Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY5955

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
10/775008-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlastgevende poolse zwerver (na een melding slapend in het gras aangetroffen) door de verdachten, 2 poltiemensen, meegenomen in politiebus en vervoerd naar een doodlopende weg aan de grens van het betreffende politiedistrict. Daar werd hij meegevoerd de bosjes in, moest hij knielen, werd een schep naast hem geplaatst en werd door 1 van de verdachten een pistool getrokken en op aangever gericht.

wederrechtelijke vrijheidsberoving/bedreiging waarbij misbruik werd gemaakt van door het ambt geschonken macht en gelegenheid bewezen alsmede het door misbruik te maken van gezag iemand dwingen iets te doen of dulden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282, geldigheid: 2012-12-12
Wetboek van Strafrecht 365, geldigheid: 2012-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/58

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/775008-10

Datum uitspraak: 12 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Hoekstra heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE ten aanzien van feit 1

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat in een aantal door de verdediging globaal genoemde gevallen in de afgelopen jaren nimmer sprake is geweest van vervolging. Ook is géén van de andere agenten, binnen het district waarin de verdachte werkzaam was, die overlastgevende personen naar de rand van hun werkgebied hebben weggebracht, strafrechtelijk vervolgd voor opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarmee heeft het openbaar ministerie niet alleen het gelijkheidsbeginsel maar ook het beginsel van een evenredige belangenafweging geschonden.

De rechtbank overweegt dat het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Bij de toetsing van een vervolgingsbeslissing aan het gelijkheidsbeginsel moet het gaan om zaken die zowel op het punt van de haalbaarheid als op dat van de opportuniteit geheel overeenstemmen. Het verweer is met betrekking tot de genoemde elementen onvoldoende onderbouwd met feitelijke informatie waaruit de gelijkheid en het bestendige patroon zou moeten blijken. Dit geldt zowel voor de door de verdediging genoemde algemene gevallen als voor de gevallen die de directe collega’s van de verdachte betreffen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en Moerkapelle , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) hem, [slachtoffer] in zijn rug althans lichaam te prikken en met die wapenstok(ken) te zwaaien en- die [slachtoffer] vastgepakt bij zijn arm(en) en

- die [slachtoffer] laten plaatsnemen en meegenomen in een politievoertuig en vastgehouden in dat voertuig en

nadat met dat voertuig naar een afgelegen gebied was gereden

- die [slachtoffer] vervolgens laten uitstappen en meegenomen/begeleid naar bosschages en

- naast die [slachtoffer] een schep geplaatst en

- aldus een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd en in stand gehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader gebruik maakten van hun macht en gelegenheid door hun ambt geschonken, immers waren zij, verdachte en zijn mededader toen en daar in hun hoedanigheid van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

2.

hij op 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en Moerkapelle , tezamen en in vereniging met een ander, als ambtenaar, zijnde politieambtenaar werkzaam bij de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, door misbruik van zijn gezag een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft gedwongen iets te doen of te dulden, hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader,

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) hebben gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) die [slachtoffer] in zijn rug te prikken en met die wapenstok(ken) te zwaaien en

- die [slachtoffer] hebben vastgepakt bij de arm(en) en

- die [slachtoffer] hebben laten plaatsnemen en meegenomen in een politievoertuig en vastgehouden in dat voertuig en

- die [slachtoffer] vervolgens op een afgelegen plek hebben laten uitstappen en meegenomen en aldaar begeleid naar/in bosschages en

- een schep naast die [slachtoffer] heeft neergezet en

- aldus een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie hebben gecreëerd en in stand gehouden, en

- die [slachtoffer] aldaar hebben achtergelaten

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in een politiebus is gestapt en in die politiebus is meegenomen naar een afgelegen plek en aldaar is uitgestapt en vervolgens de bosschages in is gelopen en aldaar is gebleven en tenslotte in die bosschages is achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De inhoud van de wettige bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht en maakt deel uit van dit vonnis.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Ten laste is gelegd dat de verdachte in zijn hoedanigheid van politieagent, samen met zijn collega [medeverdachte] aangever [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en dat zij door misbruik van hun gezag die [slachtoffer] hebben gedwongen iets te doen of te dulden.

De raadsman heeft bepleit dat van opzet van de zijde van de verdachte geen sprake is geweest en ook dat het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen kan worden. De verdachte dient daarom van beide feiten te worden vrijgesproken.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de feiten uit van de navolgende gang van zaken.

Op 28 augustus 2009 komt er bij de meldkamer van de politie een melding binnen over een man die op een bankje ligt te slapen en daarmee overlast zou veroorzaken. De melding wordt om 16.44 uur uitgegeven aan het politievoertuig met het oproepnummer 504 waarin zich verdachte en medeverdachte bevinden. De medeverdachte, hierna verder te noemen [medeverdachte], hoofdagent van politie, reageert: “We hebben al een paar weken last van die meneer, gaan we nou effe oplossen, wij zijn onderweg”. [medeverdachte] heeft die dag dienst samen met de verdachte, hierna verder te noemen [verdachte], en ze rijden in een politievoertuig naar Bleiswijk, waar ze een Poolse man genaamd [slachtoffer] aantreffen, slapend op een grasveld. Onderweg naar de man spreken ze al over de mogelijkheid om hem naar een andere plek te brengen.

Door getuige [naam getuige 1], degene die de melding bij de politie had gedaan, is gezien dat één van de politiemannen zijn gummiknuppel uit zijn broek pakte en daarmee de man op de grond een aantal keren licht in zijn rug prikte. Getuige [naam getuige 2] heeft gezien dat [medeverdachte] en een mannelijke collega met hun lange wapenstok in de hand stonden, waarbij [medeverdachte] met die wapenstok in zijn hand sloeg en dat zowel [medeverdachte] als zijn collega aan het zwaaien waren met hun wapenstok.

[slachtoffer] stond op, werd door de verbalisanten beetgepakt en richting het politiebusje geleid. Hij is ingestapt en ze zijn weggereden.

[Medeverdachte] zei toen tegen [verdachte]: “We zetten hem wel ergens af, dan is de overlast over, we gooien hem er over de A12 wel uit” en even later: “Ik zet hem er bij Moerkapelle wel af”.

Vervolgens zijn ze een doodlopend afgelegen landweggetje opgereden. Daar zijn zij uitgestapt.

[Slachtoffer] is door [medeverdachte] meegenomen de bosschages in, een paar meter vanaf het landweggetje.

Schep

Over wat er dan gebeurt, lopen de verklaringen uiteen. [Medeverdachte] en [verdachte] ontkennen dat er een schep uit de auto is gehaald. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verbalisant een schep uit de auto meenam de bosschages in en deze naast hem neer zette. Hij moest knielen en die verbalisant richtte een vuurwapen op hem, sprak op dreigende toon tegen hem en zei ondermeer dat hij hem nooit meer wilde zien. [slachtoffer] weet niet meer of de verbalisant die hem bedreigde iets over de schep gezegd heeft, maar door de hele situatie ontstond bij [slachtoffer] de vrees dat hij zijn eigen graf moest graven.

De rechtbank acht voor de lezing van [slachtoffer] voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

[slachtoffer] verklaart over een schep in al zijn verklaringen; hij wordt pas in augustus 2010 in Polen opgespoord en voor het eerst gehoord. Zijn verklaringen over de schep worden ondersteund door de de-auditue verklaringen van diverse agenten, waaronder die van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die gelijkluidend verklaren. Deze laatste twee agenten had [verdachte] volgens zijn eigen verklaring al voor 24 april 2010, dus voordat hij het incident had gemeld bij zijn leidinggevende, in vertrouwen genomen. [verdachte] heeft daarbij tegen [verbalisant 1] onder andere gezegd dat ze een melding hadden gekregen over een man die vaker overlast had veroorzaakt. Dat zij die man hadden meegenomen naar een bos en dat er door [verdachte] of [medeverdachte] een schep uit de auto was gehaald waarna [medeverdachte] tegen die man had gezegd: “Begin maar vast te graven” of woorden van gelijke strekking.

Uit de verklaring van [verbalisant 1] blijkt ook dat [verdachte] met hem over dit incident heeft gesproken nog voordat dit incident bekend is geworden bij de leidinggevende.

[verdachte] heeft tegen [verbalisant 2] verteld dat [medeverdachte] naar de achterkant van de bus was gelopen en daar een schep had gepakt. Vervolgens hoorde [verbalisant 2] [verdachte] zeggen dat [medeverdachte] tegen de Poolse man had gezegd: “Graven of scheppen”. [medeverdachte] gaf de schep vervolgens aan de Poolse man.

Uit de verklaring van [verbalisant 2] blijkt eveneens dat [verdachte] met hem over dit incident heeft gesproken vóórdat dit bekend werd bij de leidinggevende.

[verdachte] heeft dus [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in vertrouwen genomen en daarbij gesproken over de schep voordat hij het incident op 24 april 2010 aan zijn leidinggevende heeft gemeld, en lang voordat [slachtoffer] in augustus 2010 in Polen werd opgespoord en verhoord.

[verdachte] heeft tenslotte ook zelf tegenover de politie verklaard dat in de auto, op weg naar de afgelegen plek, [medeverdachte] op een gegeven moment grijnzend zei dat ze [slachtoffer] bang zouden maken met een schep.

Nadat beide agenten terugkwamen op het bureau heeft [medeverdachte] tegen collega’s gezegd: “Daar hebben we voorlopig geen last meer van”.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] op dit punt geloofwaardig.

Het doel van de hele exercitie was kennelijk een zodanige bedreigende situatie te creëren, dat [slachtoffer] zich niet meer zou laten zien in Bleiswijk en omgeving.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de schep uit de auto is meegenomen en door [medeverdachte] in de bosschages naast aangever in de grond is geplaatst met het doel om voor [slachtoffer] die bedreigende situatie te creëren.

Medeplegen

Anders dan door de raadsman is bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen. [verdachte] en [medeverdachte] hebben samen [slachtoffer] meegenomen en afgesproken hem elders aan de rand van het district af te zetten. [verdachte] heeft door zijn voortdurende aanwezigheid in politie-uniform [medeverdachte] getalsmatig versterkt. De rechtbank is van oordeel dat het meenemen naar de bosschages en het plaatsen van een schep, gelet op de verklaring van [slachtoffer] ook aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. [slachtoffer] heeft verklaard dat de andere agent, [verdachte] dus, al die tijd bij de auto stond en lachend toekeek. Ook uit de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte] een schep meenam om daarmee een dreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer]. Door er in zijn hoedanigheid van politieagent bij te blijven staan, heeft [verdachte] de positie van [medeverdachte] ten opzicht van [slachtoffer] steeds versterkt. Er is sprake van medeplegen.

Opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving

Kenmerkend vereiste voor vrijheidsberoving is de beperking van de fysieke bewegingsvrijheid. De beperking kan plaatsvinden door iemand feitelijk de mogelijkheid van vrij bewegen te ontnemen, maar ook door uitoefening van dwang.

[slachtoffer] kon zich vanaf het moment dat hij door [medeverdachte] en [verdachte] werd wakker gemaakt niet meer vrij bewegen. Hij werd vast gepakt, in de politiebus gezet en meegenomen naar een afgelegen plek. Aldaar werd hij onder begeleiding van [medeverdachte] naar de bosschages gebracht en bedreigd, terwijl [verdachte] op korte afstand stond en toekeek.

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat [slachtoffer] vrijwillig is meegegaan, en dus toestemming zou hebben gegeven.

Dat de vrijheidsberoving wederrechtelijk was blijkt uit het feit dat er geen enkele bepaling in de wet te vinden is die de politie toestaat iemand van zijn vrijheid te beroven om hem op een plek elders af te zetten. Daarmee was de vrijheidsbeneming in strijd met het recht en dus wederrechtelijk. Dat [slachtoffer] vrijwillig zou zijn meegegaan dan wel uitdrukkelijk toestemming zou hebben gegeven is volstrekt niet aannemelijk geworden. De opzet van [verdachte] en [medeverdachte] was niet alleen gericht op de vrijheidsbeneming maar ook op de wederrechtelijkheid daarvan. Zij wisten immers of moesten op grond van hun functie weten, dat iemand zonder wettelijke grondslag niet zomaar van zijn vrijheid mag worden beroofd.

Dat het wegbrengen en elders achterlaten van een persoon gerechtvaardigd was omdat het vaker gebeurde in het district, zoals door de raadsman aangevoerd, is niet voldoende gebleken. In het dossier bevindt zich weliswaar een verklaring waarin is aangegeven dat [slachtoffer] eerder zonder te zijn aangehouden is meegenomen, maar daarover is door de desbetreffende verbalisanten niets geregistreerd. Ook van de onderhavige gebeurtenis is geen mutatie opgemaakt. Voorts is niet onomstotelijk vast komen te staan dat deze gang van zaken bij de ‘cultuur’ van het bureau hoorde. Overigens ook indien dergelijk optreden vaker gebeurde, levert dat niet zonder meer een rechtmatig handelen op.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van iemand opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl de verdachte gebruik maakte van zijn macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken.

2.

Medeplegen van als ambtenaar door misbruik van gezag iemand dwingen iets te doen of te dulden.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, toen nog aspirant van politie, ging samen met een collega verbalisant, naar een melding van overlast. Het bleek te gaan om een Poolse man die op een grasveldje lag te slapen en over wie al eerder meldingen van overlast waren geweest. Beide verbalisanten hebben besloten de man in hun politiebus mee te nemen naar de rand van het district. Op een achteraf gelegen en verlaten weggetje zijn zij uitgestapt en heeft de medeverdachte de man meegenomen de bosjes in. Daar heeft hij een schep naast de Poolse man in de grond geplaatst en gezegd dat hij hem nooit meer wilde zien. Vervolgens hebben de verdachten de man op deze afgelegen plek achtergelaten.

Dit zijn zeer ernstige feiten. De Poolse man heeft doodsangsten uitgestaan en dacht dat hij zijn eigen graf moest graven en ter plekke zou worden doodgeschoten. Dat dit feit werd gepleegd door twee politieagenten is verbijsterend, onterend en in strijd met de waarden en normen die Nederlandse politie hoog in het vaandel heeft.

Het handelen van verdachte heeft geleid tot forse imagoschade aan de zijde van de politie en schade toegebracht aan het vertrouwen dat een ieder in Nederland mag hebben in de politie.

Bijzonder laakbaar is dat verdachte en zijn medeverdachte ervoor hebben gekozen om hun mond te houden over deze gebeurtenis. Eerst acht maanden later heeft de verdachte, omdat er steeds meer verhalen de ronde deden op het bureau, hiervan melding gemaakt bij zijn leidinggevende. Hierna kon het slachtoffer, dat inmiddels weer in Polen verbleef, worden opgespoord en gehoord.

De rechtbank weegt tevens mee dat de verdachte ter terechtzitting er weinig blijk van heeft gegeven dat hij de strafwaardigheid van zijn handelen inziet. Hij ziet vooral zichzelf als slachtoffer van de hele situatie.

Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 oktober 2012 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Tevens wordt rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek in april 2010 en de behandeling ter terechtzitting.

De gevolgen voor de verdachte zijn ingrijpend geweest. Naar aanleiding van deze zaak is de verdachte ontslagen bij de politie. Hij heeft tot op heden nog geen ander werk kunnen vinden. Ook daar wordt bij de strafoplegging rekening mee gehouden.

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden zal aan de verdachte een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Deze laatste straf dient er met name toe om de ernst van de gepleegde feiten te benadrukken en voorts om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 44, 47, 57, 282 en 365 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 210 uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 105 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Van den Heuvel en Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2012.

De jongste rechter is bij afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 12 december 2012

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland)

en/of Moerkapelle en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid

heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of

zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) gemaand op te

staan door met die wapenstok(ken) hem, [slachtoffer] in zijn rug althans lichaam te

prikken en/of met die wapenstok(ken) te zwaaien en/of

- die [slachtoffer] vastgepakt bij zijn arm(en) en/of

- die [slachtoffer] laten plaatsnemen en/of meegenomen in een politievoertuig en/of

vastgehouden in dat voertuig en/of;

(nadat met dat voertuig naar een afgelegen gebied was gereden)

- die [slachtoffer] (vervolgens) laten uitstappen en/of meegenomen/begeleid naar

bosschages en/of

- naast die [slachtoffer] een schep geplaatst en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd en/of in stand

gehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader gebruik maakte(n) van

zijn/hun macht en gelegenheid door zijn/hun ambt geschonken, immers was/waren

hij/zij, verdachte en/of zijn mededader toen en daar in zijn/hun hoedanigheid

van politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 44 wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2009 te Bleiswijk (gemeente Lansingerland)

en/of Moerkapelle en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

als ambtenaar, zijnde politieambtenaar werkzaam bij de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, door misbruik van zijn gezag

een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft gedwongen iets te doen of te dulden,

hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader,

- die [slachtoffer] (met behulp van één of meer lange wapenstok(ken)) heeft/hebben

gemaand op te staan door met die wapenstok(ken) die [slachtoffer] in zijn rug althans

lichaam te prikken en/of met die wapenstok(ken) te zwaaien en/of

-die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt bij de arm(en) en/of

-die [slachtoffer] heeft/hebben laten plaatsnemen en/of meegenomen in een

politievoertuig en/of vastgehouden in dat voertuig en/of

- die [slachtoffer] (vervolgens) (op een afgelegen plek) heeft/hebben laten

uitstappen en/of meegenomen en/of aldaar begeleid naar/in bosschages en/of

- een schep naast die [slachtoffer] heeft/hebben neergezet en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft/hebben gecreëerd

en/of in stand gehouden, en/of

- die [slachtoffer] aldaar heeft/hebben achtergelaten

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in een politiebus is gestapt en/of in die

politiebus is meegenomen naar een afgelegen plek en/of aldaar is uitgestapt

en/of (vervolgens) de bosschages in is gelopen en/of aldaar is gebleven en/of

(tenslotte) in die bosschages is achtergelaten.

art 365 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht