minimale betaling van de fiscale deel van de koopsom en de duur van de lening. Vervolgens werd de bespreking weer geschorst. Woonbron ging met haar vertegenwoordigers naar buiten met de mededeling “wij moeten gaan bellen met de Raad van Commissarissen’ zo stelde [X]. Toen zij terugkwamen na de schorsing zei [X] letterlijk; “er is witte rook”. Ter plaatse hebben wij de laatste punten afgehandeld, dat wil zeggen de lening zou lopen voor 15 jaar tegen 6% en voor wat betreft de eerste hypotheek gold dat Woonbron als eerste betaald zou krijgen voor een bedrag van 6 miljoen. Vervolgens werd er enthousiast geroepen “We zijn er uit we hebben een deal” en werd de tafel rond gegaan waarbij iedereen elkaars handen schudde als felicitatie. Ik kan mij nog herinneren dat de mensen van KPMG aangaven “daar hebben we twee jaar aan gewerkt en komt nu straks tot een einde”.

(…)

[X] liet weten dat hij, zoals eerder gezegd, een deadline had staan voor die woensdag 12.00 uur, de dag erna. Hij deelde mee: “ik heb werk te doen, ik ga iedereen afbellen”, zulks met uitzondering van de partij [D]. Hij vond dat men niet kon afzeggen omdat men al een reis geboekt had, maar, zo zei hij letterlijk: “maak je niet ongerust. Wij hebben de deal met jullie toch al rond”. Vervolgens hebben we het moment van ondertekenen vastgelegd op de vrijdag daarna. Immers, we hadden tijd nodig om tot een voorlopig koopdocument te komen. Tevens hebben we daar afgesproken om naast het tekenen, een glas Champagne te drinken in het schip. Ook zouden we dan kijken hoe met de pers om te gaan. Vrijdag 16.00 uur spraken we af. De dag voor het tekenmoment zouden wij

€ 500.000,- storten op een derdengeldrekening.

(…)

Op vrijdag 12 oktober werd ik gebeld door [X] met de mededeling “[W], niet iedereen is enthousiast over de deal. Wat mij zou helpen is als je iets van comfort geeft van je bank of financiële instelling.” Ik heb hem toen geantwoord dat dat niet besproken was en mij ook niet urgent leek in verband met de interne lening die verstrekt werd.

(…)

We hadden in principe onze financiering al opgetuigd, maar dat had door de gemaakte afspraken nu niet de grootste urgentie. We hadden immers een (interne) financiering van Woonbron.

(…)”

2.27. Een schriftelijke verklaring d.d. 4 december 2012 van [B] (Woonbron) luidt, voor zover van belang:

“(…)

Ik kan mij niet goed voorstellen dat bij Veka/Westwind daadwerkelijk de gedachte is opgekomen dat op 9 oktober 2012 overeenstemming was bereikt. Er was nog veel werk te doen om uit te komen op de situatie waar tijdens de bespreking over gesproken was, namelijk het tekenen van de SPA en het heffen van het glas op een succesvolle verkooptransactie.

(…)

Overigens zei [Q] zelf dat hij verwachtte dat zijn achterban problemen zou hebben met de zekerheidsconstructie. Veka had daarnaast nog steeds geen duidelijkheid geboden omtrent de financiering, dat was voor Woonbron een belangrijk issue, die nadrukkelijk en herhaald onder de aandacht van Veka/Westwind was gebracht. Wij hadden ook nog geen concept voor de SPA ontvangen.

(…)

Er is op 9 oktober gesproken over het verlenen van exclusiviteit, maar dat is nadrukkelijk gekoppeld aan een later fase van het verkoopproces, niet als gevolg van de resultaten van de bespreking van 9 oktober 2012, exclusiviteit vanaf de datum 9 oktober is niet toegezegd. Dat kon ook niet aangezien besluitvorming over de transactie, feitelijk de keuze voor de best geschikte partij, nog moest plaatsvinden in de vergadering van de RvB, goedkeuring moest plaatsvinden in de vergadering van de RvC en, indien gebruik zou worden gemaakt van de “vangnetconstructie” ook het CFV haar goedkeuring zou moeten geven. (…)

Er is bij mijn weten tijdens de vergaderingen op 8 en 9 oktober 2012 door [X] geen contact opgenomen met de RvC.

(…)”

2.28. Een schriftelijke verklaring d.d. 4 december 2012 van [X] luidt, voor zover van belang:

“(…)

Ik heb per 9 oktober 2012 geen exclusiviteit toegezegd aan Veka c.s. Dat kon ook niet, want fase 2 was nog niet afgesloten. Ik heb ook niet gezegd dat ik andere gegadigden zou afbellen. Wel was in de publiciteit gekomen dat een partij uit [D] belangstelling had. Wij zouden die partij later die week spreken. Ik heb gezegd dat wij met die partij niet zouden doorgaan.

Er waren nog meer gegadigden. Daarover hebben wij geen mededeling gedaan. Wij hebben die ook niet afgezegd. Zo werden de gesprekken met Westcord, de uiteindelijke koper, op 10 oktober vervolgd.

(…)

Ik heb noch op 8 noch op 9 oktober 2012 contact met de RvC gehad. Ik heb ook niet gezegd dat ik contact met de RvC heb gehad. Ik heb wel contact gehad met de CFO. Dat ging over de rentevoet wanneer wij eventueel zelf zouden financieren.

Uiteindelijk hebben wij de proposities in de vergadering van de RvC op 25 oktober 2012 besproken. Toen is ook in dat verband geconstateerd dat Veka c.s. niet kon worden gezien als een serieuze gegadigde.

Daarvoor waren meerdere redenen, waaronder de omstandigheid dat zij op 15 oktober 2012 met allerlei verstrekkende en voor ons niet bespreekbare voorwaarden is gekomen met betrekking tot de overnameovereenkomst.

De belangrijkste reden was echter dat Veka c.s. nooit heeft aangetoond dat zij in de financiering kon voorzien, hoewel wij daarom een- en andermaal hebben gevraagd en haar uiteindelijk ook een ultimatum hebben gesteld.

(…)”

2.29. Een e-mailbericht d.d. 5 december 2012 van [Z] aan mr. Gerretsen, raadsman van Woonbron, luidt, voor zover van belang:

“(…)

Ik onderschrijf de inhoud van de gesprekverslagen, waarbij ik opmerk dat deze verslagen een samenvatting zijn en geen letterlijke vastlegging van alles wat gezegd is tijdens de besprekingen.

Er is geen exclusiviteit afgesproken/overeengekomen met Veka c.s. in de bespreking van 9 oktober 2012, hetgeen ook blijkt uit de verslaglegging van deze bespreking (…) waarin geen melding van exclusiviteit wordt gemaakt.

(…)”

2.30. Veka c.s. heeft bij exploot van dagvaarding d.d. 21 november 2012 een bodemprocedure jegens Woonbron aanhangig gemaakt. In die procedure vordert Veka c.s.:

“Primair

I. te verklaren voor recht dat er een bindende overeenkomst tussen Eiseressen en Gedaagde tot stand is gekomen;

II. Gedaagde te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis op grond van en met inachtneming van de op 9 oktober 2012 tussen partijen overeengekomen afspraken strekkende tot de verkoop en levering van alle aandelen in het kapitaal van Rederij De Rotterdam B.V., zoals onder meer vervat in het Gespreksverslag en de Koopovereenkomst, volledig en onverkort na te komen en na te blijven komen;

III. Gedaagde te bevelen dat zij binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis het overleg met Eiseressen strekkende tot de verkoop en levering van alle aandelen in het kapitaal van Rederil De Rotterdam B.V. zal voortzetten ten aanzien van het — waar nodig — uitwerken en vastleggen in een schriftelijke definitieve koopovereenkomst zonder nieuwe voorwaarden aan de zijde van Woonbron, van de op 9 oktober 2012 tussen partijen overeengekomen afspraken, zoals onder meer vervat in het Gespreksverslag en de Koopovereenkomst; en

IV. Gedaagde te bevelen dat zij de onder II. bedoelde uitwerking en vastlegging in een schriftelijke definitieve koopovereenkomst uiterlijk binnen één week na betekening van het ten deze te wijzen vonnis met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van partijen zal afronden en bedoelde schriftelijke definitieve koopovereenkomst zal ondertekenen; althans binnen een zodanige termijn als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Subsidiair

V. Gedaagde te bevelen om binnen 24 uur na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis op grond van en met inachtneming van de op 9 oktober 2012 tussen partijen overeengekomen afspraken strekkende tot de verkoop en levering van alle aandelen in het kapitaal van Rederij De Rotterdam B.V., zoals onder meer vervat in het Gespreksverslag en de Koopovereenkomst, de onderhandelingen met Eiseressen voort te zetten met in achtneming van de gerechtvaardigde belangen van alle betrokken partijen ten einde tot een definitieve schriftelijke koopovereenkomst zonder nadere voorwaarden aan de zijde van Woonbron en uitwerking daarvan te komen;

VI. Gedaagde te bevelen om haar medewerking te verlenen aan het opstellen en aangaan van andere stukken die voor de verkoop en levering van de aandelen in het kapitaal van Rederij De Rotterdam B.V. en De Rotterdam B.V. nodig zijn,

Meer subsidiair

VII. te verklaren voor recht dat de onderhandelingen tussen partijen in een zodanig stadium waren gekomen dat Eiseressen erop mochten vertrouwen dat er een overeenkomst tot stand zou komen;

VIII. Gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door Eiseressen geleden schade als gevolg van het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening.

Zowel primair als (meer) subsidiair

IX. Gedaagde te bevelen om gedurende de tijd dat gedaagde en Eiseressen in onderhandeling zijn en voor de minimale periode van 8 weken, de verkoop en levering van de aandelen in het kapitaal van Rederij De Rotterdam B.V, en De Rotterdam B.V. of een soortgelijke transactie met onmiddellijke ingang te staken.

X. Gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten, en te bepalen dat deze kosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak en ingeval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, de kosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak.”

3. Het geschil

3.1. Woonbron heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. het op 24 oktober 2012 namens Veka c.s. ten laste van Woonbron gelegde beslag op de aandelen in het kapitaal van de vennootschap Rederij De Rotterdam B.V. op te heffen;

b. Veka en Westwind, gezamenlijk dan wel afzonderlijk handelend, te verbieden om opnieuw beslagverlof te verzoeken ten laste van Woonbron zonder te bewerkstelligen dat Woonbron wordt gehoord alvorens op het beslagrekest wordt beslist, zulks op straffe van een dwangsom van € 500.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

c. Veka en Westwind hoofdelijk te veroordelen in de kosten, waaronder begrepen eventuele nakosten, van dit geding.

3.2. Veka c.s. voert gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Woonbron stelt zich om te beginnen op het standpunt dat de door Veka c.s. gestelde overeenkomst, die zij in de bodemprocedure jegens Woonbron ten grondslag legt aan haar vordering tot levering van de aandelen, niet zodanig is omschreven dat die vordering voldoende duidelijk is om voor toewijzing in aanmerking te komen. Woonbron legt hieraan ten grondslag dat Veka c.s. nakoming vordert van op 9 oktober 2012 gemaakte afspraken, terwijl onduidelijk is wat die afspraken inhouden. Aldus is geen sprake van (tijdige) indiening van een voor toewijzing vatbare eis in de hoofdzaak, zodat reeds op die grond het beslag moet worden opgeheven.

Deze stelling van Woonbron wordt verworpen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Veka c.s. middels een op 21 november 2012 betekende dagvaarding een procedure tegen Woonbron aanhangig heeft gemaakt. Dit is binnen de door de voorzieningenrechter in het beslagverlof bepaalde termijn van vier weken. Veka c.s. vordert in die bodemprocedure

– primair – te verklaren voor recht dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen en nakoming van die overeenkomst door Woonbron. Onder punt 54 van de inleidende dagvaarding vermeldt Veka c.s. onder de punten a. tot en met s. waarover naar haar oordeel op 9 oktober 2012 overeenstemming bestond. Veka c.s. stelt zich - zowel in het beslagrekest als in dit kort geding en de bodemprocedure - op het standpunt dat sprake is van overeenstemming over de essentialia en dat de nog openstaande punten van ondergeschikte betekenis zijn. Naar voorlopig oordeel is de vordering van Veka c.s. aan de hand hiervan voldoende bepaalbaar en duidelijk. Dat tussen partijen over en weer verschil van inzicht bestaat over wat wel en wat niet is overeengekomen, en of dit betekent dat er een overeenkomst tot stand gekomen is, en dat zulks, vermoedelijk na bewijslevering, in rechte zal moeten worden vastgesteld, doet daaraan niet af.

In dit verweer van Woonbron wordt dan ook geen grond gevonden voor het opheffen van het beslag.

4.2. Daarnaast doet Woonbron een beroep op de nietigheid van het beslag. Woonbron stelt daartoe dat Veka c.s. in strijd met artikel 715 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto 474c lid 1 Rv heeft nagelaten het beslag aan de Rederij te doen betekenen. Ook deze stelling slaagt niet. Aan de hand van de door Veka c.s. bij de dagvaarding in de bodemprocedure overgelegde beslagstukken is gebleken dat het beslagrekest d.d. 23 oktober 2012 waar op 24 oktober 2012 beslagverlof is verleend, op 26 oktober 2012 aan zowel Woonbron als de Rederij is betekend.

4.3. Voorts stelt Woonbron dat het beslag moet worden opgeheven omdat Veka c.s. de voorzieningenrechter in het beslagrekest onjuist heeft voorgelicht. Meer in het bijzonder voert Woonbron aan dat Veka c.s. in het beslagrekest stelt dat zij alleen ‘nog wat opmerkingen’ had op het door KMPG naar aanleiding van het overleg op 9 oktober 2012 opgestelde document d.d. 11 oktober 2012, terwijl zij het door haar advocaat aan KMPG bij e-mailbericht d.d. 15 oktober 2012 gestuurde document waarin die ‘opmerkingen’ zijn verwoord, en waaruit volgens Woonbron blijkt dat tussen partijen op essentiële punten helemaal geen overeenstemming bestond, niet bij het beslagrekest heeft overgelegd.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

In punt 21 van het beslagrekest maakt Veka c.s. melding van de opmerkingen die op 15 oktober 2012 aan KPMG zijn toegezonden. Weliswaar was het zorgvuldiger en vollediger geweest indien Veka c.s. het betreffende document bij het beslagrekest had gevoegd, maar het nalaten daarvan leidt niet tot het oordeel dat Veka c.s. bewust feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van het beslagrekest van wezenlijk belang waren, achterwege heeft gelaten als gevolg waarvan een onvolledig beeld van de feitelijke en juridische situatie is geschetst. Daarbij is van belang dat Veka c.s. zich zowel in het beslagrekest als in dit kort geding op het standpunt stelt dat de in het document genoemde opmerkingen van ondergeschikt belang zijn ten aanzien van hetgeen tussen partijen reeds was overeengekomen, zodat het overleggen van het betreffende document niet (direct) voor de hand lag. In het licht van dat betoog, dat op voorhand niet als evident onjuist kan worden bestempeld, leidt het ontbreken van het betreffende document bij het beslagrekest niet tot opheffing van het beslag.

4.4. Woonbron stelt ook dat niet valt in te zien hoe van Woonbron gevergd kan worden dat zij een overeenkomst nakomt die een – door Woonbron van de hand gewezen – opschortende voorwaarde bevat, die niet in vervulling is gegaan en die voor de effectieve datum, 1 januari 2013, ook nooit in vervulling had kunnen gaan. Woonbron doelt daarbij op hetgeen in het document met als titel ‘Opmerkingen bij de “Uitwerking Bespreking 9 oktober 2012” (zie 2.21.) staat opgenomen achter ‘Signing en “Closing” Voorwaarden’, namelijk: ‘Voorwaarden voor Closing (ten behoeve van koper) toevoegen:

Voortzetten of verkrijgen van alle vergunningen vereist voor continuering van de huidige activiteiten van De Rederij en De Rotterdam, alsmede de nieuwe activiteiten als bedoeld onder Toekomstige Plannen Koper voor het Object.’.

Daarnaast stelt Woonbron dat de ondernemingsraad nog om advies zou moeten worden gevraagd en dat ook de SER Fusie Gedragscode nog moest worden gevolgd.

Het volgende wordt overwogen.

Veka c.s. heeft aangevoerd dat het opnemen van de voorwaarde met betrekking tot het voortzetten of verkrijgen van de benodigde vergunningen tot doel had dat zulks als pressiemiddel tegenover de gemeente zou kunnen worden ingezet teneinde de benodigde vergunningen te verkrijgen. Volgens Veka c.s. betrof het slechts een inspannings-verplichting van Woonbron en gold het niet verkrijgen van de vergunningen voor partijen niet als ontbindende voorwaarde respectievelijk dealbreaker. Woonbron heeft zulks vooralsnog onvoldoende weersproken.

Ten aanzien van het advies dat aan de Ondernemingsraad zou moeten worden gevraagd en de SER Fusie Gedragscode die gevolgd zou moeten worden, geldt dat deze punten niet eerder in het overleg tussen partijen aan de orde lijken te zijn gesteld en evenmin door Woonbron als dealbreaker zijn aangeduid. Bovendien is ten aanzien van de Ondernemingsraad blijkbaar alleen van een adviesrecht sprake en niet van een instemmingsrecht. Voorshands is dan ook onvoldoende aannemelijk dat, indien al juist is dat de ondernemingsraad nog om advies moest worden gevraagd, dit aan de effectuering van de overeenkomst in de weg zouden hebben gestaan. Voor wat betreft het volgen van de SER Fusie gedragscode geldt dat Woonbron dit in het bestek van dit kort geding slechts genoemd heeft, zonder te verduidelijken wat dit in geval feitelijk zou betekenen. Ook deze stelling wordt derhalve verworpen.

4.5. Woonbron stelt zich voorts op het standpunt dat de vordering van Veka c.s., vanwege de (summierlijk) ondeugdelijkheid daarvan, in de bodemprocedure zal worden afgewezen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. In dit geval is van belang dat de in de bodemprocedure gevorderde nakoming illusoir wordt als het beslag wordt opgeheven. Woonbron stelt immers dat zij met een derde partij een overeenkomst heeft gesloten die zij wil nakomen, door (ver)koop en levering van de (beslagen) aandelen.

4.6. Woonbron betwist dat zij met Veka c.s. een overeenkomst heeft gesloten die door haar moet worden nagekomen. Woonbron stelt hiertoe dat 1) Woonbron en KPMG zich het recht hebben voorbehouden om, zolang er geen getekende overeenkomst was, zonder vooraankondiging en zonder opgave van redenen te breken met Veka c.s. en dat Veka c.s. met dit voorbehoud akkoord is gegaan. Het stond Woonbron dan ook vrij om op ieder moment met Veka c.s. te breken.

Daarnaast stelt Woonbron dat 2) tussen partijen geen definitieve overeenstemming is bereikt, hetgeen blijkt uit de e-mail van de raadsman van Veka c.s. van 15 oktober 2012.

Voorts stelt Woonbron dat 3) Veka c.s. eraan voorbij gaat dat Woonbron ter gelegenheid van de bespreking op 9 oktober 2012 uitdrukkelijk het voorbehoud heeft gemaakt dat zij voor de bij die gelegenheid besproken financieringsstructuur toestemming nodig had van haar toezichthouders, de Raad van Commissarissen en het CFV en dat Woonbron die toestemming niet heeft verkregen.

Tot slot stelt Woonbron dat 4) Veka c.s. niet aannemelijk heeft kunnen maken en niet heeft kunnen aantonen dat zij over de financiële middelen beschikte om haar verplichtingen uit overeenkomst na te komen, hoewel Veka c.s. wist dat dit voor Woonbron een voorwaarde was om haar tot de laatste fase toe te laten.

4.7. Met betrekking tot de hiervoor onder 4.6. onder 1) opgenomen stelling ter zake van het voorbehoud wordt het volgende overwogen.

Gebleken is dat Woonbron zich meerdere malen, waaronder in de brief d.d. 29 augustus 2012 met de titel “Process letter Project ss Rotterdam van KMPG aan Veka en in het ss Rotterdam-Concept tegenvoorstel’ d.d. 13 september 2012, expliciet het recht heeft voorbehouden om op elk moment voorafgaand aan het tekenen van een bindende overeenkomst, zonder opgaaf van redenen, de onderhandelingen met Veka c.s. te beëindigen. Niet gebleken is dat Veka c.s. op enig moment bezwaar heeft gemaakt tegen dat voorbehoud, zodat voorshands aangenomen wordt dat Veka c.s. (in ieder geval stilzwijgend) met dit voorbehoud heeft ingestemd.

Naar de letter van het gemaakte voorbehoud stond het Woonbron vrij om de onderhandelingen met Veka c.s. op ieder moment, voorafgaand aan de ondertekening van een schriftelijke overeenkomst, met Veka c.s. te beëindigen. Dit kan evenwel anders liggen in het geval moet worden geoordeeld dat er tussen partijen een punt is bereikt waarop het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om nog een beroep te doen op het voorbehoud. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien partijen over de essentialia van de beoogde overeenkomst overeenstemming hebben bereikt, hetgeen Veka c.s. betoogt en Woonbron betwist.

4.8. In dit verband is ten eerste van belang dat het door Woonbron in gang gezette veilingtraject drie fasen kende. In de eerste fase moest Veka c.s. een “Non-Binding Offer”

– als uiteengezet in de brief d.d. 29 augustus 2012 met de titel “Process letter Project ss Rotterdam – indienen. Bij het bereiken van de tweede fase was Veka c.s. gehouden binnen een door Woonbron opgesteld tijdschema en in het door Woonbron aangegeven format (een mark-up van de aan Veka c.s. toegezonden concept SPA) een definitief, bindend bod, een “Firm Offer” – als bedoeld in de brief d.d. 26 september 2012 van KPMG aan Veka – uit te brengen. Eerst daarna zou fase drie, “Final Negotiations and Signing” worden bereikt. Woonbron stelt dat Veka c.s. er niet op heeft kunnen en mogen vertrouwen dat op 9 oktober 2012 tussen partijen overeenstemming is bereikt, omdat Veka c.s. op dat moment nog niet tot de laatste (derde) fase van het veilingtraject was toegelaten.

4.9. Voldoende aannemelijk echter is geworden dat Woonbron zelf bij herhaling is afgeweken van de gefaseerde procedure als hiervoor bedoeld. Zo heeft in plaats van het uitbrengen van een “Non-Binding Offer” door Veka c.s. een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding waarvan KMPG een ‘ss Rotterdam-Concept tegenvoorstel’ d.d. 13 september 2012 heeft opgesteld. De reactie van Veka c.s. op dit tegenvoorstel heeft er uiteindelijk toe geleid dat Veka c.s. mocht toetreden tot de tweede fase, echter wel nadat in eerste instantie bij e-mail van [Z] aan [Y] van 20 september 2012 is meegedeeld dat Woonbron de keuze had gemaakt Veka c.s. geen toegang te geven tot de due-diligence fase omdat het bod niet onderscheidend genoeg was. Daarna hebben op 8 en 9 oktober 2012 besprekingen plaatsgevonden waarbij naar het zich laat aanzien zowel zaken uit de tweede als uit de derde fase aan bod zijn gekomen. Verwezen wordt naar de door KPMG opgestelde “ss Rotterdam-Uitwerking bespreking 9 oktober 2012’ d.d. 11 oktober 2012 waarin ook afspraken met betrekking tot de “Signing en Closing” en de “Signing Voorwaarden” staan vermeld. Het standpunt van Woonbron dat Veka c.s. de derde fase nog niet zou hebben bereikt en dat reeds daarom op 9 oktober 2012 geen overeenstemming kan zijn bereikt, houdt binnen dit kort geding dan ook geen stand. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook in aanmerking genomen dat in de uitwerking van de bespreking van 9 oktober 2012 niet benoemd is dat nog een firm offer zou moeten worden uitgebracht en evenmin is verwezen naar de (in de visie van Woonbron blijkbaar nog aan te breken) derde fase, terwijl in eerste stadia van de contacten tussen partijen de verschillende fasen van het proces wel steeds zijn benoemd.

4.10. Het voorgaande betekent dat indien geoordeeld wordt dat als aannemelijk is dat tussen partijen een (vrijwel) perfecte overeenkomst tot stand is gekomen die weliswaar nog niet door partijen was ondertekend, het Woonbron naar voorlopig oordeel niet meer vrij stond om op grond van voormelde clausule met Veka c.s. te breken.

4.11. Met betrekking tot de hiervoor onder 4.6. onder 2) opgenomen stelling ter zake van het ontbreken van definitieve overeenstemming wordt het volgende overwogen.

Voorshands zijn er aan de hand van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht voldoende aanwijzingen dat er (in ieder geval op hoofdlijnen) overeenstemming is bereikt, althans op voorhand is bepaald niet uit te sluiten dat dit oordeel in een bodemprocedure zal worden gegeven. Uit de getuigenverklaringen van de zijde van Veka c.s. komt immers naar voren dat partijen tijdens het overleg op 9 oktober 2012 zouden hebben geroepen dat ze een deal hadden en dat men vervolgens rond de tafel is gegaan om elkaar bij wijze van felicitatie de hand te schudden. Daarnaast zouden afspraken zijn gemaakt voor het tekenen van het (voorlopig) koopcontract, het drinken van champagne en de omgang met de pers. Voorts zou [X] hebben gezegd dat hij de overige gegadigden, met uitzondering van de partij uit [D], zou gaan afbellen. Woonbron betwist dat zij zou hebben aangegeven de overige partijen te zullen afbellen, maar betwist niet dat men elkaar de hand heeft geschud en dat gesproken is over een champagnemoment. Woonbron stelt zich op het standpunt dat de bereikte overeenstemming uitsluitend zag op het door Veka c.s. voorgestelde rentepercentage van 6% met betrekking tot het door Woonbron voor te financieren gedeelte van de koopsom. Naar voorlopig oordeel ligt het echter niet voor de hand dat enkel overeenstemming over voorbedoeld rentepercentage tot een dergelijke, euforische reactie als door Veka c.s. geschetst, zou hebben geleid.

Daar komt het volgende bij. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de bespreking op 9 oktober 2012 een voorstel op een flip-over is gezet. Van die flip-over is een foto gemaakt die in dit geding is overgelegd. Een groot deel van de informatie op die flip-over is terug te vinden in de uitwerking die KMPG van de bespreking van 9 oktober 2012 heeft gemaakt. Meer in het bijzonder gaat het dan om de bedragen van 43 miljoen, te verdelen in 22 en 21 miljoen, de verdeling van het bedrag van 22 miljoen in een bedrag van 16 miljoen te financieren door Woonbron, en twee maal 3 miljoen, en de kwestie van herfinanciering (van de 16 miljoen) binnen 2 jaar.

Voorts is van belang dat, zoals onder 4.1. is overwogen, de vordering van Veka c.s. voldoende bepaalbaar is en, zoals onder 4.9. is overwogen, het standpunt van Woonbron dat Veka c.s. de derde fase nog niet zou hebben bereikt en reeds daarom op 9 oktober 2012 geen overeenstemming kan zijn bereikt, binnen dit kort geding geen stand houdt.

4.12. Met betrekking tot het hiervoor onder 4.6. onder 3) opgenomen stelling ter zake van het ontbreken van toestemming van de Raad van Commissarissen en het CFV overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Gelet op de getuigenverklaringen die van de zijde van Veka c.s. zijn overgelegd, valt op voorhand niet uit te sluiten dat Veka c.s. ervan uit heeft mogen gaan dat de Raad van Commissarissen zich (mondeling) akkoord heeft verklaard met de op 9 oktober 2012 tussen partijen gemaakte afspraken. [W] heeft verklaard dat Woonbron tijdens het overleg op 9 oktober 2012 met haar vertegenwoordigers naar buiten is gegaan met de mededeling “wij moeten bellen met de Raad van Commissarissen” en dat [X] van Woonbron bij terugkomst “er is witte rook” zou hebben gezegd. Deze verklaring wordt op dit punt door verscheidene andere getuigenverklaringen ondersteund, zij het dat dit alleen verklaringen van getuigen aan de zijde van Veka c.s. zijn.

Woonbron betwist dat overleg met de Raad van Commissarissen heeft plaatsgevonden. Volgens Woonbron heeft zij op 9 oktober 2012 uitsluitend overleg met haar CFO gehad en zag de opmerking “er is witte rook” uitsluitend op het door Veka c.s. voorgestelde rentepercentage van 6% met betrekking tot het door Woonbron voor te financieren gedeelte van de koopsom. Deze betwisting houdt echter in het licht van hetgeen met betrekking tot het verdere verloop van het overleg op 9 oktober 2012 is verklaard (het schudden van handen en het spreken over een champagnemoment, als hiervoor onder 4.11. bedoeld), in ieder geval binnen dit kort geding, geen stand. Op dit moment wordt dan ook aangenomen dat partijen op 9 oktober 2012, mét instemming van de Raad van Commissarissen, in ieder geval op hoofdlijnen overeenstemming hebben bereikt.

4.13. Veka c.s. betwist dat Woonbron voor het sluiten van een overeenkomst goedkeuring van het CFV nodig had. Volgens Veka c.s. heeft Woonbron op dat punt nooit een voorbehoud gemaakt. Van goedkeuring door het CFV wordt voor het eerst in het besprekingsverslag van 8 oktober 2012, dat achteraf is opgesteld en nimmer aan Veka c.s. is opgestuurd, melding gemaakt. Voorshands is niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden dat Woonbron voor het sluiten van een overeenkomst formele goedkeuring van het CFV nodig had c.q. dat CFV op dat punt reële beslissingsmacht heeft. Woonbron heeft haar standpunt dienaangaande ook nauwelijks onderbouwd en uitgewerkt. Evenmin is aannemelijk geworden dat Woonbron op dat punt (tijdig) een voorbehoud heeft gemaakt. Het door KMPG opgestelde document d.d. 11 oktober 2012 geeft daar ook geen blijk van, terwijl het voor de hand had gelegen dat in ieder geval in dat document een voorbehoud als door Woonbron bedoeld, zou zijn opgenomen.

4.14. Woonbron stelt tot slot dat 4) Veka c.s. niet aannemelijk heeft kunnen maken en niet heeft kunnen aantonen dat zij over de financiële middelen beschikte om haar verplichtingen uit overeenkomst na te komen, hoewel Veka c.s. wist dat dit voor Woonbron een voorwaarde was om haar tot de laatste fase toe te laten. Het volgende wordt overwogen.

Woonbron stelt dat zij het overleg met Veka c.s. heeft afgebroken omdat Veka c.s. heeft nagelaten tijdig een document over te leggen waaruit blijkt dat zij zelf in de financiering van de ss Rotterdam, door een externe financier, kon worden voorzien, terwijl Veka c.s. volgens Woonbron wist dat het voor Woonbron van wezenlijk belang was dat daaromtrent duidelijkheid werd verschaft. Daarnaast geeft Woonbron als reden voor de breuk dat mr. Horstman na 9 oktober 2012 is teruggekomen op eerder gemaakte afspraken, door alsnog een voorbehoud te maken met betrekking tot de uitkomst van het due diligence onderzoek en allerlei nieuwe, aanvullende voorwaarden te stellen, hetgeen voor Woonbron in dat stadium onaanvaardbaar was.

4.15. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat Woonbron aan Veka c.s. (ondubbelzinnig) kenbaar heeft gemaakt dat het niet kunnen aantonen van een financiering een dealbreaker zou kunnen zijn. Ook is gesteld noch gebleken dat Woonbron Veka c.s. op enig moment heeft gesommeerd zekerheid te verschaffen over de financiering van de transactie. Dit blijkt in ieder geval niet uit de ‘ss Rotterdam-Uitwerking bespreking 9 oktober 2012’ d.d. 11 oktober 2012, waarin een dergelijke voorwaarde niet als dealbreaker is opgenomen. Integendeel, hierin is de passage opgenomen “Indien Verkoper een financiering verstrekt, zal Koper trachten deze financiering zo snel mogelijk te herfinancieren met alternatieve financiering. Indien deze herfinanciering binnen 2 jaar plaatsvindt, zal de vergoeding voor de gerealiseerde belastingbesparing (die onderdeel is van de Koopsom) gemaximeerd worden op EUR 20 miljoen (zegge: twintig miljoen euro)”. In deze uitwerking is ook vermeld is dat “Koper zal zich maximaal inspannen om gedurende de tijd tussen Signing en Closing van de transactie vreemd vermogen financiering aan te trekken.”. Dit duidt eerder op een inspanningsverplichting voor Veka c.s. dan op een resultaatsverbintenis.

Dat het door Woonbron opgestelde gespreksverslag van 9 oktober 2012 vermeldt dat Veka c.s. zekerheid zou bieden omtrent de financiering, maakt dit, gelet op het vorenstaande, niet anders. Veka c.s. heeft de juistheid van dit verslag op dat punt onderbouwd weersproken.

Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie, en het door Woonbron opgemaakte verslag van het gesprek dat [X] en [W] op 18 oktober 2012 voerden, leidt de voorzieningen-rechter af dat Veka c.s. op 17 oktober 2012 kennelijk in het bezit was van een offerte ter zake van de financiering van de ss Rotterdam en dat zij voornemens was dit document aan Woonbron te verstrekken. Woonbron heeft er op dat moment geen blijk van gegeven dat het daarvoor op dat moment naar haar oordeel te laat was. Het is derhalve voorshands weinig aannemelijk dat het ontbreken van een offerte tot op 18 oktober 2012 aanleiding zou hebben gegeven voor het afbreken van het overleg.

4.16. Daar komt bij dat Woonbron thans als reden voor het afbreken van het overleg veel betekenis hecht aan het e-mailbericht d.d. 15 oktober 2012 van mr. Horstman met als bijlage het document ‘Opmerkingen bij de “Uitwerking Bespreking 9 oktober 2012”, terwijl uit het gespreksverslag van het tussen (onder meer) [W] en [X] gevoerde telefoongesprek van 18 oktober 2012 juist naar voren komt dat Woonbron aanvankelijk alléén de kwestie van het verstrekken van een financiering door Woonbron en het uitblijven van zekerheid over de financiering door Veka c.s. als reden van het afbreken heeft aangegrepen. Voorshands is ook niet gebleken dat Woonbron deze e-mail en opmerkingen eerder als dealbreaker heeft aangemerkt.

Zoals hiervoor onder 4.15. is overwogen, was in ieder geval tot op 18 oktober 2012 onvoldoende duidelijk dat het ontbreken van een externe financier door Woonbron als dealbreaker zou (kunnen) worden aangemerkt. Bovendien is niet gebleken dat Woonbron Veka c.s. een fatale termijn heeft gesteld voor het overleggen van een offerte van een externe financier. Voorts is van belang dat Veka c.s. zich juist op het standpunt stelt dat Woonbron niet eerder om een externe financiering heeft verzocht, omdat Woonbron er juist op stond (voorlopig en in afwachting van het verkrijgen van externe financiering) een deel van de koopsom intern te financieren, teneinde te voorkomen dat de deal met Veka c.s. alsnog niet door zou gaan als Veka c.s. de koopsom niet gefinancierd zou kunnen krijgen.

4.17. Woonbron stelt dat haar inmiddels is gebleken dat Veka c.s. al op 9 oktober 2012 beschikte over een passende offerte en met behulp van een externe financier de koopsom had kunnen financieren. Met die wetenschap had zij nimmer ingestemd met het aan Veka c.s., bij wijze van vangnetconstructie, verstrekken van een financiering.

Woonbron stelt derhalve dat zij onder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehandeld en vernietigt de door Veka c.s. gestelde overeenkomst met een beroep op dwaling. Gelet op alle stukken en in het bijzonder de uitwerking door KPMG van de bespreking van 9 oktober 2012 is voorshands is onvoldoende aannemelijk dat Woonbron niet wist dat Veka c.s. de mogelijkheid had en bezig was om met behulp van een externe financier de koopsom te financieren. Het is binnen dit kort geding dan ook niet (zonder meer) aannemelijk dat in de hoofdzaak een beroep op dwaling zou slagen. Dit geldt te meer in het geval hetgeen Veka c.s. stelt met betrekking tot de wens van Woonbron om zelf de financiering te verstrekken, juist blijkt te zijn. Het beroep op dwaling levert vooralsnog dan ook geen grond op voor opheffing van het beslag.

4.18. Woonbron heeft ter gelegenheid van haar pleidooi ook nog gesteld dat, naar nu zou blijken uit de stellingen van Veka c.s. in de dagvaarding in de bodemprocedure (punt 79 onder (iv)), de 6 miljoen die Veka c.s. als eigen vermogen (equity) zou inbrengen ook door Woonbron gefinancierd zou (moeten) worden. Dat zou voor Woonbron onacceptabel zijn omdat zij als harde eis de inbreng van eigen vermogen door de koper had. Nog afgezien van de omstandigheid dat Veka c.s. dit betwist leest de voorzieningenrechter dit ook niet in de stellingen waarin melding wordt gemaakt van een door Veka c.s. beschikbaar te stellen bedrag. Mede gelet op al het voorgaande wordt ook hierin geen aanleiding gevonden om het beslag op te heffen.

4.19. Ten slotte dient de e-mail van mr. Horstman van 15 oktober 2012 nog in de beoordeling te worden betrokken. In die e-mail worden namens Veka c.s. commentaar gegeven op de uitwerking van de bespreking van 9 oktober 2012. Woonbron heeft daarover gesteld dat sprake is van onaanvaardbare punten/eisen danwel punten/eisen die aan de zijde van Veka c.s. dealbreaker vormden. Een voorbeeld daarvan is de kwestie van de vergunningen die hiervoor onder 4.4 al aan de orde gekomen is. Ten aanzien van de andere punten overweegt de voorzieningenrechter dat uit de begeleidende e-mail van mr. Horstman kan worden afgeleid dat sprake was van bespreekpunten die zouden moeten afgekaart. Daaruit wordt afgeleid dat daarover onderhandeld zou moeten worden, wat in zijn algemeenheid een proces van geven en nemen is. In ieder geval blijkt uit de e-mail, nog anderszins, onvoldoende dat sprake was van punten waarop Veka c.s. in het geheel niet zou willen bewegen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat over de essentialia al overeenstemming was bereikt en Veka c.s. de deal blijkbaar erg graag wilde sluiten.

4.20. Op grond van het vorenstaande is naar voorlopig oordeel voor opheffing van het beslag geen plaats. Ook een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.

Weliswaar is voldoende aannemelijk dat Woonbron belang heeft bij opheffing van het beslag om haar overeenkomst met Westcord Hotels ten uitvoer te brengen, maar Woonbron heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de gelegde beslagen in een (financiële) noodsituatie dreigt te komen te verkeren. Daar staat tegenover het belang van Veka c.s. dat Woonbron de door Veka c.s. gestelde overeenkomst nog zal kunnen nakomen wanneer haar vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, hetgeen niet het geval zal zijn als het beslag nu wordt opgeheven en de aandelen in de Rederij aan een derde partij zullen worden overgedragen. Het belang van Veka c.s. weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het belang van Woonbron.

4.21. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van Woonbron zullen worden afgewezen.

4.22. Ter zitting is met partijen de mogelijkheid van het houden van een voorlopig getuigenverhoor besproken. De voorzieningenrechter ziet voldoende aanknopingspunten om op dit moment aan te nemen dat tussen partijen een overeenkomst - in de zin dat overeenstemming over de essentialia was bereikt - tot stand is gekomen die door Woonbron zal moeten worden nagekomen. Daarom wordt geen tussenvonnis gewezen waarin een voorlopig getuigenverhoor wordt gelast waarin de belangrijkste betrokkenen bij de besprekingen op 8 en 9 oktober 2012 als getuige onder ede zouden kunnen worden gehoord.

Het staat partijen echter vrij om op zeer korte termijn een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken en de rechtbank te wijzen op de spoedeisendheid daarvan, waarna partijen op basis van de uitkomst van de getuigenverhoren (procesrechtelijke) afspraken kunnen maken.

4.23. Woonbron zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Veka c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Woonbron in de proceskosten, aan de zijde van Veka c.s. tot op heden begroot op € 1.391,00;

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Van Gulick, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

2021/2009