Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY5960

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
10/775006-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlastgevende Poolse zwerver (na een melding slapend in het gras aangetroffen) door de verdachten, 2 poltiemensen, meegenomen in politiebus en vervoerd naar een doodlopende weg aan de grens van het betreffende politiedistrict. Daar werd hij meegevoerd de bosjes in, moest hij knielen, werd een schep naast hem geplaatst en werd door 1 van de verdachten een pistool getrokken en op aangever gericht.

wederrechtelijke vrijheidsberoving/bedreiging waarbij misbruik werd gemaakt van door het ambt geschonken macht en gelegenheid bewezen alsmede het door misbruik te maken van gezag iemand dwingen iets te doen of dulden.

Verweer OM niet ontvankelijk wegens handelen in strijd met gelijkheidsbeginsel en beginsel evenredige belangenafweging verworpen.

Beroep op putatief noodweer(exces) faalt. Stelling verdachte dat hij meende en mocht menen dat het slachtoffer in bezit was van een vuurwapen niet aannemelijk geworden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282, geldigheid: 2012-12-12
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2012-12-12
Wetboek van Strafrecht 365, geldigheid: 2012-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/775006-10

Datum uitspraak: 12 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Hoekstra heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en Moerkapelle tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstokken) gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) hem, [slachtoffer] in zijn rug althans lichaam te prikken en met die wapenstok(ken) te zwaaien en

- die [slachtoffer] vastgepakt bij zijn arm(en) en

- die [slachtoffer] laten plaatsnemen en meegenomen in een politievoertuig en vastgehouden in dat voertuig en;

(nadat met dat voertuig naar een afgelegen gebied was gereden)

- die [slachtoffer] vervolgens laten uitstappen en meegenomen/begeleid naar bosschages en

- die [slachtoffer] laten knielen en geknield gehouden en

- die [slachtoffer]] een pistool op die [slachtoffer] gericht en gericht houden, en

- naast die [slachtoffer] een schep geplaatst en

- aldus een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd en in stand gehouden en

- hem, [slachtoffer] de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, hem, [slachtoffer], niet meer wilde zien althans woorden van gelijke aard of strekking,

zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader gebruik maakten van hun macht en gelegenheid door hun ambt geschonken, immers waren zij, verdachte en zijn mededader toen en daar in hun hoedanigheid van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

2.

hij op 28 augustus 2009 te Moerkapelle, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend -zakelijk weergegeven-

- die [slachtoffer] op een afgelegen plek uit een politievoertuig laten stappen en meegenomen naar/in bosschages en

- die [slachtoffer] laten knielen en geknield gehouden en

- een pistool (dienstwapen), op korte afstand op die [slachtoffer] gericht en gericht gehouden;

- een schep naast die [slachtoffer] neergezet en

- daarbij deze [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, [slachtoffer] niet meer wilde zien, althans woorden van gelijke aard of strekking, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van zijn macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte toen en daar in zijn hoedanigheid van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

3.

hij op 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en Moerkapelle, tezamen en in vereniging met een ander, als ambtenaar, zijnde (hoofd)agent werkzaam bij de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, door misbruik van zijn gezag een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft gedwongen iets te doen of te dulden, hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader,

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) heeft/hebben gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) die [slachtoffer] in zijn rug heeft/hebben geprikt en met die wapenstok(ken) heeft/hebben gezwaaid en

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt bij de arm(en) en

- die [slachtoffer] hebben laten plaatsnemen en meegenomen in een politievoertuig en vastgehouden in dat voertuig en;

- die [slachtoffer] vervolgens op een afgelegen plek hebben laten uitstappen en meegenomen en begeleid naar bosschages en

- een schep naast die [slachtoffer] heeft neergezet en

- aldus een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie hebben gecreëerd en in stand gehouden en dat hij, verdachte

- die [slachtoffer] vervolgens heeft laten knielen en geknield heeft gehouden;

- een pistool (dienstwapen), op korte afstand op die [slachtoffer] heeft gericht en gericht gehouden;

- daarbij deze [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd dat hij, verdachte, hem, [slachtoffer] niet meer wilde zien, althans woorden van gelijke aard of strekking, en dat hij, verdachte en zijn mededader hem, [slachtoffer], aldaar hebben achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] in een politiebus is gestapt en in die politiebus is meegenomen naar een afgelegen plek en aldaar is uitgestapt en aldaar vervolgens met verdachte de bosschages in is gelopen en aldaar is geknield en aldaar een vuurwapen op zich gericht kreeg en tenslotte in die bosschages is achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht en maakt deel uit van dit vonnis.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Ten laste is gelegd dat de verdachte, in zijn hoedanigheid van politieagent, samen met zijn collega [medeverdachte] aangever [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en dat zij door misbruik van hun gezag die [slachtoffer] hebben gedwongen iets te doen of te dulden. Tevens is de verdachte de bedreiging van die [slachtoffer] met een vuurwapen ten laste gelegd.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de feiten uit van de navolgende gang van zaken.

Op 28 augustus 2009 komt er bij de meldkamer van de politie een melding binnen over een man die op een bankje ligt te slapen en daarmee overlast zou veroorzaken. De melding wordt om 16.44 uur uitgegeven aan het politievoertuig met het oproepnummer 504 waarin zich verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bevinden. De verdachte, hierna verder te noemen [verdachte], hoofdagent van politie, reageert: “We hebben al een paar weken last van die meneer, gaan we nou effe oplossen, wij zijn onderweg”. [verdachte] heeft die dag dienst samen met collega [medeverdachte] en ze rijden in een politievoertuig naar Bleiswijk, waar ze een Poolse man genaamd [slachtoffer] aantreffen, slapend op een grasveld. Onderweg naar de man spreken ze al over de mogelijkheid om hem naar een andere plek te brengen.

Door getuige [getuige 1], degene die de melding bij de politie had gedaan, is gezien dat één van de politiemannen zijn gummiknuppel uit zijn broek pakte en daarmee de man op de grond een aantal keren licht in zijn rug prikte. Getuige [getuige 2] heeft gezien dat [verdachte] en een mannelijke collega met hun lange wapenstok in de hand stonden, waarbij [verdachte] met die wapenstok in zijn hand sloeg en dat zowel [verdachte] als zijn collega aan het zwaaien waren met hun wapenstok.

[slachtoffer] stond op, werd door de verbalisanten beetgepakt en richting het politiebusje geleid. Hij is ingestapt en ze zijn weggereden.

[verdachte] zei toen tegen [medeverdachte]: “We zetten hem wel ergens af, dan is de overlast over, we gooien hem er over de A12 wel uit” en even later: “Ik zet hem er bij Moerkapelle wel af”.

Vervolgens zijn ze een doodlopend afgelegen landweggetje opgereden. Daar zijn zij uitgestapt.

[slachtoffer] is door [verdachte] meegenomen de bosschages in, een paar meter vanaf het landweggetje.

Schep

Over wat er dan gebeurt, lopen de verklaringen uiteen. [verdachte] en [medeverdachte] ontkennen dat er een schep uit de auto is gehaald. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verbalisant een schep uit de auto meenam de bosschages in en deze naast hem neer zette. Hij moest knielen en die verbalisant richtte een vuurwapen op hem, sprak op dreigende toon tegen hem en zei ondermeer dat hij hem nooit meer wilde zien. [slachtoffer] weet niet meer of de verbalisant die hem bedreigde iets over de schep gezegd heeft, maar door de hele situatie ontstond bij [slachtoffer] de vrees dat hij zijn eigen graf moest graven.

De rechtbank acht voor de lezing van [slachtoffer] voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

[slachtoffer] verklaart over een schep in al zijn verklaringen; hij wordt pas in augustus 2010 in Polen opgespoord en voor het eerst gehoord. Zijn verklaringen over de schep worden ondersteund door de de-auditue verklaringen van diverse agenten, waaronder die van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die gelijkluidend verklaren. Deze laatste twee agenten had [medeverdachte] volgens zijn eigen verklaring al voor 24 april 2010, dus voordat hij het incident had gemeld bij zijn leidinggevende, in vertrouwen genomen. [medeverdachte] heeft daarbij tegen [verbalisant 1] onder andere gezegd dat ze een melding hadden gekregen over een man die vaker overlast had veroorzaakt. Dat zij die man hadden meegenomen naar een bos en dat er door [medeverdachte] of [verdachte] een schep uit de auto was gehaald waarna [verdachte] tegen die man had gezegd: ”Begin maar vast te graven” of woorden van gelijke strekking.

Uit de verklaring van [verbalisant 1] blijkt ook dat [medeverdachte] met hem over dit incident heeft gesproken nog voordat dit incident bekend is geworden bij de leidinggevende.

[medeverdachte] heeft tegen [verbalisant 2] verteld dat [verdachte] naar de achterkant van de bus was gelopen en daar een schep had gepakt. Vervolgens hoorde [verbalisant 2] [medeverdachte] zeggen dat [verdachte] tegen de Poolse man had gezegd: “graven of scheppen”. [verdachte] gaf de schep vervolgens aan de Poolse man.

Uit de verklaring van [verbalisant 2] blijkt eveneens dat [medeverdachte] met hem over dit incident heeft gesproken vóórdat dit bekend werd bij de leidinggevende.

[medeverdachte] heeft dus [verbalisant 1] en verbalisant 2] in vertrouwen genomen en daarbij gesproken over de schep voordat hij het incident op 24 april 2010 aan zijn leidinggevende heeft gemeld, en lang voordat [slachtoffer] in augustus 2010 in Polen werd opgespoord en verhoord.

[medeverdachte] heeft tenslotte ook zelf tegenover de politie verklaard dat in de auto, op weg naar de afgelegen plek, [verdachte] op een gegeven moment grijnzend zei dat ze [slachtoffer] bang zouden maken met een schep.

Nadat beide agenten terugkwamen op het bureau heeft [verdachte] tegen collega’s gezegd: “Daar hebben we voorlopig geen last meer van”.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] op dit punt geloofwaardig.

Het doel van de hele exercitie was kennelijk een zodanige bedreigende situatie te creëren, dat [slachtoffer] zich niet meer zou laten zien in Bleiswijk en omgeving.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de schep uit de auto is meegenomen en door [verdachte] in de bosschages naast aangever in de grond is geplaatst met het doel om voor [slachtoffer] die bedreigende situatie te creëren.

Bedreiging vuurwapen

[verdachte] erkent dat hij [slachtoffer] meenam de bosschages in, dat hij zijn dienstwapen op [slachtoffer] heeft gericht en gericht gehouden en dat hij gezegd heeft dat hij [slachtoffer] niet meer wilde zien.

[slachtoffer] heeft verklaard dat die verbalisant hem gebood te knielen en vervolgens zijn wapen op hem richtte. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] op zijn knieën zat en naar [verdachte] keek en dat [verdachte] zijn dienstwapen op [slachtoffer] richtte op een afstand van anderhalf à twee meter. Hij zag en hoorde [slachtoffer] huilen.

Opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving

Kenmerkend vereiste voor vrijheidsberoving is de beperking van de fysieke bewegingsvrijheid. De beperking kan plaatsvinden door iemand feitelijk de mogelijkheid van vrij bewegen te ontnemen, maar ook door uitoefening van dwang.

[slachtoffer] kon zich vanaf het moment dat hij door [verdachte] en [medeverdachte] werd wakker gemaakt niet meer vrij bewegen. Hij werd vast gepakt, in de politiebus gezet en meegenomen naar een afgelegen plek. Aldaar werd hij onder begeleiding van [verdachte] naar de bosschages gebracht en bedreigd, terwijl [medeverdachte] op korte afstand stond en toekeek.

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat [slachtoffer] vrijwillig is meegegaan, en dus toestemming zou hebben gegeven.

Dat de vrijheidsberoving wederrechtelijk was blijkt uit het feit dat er geen enkele bepaling in de wet te vinden is die de politie toestaat iemand van zijn vrijheid te beroven om hem op een plek elders af te zetten. Daarmee was de vrijheidsbeneming in strijd met het recht en dus wederrechtelijk. Dat [slachtoffer] vrijwillig zou zijn meegegaan dan wel uitdrukkelijk toestemming zou hebben gegeven is volstrekt niet aannemelijk geworden. De opzet van [medeverdachte] en [verdachte] was niet alleen gericht op de vrijheidsbeneming maar ook op de wederrechtelijkheid daarvan. Zij wisten immers of moesten op grond van hun functie weten, dat iemand zonder wettelijke grondslag niet zomaar van zijn vrijheid mag worden beroofd.

Dat het wegbrengen en elders achterlaten van een persoon gerechtvaardigd was omdat het vaker gebeurde in het district, zoals door de raadsman aangevoerd, is niet voldoende gebleken. In het dossier bevindt zich weliswaar een verklaring waarin is aangegeven dat [slachtoffer] eerder zonder te zijn aangehouden is meegenomen, maar daarover is door de desbetreffende verbalisanten niets geregistreerd. Ook van de onderhavige gebeurtenis is geen mutatie opgemaakt. Voorts is niet onomstotelijk vast komen te staan dat deze gang van zaken bij de ‘cultuur’ van het bureau hoorde. Overigens ook indien dergelijk optreden vaker gebeurde, levert dat niet zonder meer een rechtmatig handelen op.

STRAFBAARHEID FEITEN EN DE VERDACHTE

Ten aanzien van de feiten 1 en 2.

De raadsman heeft een beroep gedaan op putatief noodweer(exces). [verdachte] heeft aangevoerd dat hij zijn dienstwapen heeft getrokken, omdat [slachtoffer] ineens riep: “Shoot, shoot”, en daarbij naar de zak van zijn jas/vest greep, terwijl hij, verdachte, iets zwarts uit die zak zag steken danwel iets zag uitsteken door de stof van het jasje en dacht dat [slachtoffer] een vuurwapen had.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verweer op putatief noodweer(exces), de verschoonbare vergissing van [verdachte] dat hij werd aangevallen, dient te worden verworpen, aangezien de door [verdachte] geschetste gang van zaken niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of het beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slagen, moet voldoende aannemelijk zijn dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan terwijl dit was geboden, althans, hij heeft mogen menen dat dit was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de aangever, dan wel door een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding.

Zoals hiervoor bij de toelichting op de bewezenverklaring al is besproken, acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar. Voor de lezing van [verdachte] is geen bevestiging in het dossier te vinden en deze is ook niet anderszins aannemelijk geworden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zonder enige aanleiding door [verdachte] werd bedreigd met een vuurwapen. Dit past in het verhaal dat [verdachte] hem bang wilde maken en wilde zorgen dat [slachtoffer] niet meer in het betreffende politiedistrict zou terugkeren, zoals ook [medeverdachte] heeft verklaard. Dat [verdachte] tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd dat hij hem bijna had neergeschoten is door [slachtoffer] en [medeverdachte] niet gehoord. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] geen ‘shoot-shoot’ heeft horen roepen. Hij heeft niet gezien dat [slachtoffer] in zijn zak greep en daar een zonnebril uit pakte. Ook de verklaring van [verdachte] dat hij met [slachtoffer] de bosjes inliep om hem de weg te wijzen is niet geloofwaardig, nu zich daar geen weg of pad bevond. Het had dan veel meer voor de hand gelegen dat [verdachte] hem uit het politievoertuig had laten stappen en zijn weg laten vervolgen op de weg waar het politievoertuig stond geparkeerd. Ook de uitlating van [verdachte] aan collega [verbalisant 3] toen hij terugkwam op het bureau, namelijk: “daar hebben we voorlopig geen last meer van”, is moeilijk te plaatsen in combinatie met de door [verdachte] beschreven gang van zaken.

Ten slotte is het op zijn minst opvallend dat [verdachte], indien hij werkelijk dacht dat [slachtoffer] een wapen pakte, toen niet heeft gehandeld volgens het protocol geldend in dergelijke situaties, waarbij een aanwezige collega direct moet worden gewaarschuwd.

Gelet hierop faalt beroep op (putatief) noodweer. De bewezen verklaarde feiten zijn strafbaar.

De rechtbank overweegt dat nu geen sprake was van een noodweersituatie in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, het beroep op putatief noodweerexces evenmin kan slagen. De verdachte is strafbaar.

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van iemand opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl de verdachte gebruik maakte van zijn macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl de verdachte gebruik maakte van zijn macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken.

3.

Medeplegen van als ambtenaar door misbruik van gezag iemand dwingen iets te doen of te dulden.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, hoofdagent van politie, ging samen met een collega verbalisant, naar een melding van overlast. Het bleek te gaan om een Poolse man die op een grasveldje lag te slapen en over wie al eerder meldingen van overlast waren geweest. Beide verbalisanten hebben besloten de man in hun politiebus mee te nemen naar de rand van het district. Op een achteraf gelegen en verlaten weggetje zijn zij uitgestapt en heeft de verdachte de man meegenomen de bosjes in. Daar heeft de verdachte een schep naast de Poolse man in de grond geplaatst, zijn dienstwapen op hem gericht en gezegd dat hij hem nooit meer wilde zien. Vervolgens hebben de verdachten de man op deze afgelegen plek achtergelaten.

Dit zijn zeer ernstige feiten. De Poolse man heeft doodsangsten uitgestaan en dacht dat hij zijn eigen graf moest graven en ter plekke zou worden doodgeschoten. Dat dit feit werd gepleegd door twee politieagenten is verbijsterend, onterend en in strijd met de waarden en normen die Nederlandse politie hoog in het vaandel heeft.

Het handelen van verdachte heeft geleid tot forse imagoschade aan de zijde van de politie en schade toegebracht aan het vertrouwen dat een ieder in Nederland mag hebben in de politie.

Bijzonder laakbaar is dat verdachte en zijn medeverdachte ervoor hebben gekozen om hun mond te houden over deze gebeurtenis. Eerst acht maanden later heeft de medeverdachte, omdat er steeds meer verhalen de ronde deden op het bureau, hiervan melding gemaakt bij zijn leidinggevende. Hierna kon het slachtoffer, dat inmiddels weer in Polen verbleef, worden opgespoord en gehoord.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank weegt tevens mee dat de verdachte ter terechtzitting er weinig blijk van heeft gegeven dat hij de strafwaardigheid van zijn handelen inziet. Hij ziet vooral zichzelf als slachtoffer van de hele situatie.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 oktober 2012 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast is gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport van 23 november 2010 en het rapport van psycholoog drs. B.F. Hoek van 18 november 2010.

Tevens wordt rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek in april 2010 en de behandeling ter terechtzitting.

De gevolgen voor de verdachte zijn ingrijpend geweest. Naar aanleiding van deze zaak is de verdachte ontslagen bij de politie. Hij heeft tot op heden nog geen ander werk kunnen vinden en is volgens eigen zeggen in een sociaal isolement terecht gekomen. Ook daar wordt bij de strafoplegging rekening mee gehouden.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om (tevens) een werkstraf op te leggen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 44, 47, 57, 282, 285 en 365 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Van den Heuvel en Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2012.

De jongste rechter is bij afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 12 december 2012.

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland)

en/of Moerkapelle en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid

heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of

zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) gemaand op te

staan door met die wapenstok(ken) hem, [slachtoffer] in zijn rug althans lichaam te

prikken en/of met die wapenstok(ken) te zwaaien en/of

- die [slachtoffer] vastgepakt bij zijn arm(en) en/of

- die [slachtoffer] laten plaatsnemen en/of meegenomen in een politievoertuig en/of

vastgehouden in dat voertuig en/of;

(nadat met dat voertuig naar een afgelegen gebied was gereden)

- die [slachtoffer] (vervolgens) laten uitstappen en/of meegenomen/begeleid naar

- die [slachtoffer] laten knielen en/of geknield gehouden en/of

- die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

die [slachtoffer] gericht en/of gericht houden, en/of

- naast die [slachtoffer] een schep geplaatst en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd en/of in stand

gehouden en/of

- hem, [slachtoffer] de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, hem, [slachtoffer], niet meer

wilde zien althans woorden van gelijke aard of strekking,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader gebruik maakte(n) van

zijn/hun macht en gelegenheid door zijn/hun ambt geschonken, immers was/waren

hij/zij, verdachte en/of zijn mededader toen en daar in zijn/hun hoedanigheid

van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 44 wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2009 te Moerkapelle en/of

(elders) in Nederland,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

-zakelijk weergegeven-

- die [slachtoffer] op een afgelegen plek uit een politievoertuig laten stappen en/of

meegenomen naar/in bosschages en/of

- die [slachtoffer] laten knielen en/of geknield gehouden en/of

- een pistool (dienstwapen), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op korte afstand op (het hoofd van) die [slachtoffer] gericht en/of gericht gehouden;

- een schep naast die [slachtoffer] neergezet en/of

- (daarbij) deze [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte,

[slachtoffer] niet meer wilde zien, althans woorden van gelijke aard of strekking,

zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van zijn macht en gelegenheid

door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte toen en daar in zijn

hoedanigheid van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 44 wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland)

en/of Moerkapelle en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

als ambtenaar, zijnde (hoofd)agent werkzaam bij de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, door misbruik van zijn gezag

een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft gedwongen iets te doen of te dulden,

hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader,

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) heeft/hebben

gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) die [slachtoffer] in zijn rug althans

lichaam heeft/hebben geprikt en/of met die wapenstok(ken) heeft/hebben

gezwaaid en/of

-die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt bij de arm(en) en/of

-die [slachtoffer] heeft/hebben laten plaatsnemen en/of meegenomen in een

politievoertuig en/of vastgehouden in dat voertuig en/of;

- die [slachtoffer] (vervolgens) (op een afgelegen plek) heeft/hebben laten

uitstappen en/of meegenomen en/of begeleid naar bosschages en/of

- een schep naast die [slachtoffer] heeft/hebben neergezet en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft/hebben gecreëerd

en/of in stand gehouden en/of

dat hij, verdachte

-die [slachtoffer] (vervolgens) heeft laten knielen en/of geknield heeft gehouden;

- een pistool (dienstwapen), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op korte afstand op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht gehouden;

- (daarbij) deze [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd dat hij,

verdachte, hem, [slachtoffer] niet meer wilde zien, althans woorden van gelijke aard

of strekking, en/of

dat hij, verdachte en/of zijn mededader hem, [slachtoffer], aldaar heeft/hebben

achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] in een politiebus is gestapt en/of in die

politiebus is meegenomen naar een afgelegen plek en/of aldaar is uitgestapt

en/of aldaar (vervolgens) (met verdachte) de bosschages in is gelopen en/of

aldaar is geknield en/of aldaar (vervolgens) een vuurwapen op zich gericht

kreeg en/of (tenslotte) in die bosschages is achtergelaten.

art 365 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht