Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY5159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
388977 / HA ZA 11-2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kosten levensverzekering, informatieverstrekkingsverplichting verzekeraar, RIAV 1998, Derde Levensrichtlijn, prejudiciële vragen aan HvJ EU:

Vraag 1

Verzet het recht van de Europese Unie en in het bijzonder artikel 31 lid 3 van de Derde Levensrichtlijn zich ertegen dat levensverzekeraars op grond van open en/of ongeschreven regels van Nederlands recht, zoals de redelijkheid en billijkheid die de (pre)contractuele verhouding tussen een levensverzekeraar en een aspirant-verzekeringnemer beheersen en/of een algemene en/of bijzondere zorgplicht, verplicht zijn om verzekeringnemers meer gegevens te verstrekken omtrent kosten en risicopremies van de verzekering dan in 1999 werd voorgeschreven door de Nederlandse bepalingen waarmee de Derde Levensrichtlijn (in het bijzonder artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998) werd geïmplementeerd?

Vraag 2

Doet bij de beantwoording van vraag 1 ter zake wat, naar Nederlands recht, het gevolg is c.q. kan zijn van het niet verstrekken van die gegevens?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/92
JONDR 2013/371
PJ 2014/94 met annotatie van mr. S.H. Kuiper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 388977 / HA ZA 11-2010

Vonnis van 28 november 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. B.M. Jonk-van Wijk te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D. Beljon te Utrecht.

Partijen worden nog steeds aangeduid als Nationale-Nederlanden en [gedaagde].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 juli 2012

- de conclusie na tussenvonnis van Nationale-Nederlanden

- de conclusie na tussenvonnis van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Partijen hebben zich na het tussenvonnis uitgelaten omtrent twee in dat tussenvonnis aan hen voorgelegde punten. Het betreft in de eerste plaats de vraag of partijen tot uitgangspunt nemen dat Nationale-Nederlanden jegens van [gedaagde] de open normen (waaronder in deze procedure begrepen dienen te worden de algemene en/of bijzondere zorgplicht van Nationale-Nederlanden jegens [gedaagde] in het kader van hun contractuele verhouding, de precontractuele goede trouw en/of eisen van redelijkheid en billijkheid) heeft geschonden. In de tweede plaats betreft het de zienswijze van partijen op de formulering van eventueel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) te stellen prejudiciële vragen.

2.2. De hiervoor geformuleerde eerste vraag is door partijen aldus beantwoord dat volgens hen als uitgangspunt dient te gelden dat, indien er volgens het Europese recht ruimte bestaat voor een verplichting van Nationale-Nederlanden om [gedaagde] meer gegevens te verstrekken dan in de Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998) is voorgeschreven - in concreto: een op zichzelf staand overzicht van of inzicht in de concrete en/of absolute kosten en risicopremies en de opbouw daarvan - Nationale-Nederlanden deze verplichting jegens [gedaagde] heeft geschonden door slechts informatie te verschaffen over de invloed van kosten en risicopremies ten laste van [gedaagde] op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst.

2.3. De rechtbank begrijpt dit als een bevestigende beantwoording van de hiervoor genoemde eerste vraag. Aan de door partijen genoemde clausule (“indien er volgens het Europese recht ruimte bestaat etc.”) komt geen zelfstandige betekenis toe, nu die clausule juist de vraag is die partijen in deze procedure opgehelderd willen krijgen. Dit uitgangspunt brengt met zich dat de rechtbank, zoals in het tussenvonnis reeds aangekondigd, thans van oordeel is dat het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie nodig is voor het beslechten van het geschil tussen Nationale-Nederlanden en [gedaagde].

2.4. Nationale-Nederlanden heeft als zienswijze met betrekking tot de door de rechtbank voorgestelde tweede vraag aangevoerd dat zij zich tegen het stellen daarvan verzet. De rechtbank is van oordeel dat dit verzet geen doel treft. Het is juist dat het aan de nationale rechter is om nationale bepalingen uit te leggen in overeenstemming met de eisen van het Unierecht, en dat naar Nederlands recht door de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld of en zo ja welke consequenties verbonden moeten worden aan het al dan niet verstrekken van nadere gegevens. Dat neemt echter niet weg, dat het voor de weging van het Hof - bijvoorbeeld uit een oogpunt van consumentenbescherming, vrij verkeer, rechtszekerheid of afweging van betrokken belangen - van belang kan zijn wat de consequenties naar Nederlands recht (zouden kunnen) zijn van het niet verstrekken van die gegevens; het Hof zal zich wellicht in het kader van het nuttig effect van verdergaande verplichtingen om gegevens te verstrekken een nader beeld willen vormen (en kan zich uiteraard zo nodig nader laten voorlichten). De rechtbank acht het gewenst om, als het Hof meent dat de beantwoording van de eerste vraag zou kunnen afhangen van de aard en ernst van de gevolgen, dat te vernemen, zodat zij dat in voorkomend geval kan meewegen bij haar verdere beoordeling van de zaak.

In het andere geval kan het Hof volstaan met negatieve beantwoording van de vraag, zonder nadere belasting.

De feiten

2.5. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 14 maart 2012 een omschrijving gegeven van de enerzijds gestelde en anderzijds erkende of niet voldoende betwiste feiten waar in deze procedure van wordt uitgegaan. Voor de leesbaarheid van dit vonnis volgt deze feitenomschrijving hier nogmaals, met onder 2.9 de toevoeging van een nieuw feit.

2.6. Nationale-Nederlanden heeft, blijkens een polis van 29 februari 2000, een uitkering van f 255.000,-- dan wel de waarde, vermeerderd met 10% daarvan, van ten behoeve van [gedaagde] uitstaande participaties in bepaalde fondsen, verzekerd ten behoeve van [gedaagde] als verzekeringnemer en verzekerde, uit te keren bij overlijden van [gedaagde] vóór 1 december 2033. [gedaagde] diende hiertoe met ingang van 1 mei 1999 een premie te betalen van (eenmalig) f 8.800,-- en vervolgens (maandelijks) f 200,--. Deze verzekering wordt door Nationale-Nederlanden aangeduid als “Flexibel Verzekerd Beleggen” en in het navolgende verder aangeduid als: de verzekering(sovereenkomst).

2.7. Tussen partijen is een geschil gerezen omtrent de hoogte van de kosten van de polis en van de (overlijdens)risicopremies voor de van de verzekering deel uitmakende overlijdensrisicodekking. Deze kosten zijn door Nationale-Nederlanden op de bruto premie dan wel de poliswaarde in mindering gebracht. In het verlengde van dit geschil bestaat tussen partijen verschil van mening over de vraag of Nationale-Nederlanden voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voldoende informatie heeft verschaft over deze kosten.

2.8. Voorafgaand aan het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is aan [gedaagde] een “Voorstel voor flexibel verzekerd beleggen” d.d. 11 juni 1999 verstrekt. Daarin is een drietal voorbeeldkapitalen genoemd op basis van verschillende rendementen en beheerskosten van 0,3%. Voorts is onder het kopje “Productrendement” het volgende vermeld: “Het verschil tussen het fondsrendement en het productrendement is afhankelijk van de verzekerde risico’s, de verschuldigde kosten alsmede van eventueel aanvullende dekkingen.”

2.9. Nationale-Nederlanden heeft voldaan aan de eisen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998, doch jegens [gedaagde] de open normen (waaronder in deze procedure begrepen dienen te worden de algemene en/of bijzondere zorgplicht van Nationale-Nederlanden jegens [gedaagde] in het kader van hun contractuele verhouding, de precontractuele goede trouw en/of eisen van redelijkheid en billijkheid) geschonden door te volstaan met informatie over de invloed van kosten en risicopremies op het rendement.

Vragen van uitleg

2.10.

Vraag 1

Verzet het recht van de Europese Unie en in het bijzonder artikel 31 lid 3 van de Derde Levensrichtlijn zich ertegen dat levensverzekeraars op grond van open en/of ongeschreven regels van Nederlands recht, zoals de redelijkheid en billijkheid die de (pre)contractuele verhouding tussen een levensverzekeraar en een aspirant-verzekeringnemer beheersen en/of een algemene en/of bijzondere zorgplicht, verplicht zijn om verzekeringnemers meer gegevens te verstrekken omtrent kosten en risicopremies van de verzekering dan in 1999 werd voorgeschreven door de Nederlandse bepalingen waarmee de Derde Levensrichtlijn (in het bijzonder artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998) werd geïmplementeerd?

Vraag 2

Doet bij de beantwoording van vraag 1 ter zake wat, naar Nederlands recht, het gevolg is c.q. kan zijn van het niet verstrekken van die gegevens?

2.11. De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank

Verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie de onder 2.10 geformuleerde vragen te beantwoorden, in het licht van de onder 2.5 tot en met 2.9 vermelde feiten;

Houdt elke verdere beslissing aan en schorst het geding tot het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Verwijst de zaak naar de parkeerrol.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.W. van den Hurk en mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2012.

[106/427/1980]