Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY3650

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2012
Datum publicatie
21-11-2012
Zaaknummer
367629 / HA ZA 10-3464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkomingen in de nakoming van overeenkomsten tot schuldregeling en budgetbeheer door schuldhulpverlenende instantie. Schuldhulpverlenende instantie heeft zonder overleg met betrokkenen bepaalde schulden met voorrang voldaan, waarmee zij niet heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener. Gebrekkig gecommuniceerd met betrokkenen; nagelaten overzichten te verschaffen van de namens betrokkene verrichte betalingen. Schuldregeling en budgetbeheer onvoldoende op elkaar afgestemd. Aannemelijk dat betrokkenen door deze tekortkomingen schade hebben geleden. Schade begroot op € 3.000,-.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/344
NJF 2013/91

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 367629 / HA ZA 10-3464

Vonnis van 24 oktober 2012

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Rotterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. H. Uzumcu,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

in het bijzonder Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Kredietbank Rotterdam,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. de Wit.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Kredietbank genoemd worden. Voor zover eiser sub 1 en eiseres sub 2 afzonderlijk bedoeld zijn, worden zij aangeduid als [eiser 1] respectievelijk [eiser 2].

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 oktober 2011 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de brief van 13 januari 2012 van mr. De Wit, met producties;

- het faxbericht van 25 januari 2012 van mr. Uzumcu, met bijlagen;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2012;

- de akte van [eisers], met producties;

- de nadere conclusie na comparitie van de gemeente, met producties.

2. De verdere beoordeling

2.1. In deze zaak ligt - kort gezegd - ter beantwoording voor de vraag of de Gemeente (hierna: de Kredietbank) de met [eisers] gesloten overeenkomsten deugdelijk is nagekomen en zo neen, of [eisers] daardoor schade hebben geleden. Omdat de rechtbank over verschillende, voor de beoordeling van de vordering relevante aspecten nog onvoldoende was geïnformeerd, is bij het tussenvonnis van 19 oktober 2011 een comparitie van partijen gelast. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen en bij de nadien bevolen aktewisseling, hebben [eisers] onder meer nader onderbouwd waaruit de door hen gestelde schade bestaat.

2.2 Uit hetgeen [eisers] naar voren hebben gebracht in de akte na comparitie van partijen maakt de rechtbank op dat de stelling van [eisers] is dat de hier bedoelde, door hen geleden schade bestaat uit de incassokosten, executiekosten en rente die [eisers] verschuldigd zijn geworden wegens negen specifieke schulden. Uit de stellingen van [eisers] maakt de rechtbank voorts op dat zij erkennen, zoals de Kredietbank ook heeft aangevoerd, dat de schulden zelf niet tot de schade behoren.

2.3 Op grond van de door partijen over en weer naar voren gebrachte en in zoverre niet betwiste stellingen, neemt de rechtbank het volgende als vaststaand aan. Budgetbeheer door de Kredietbank houdt in dat alle inkomsten van de klant worden overgemaakt naar de Kredietbank, waarna de Kredietbank ten behoeve van de klant zorgt voor de betaling van de vaste lasten van de klant. Van het na betaling van de vaste lasten resterende bedrag keert de Kredietbank “leefgeld” uit aan de klant. Voor zover er na betaling van de vaste lasten en de uitkering van leefgeld, nog geld overblijft, wordt dit door de gemeente gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers van de klant. Bij schuldregeling inventariseert de kredietbank de schulden van de betreffende klant en berekent de kredietbank in hoeverre deze schulden in een periode van drie jaar kunnen worden afgelost. Op basis daarvan doet de kredietbank een voorstel aan de schuldeisers, dat mede kan inhouden dat genoegen wordt genomen met een geringer bedrag. Indien alle schuldeisers daarmee akkoord gaan, wordt aan de schuldregeling uitvoering gegeven. Indien de schuldregeling correct wordt nageleefd, leidt dat ertoe dat de klant na drie jaar schuldenvrij is.

2.4 Tussen partijen staat vast dat [eisers] en de Kredietbank op 31 maart 2008 een overeenkomst tot budgetbeheer hebben gesloten. Uit de overgelegde stukken (onder meer productie 8 van [eisers] en productie 59 van de Kredietbank) maakt de rechtbank op dat de Kredietbank met ingang van eind juni 2008 daadwerkelijk is aangevangen met het budgetbeheer door betaling van de vaste lasten van de daarvoor bestemde rekening. Daargelaten de vraag wanneer [eisers] deze overeenkomst hebben opgezegd, uit de door de kredietbank overgelegde stukken - in het bijzonder productie 59 waaruit volgt dat de Kredietbank de vaste lasten ten behoeve van [eiser 2] is blijven voldoen tot en met augustus 2009 - volgt dat het budgetbeheer door de kredietbank feitelijk is uitgevoerd tot en met augustus 2009. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de overeenkomst tot budgetbeheer tot september 2009 heeft bestaan, zodat de Kredietbank tot aan dat moment verplicht was haar taak als budgetbeheer deugdelijk te verrichten.

2.5 Naast de overeenkomst tot budgetbeheer is tussen partijen ook een overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen. Volgens [eisers] was dat reeds eind 2007 het geval; volgens de (met stukken onderbouwde) stelling van de Kredietbank was dat pas in oktober 2008. Wat hiervan ook zij, vast staat in ieder geval dat de Kredietbank zich op enig moment jegens [eisers] heeft verbonden om, met medewerking van [eisers], een inventarisatie te maken van de schulden en voor zover mogelijke een schuldregeling aan te bieden. Tenslotte staat vast dat een reserve is gevormd uit de inkomsten van [eisers] van circa € 3.000,- à € 5.000,-, en dat tussen de Kredietbank en [eisers] gedurende de looptijd van de overeenkomst geen contact is geweest over de aanwending van deze reserve.

2.6 De rechtbank overweegt dat voor een correcte uitvoering van de onder 2.4 en 2.5 bedoelde overeenkomsten niet uitsluitend de Kredietbank verantwoordelijk was. Zoals in het tussenvonnis van 19 oktober 2011 reeds is overwogen, brengen overeenkomsten als de onderhavige verplichtingen voor beide partijen met zich mee. Van de kredietbank mag verwacht mag worden dat zij structuur aanbrengt in de financiën van haar klanten. Het gaat evenwel te ver om van de kredietbank te verwachten dat zij de financiële situatie van een klant zelfstandig in kaart brengt, (zo zij daartoe al in staat zou zijn hetgeen meestal niet het geval zal zijn). Voor een goede uitvoering van de overeenkomsten was de kredietbank afhankelijk van de medewerking van [eisers] en de door hen verstrekte informatie. De op de kredietbank rustende, uit de hier bedoelde overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen kunnen dan ook niet anders worden aangemerkt dan als inspanningsverbintenissen. Dat betekent dat de kredietbank niet zonder meer verantwoordelijk is voor het oplopen van schulden of het ontstaan van nieuwe schulden tijdens de uitvoering van de overeenkomsten. Evenmin is zij aanstonds verantwoordelijk te achten voor het uitblijven van het gewenste resultaat van het budgetbeheer en de schuldregeling, te weten het na verloop van tijd schuldenvrij worden. Daar staat tegenover dat de kredietbank bij de uitvoering van de overeenkomsten de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend budgetbeheerder/ schuldbemiddelaar mag worden verwacht. Dat betekent onder meer dat zij de beschikbare financiële middelen op een verantwoorde en de belangen van haar klant dienende wijze dient te beheren. Daarnaast mag van haar een grote mate van transparantie worden verwacht jegens haar klant, hetgeen impliceert dat zij periodiek deugdelijk inzicht verschaft in de wijze waarop de inkomsten van haar klant zijn besteed. Tenslotte dient bij de verplichtingen van de Kredietbank te worden meegewogen dat de bestaansreden van deze (niet commerciële) dienstverlening wordt gevormd door het gegeven dat de doelgroep, om wat voor reden ook, kortere of langere tijd niet in staat is de eigen financiën adequaat te regelen. De Kredietbank dient daarmee rekening te houden bij hetgeen zij van de cliënten verwacht, en evenzeer met het door haar zelf opgewekte verwachtingspatroon van de klanten dat de Kredietbank in aanzienlijke mate de regie overneemt.

2.5 Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank thans beoordelen of de Kredietbank de overeenkomsten naar behoren is nagekomen en zo neen, in hoeverre dat voor [eisers] tot schade heeft geleid. De rechtbank zal dat hierna eerst beoordelen aan de hand van de negen, door [eisers] bij conclusie na comparitie naar voren gebrachte concrete schadeposten, waarna de overige door [eisers] aan het adres van de Kredietbank gemaakte verwijten zullen worden besproken.

2.6 PWS en Zilveren Kruis

2.6.1 De stelling van [eisers] is onder meer dat de Kredietbank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot budgetbeheer door de vaste lasten niet steeds naar behoren te voldoen namens [eisers] De Kredietbank heeft dat betwist. Ter beoordeling ligt aldus voor of de Kredietbank gedurende de periode van het budgetbeheer (van circa april 2008 tot en met augustus 2009) haar taak als budgetbeheerder naar behoren heeft uitgevoerd. Hierbij dient te worden opgemerkt dat vast staat dat het inkomen van [eiser 2] met ingang van circa 1 juli 2008 maandelijks geheel en dat van [eiser 1] enige tijd deels is overgemaakt naar de Kredietbank. Vanaf dat moment was de Kredietbank dan ook gehouden zorg te dragen voor de betaling van de vaste lasten, voor zover het inkomen toereikend was.

2.6.2 [eisers] hebben gesteld dat de Kredietbank de huurpenningen niet steeds (tijdig) heeft voldaan. De rechtbank overweegt dat dat niet zonder meer volgt uit het door hen overgelegde overzicht van PWS (productie 1 bij akte na comparitie van partijen). Uit dit document volgt dat vanaf juli 2008 maandelijks - soms eerder, soms later - huurbetalingen zijn verricht. Voor zover de huurbetalingen niet steeds vóór of op de eerste van de maand hebben plaatsgevonden, hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd dat zij daardoor schade hebben geleden. Zij hebben gesteld dat dit kosten met zich heeft gebracht, doch zij hebben nagelaten te onderbouwen welke kosten. Gesteld noch gebleken is dat PWS kosten - bijvoorbeeld aanmaningskosten, boete of rente - in rekening heeft gebracht voor ontijdige huurbetalingen.

2.6.3 [eisers] hebben voorts gesteld dat gedurende lange tijd maandelijks een te hoog huurbedrag is voldaan door de Kredietbank aan PWS, ondanks verzoeken van [eisers] tot correctie van het huurbedrag. PWS heeft dit erkend. Hoewel de Kredietbank hiermee niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht die van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam budgetbeheerder mocht worden verwacht, is niet gebleken dat dit voor [eisers] tot schade heeft geleid. [eisers] hebben gesteld dat PWS met het ontstane overschot “kosten en aanmaningen” tot een bedrag van € 560,93 heeft kunnen verrekenen. Uit de brief van deurwaarder [X] van 6 maart 2009, die door [eisers] is overgelegd ter onderbouwing van genoemd bedrag, maakt de rechtbank op dat het hier om kosten gaat die [eisers] verschuldigd zijn geworden wegens een tegen hen gewezen vonnis. Bij gebreke van andersluidende stellingen, gaat de rechtbank er van uit dat het de buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten betreft die [eisers] verschuldigd is op grond van het op 28 mei 2008 door de sector kanton tegen hen gewezen vonnis (productie 20 conclusie van antwoord). Deze kosten was [eisers] hoe dan ook verschuldigd. Gelet op het vonnis, waarin sprake is van huurachterstand tot en met maart 2008, heeft het betaalgedrag van de Kredietbank sedert aanvang van het budgetbeheer geen rol gespeeld in die zaak. Niet valt dan ook in te zien dat de verrekening van het huuroverschot met deze kosten, tot schade heeft geleid.

2.6.4 [eisers] hebben voorts gesteld dat de betaling van de maandelijkse zorgverzekeringspremies aan het Zilveren Kruis niet goed is verlopen. Ter onderbouwing van die stelling hebben [eisers] specificaties overgelegd afkomstig van een door het Zilveren Kruis ingeschakelde incassobureau, waarin de vordering van het Zilveren Kruis op [eiser 2] (productie 16 bij de akte na comparitie van partijen) en op [eiser 1] (productie 17 akte na comparitie van partijen) zijn weergegeven. Volgens [eisers] betreffen de vorderingen van het Zilveren Kruis voor een deel premies en bedragen die gedurende het budgetbeheer verschuldigd zijn geworden en daarom door de Kredietbank hadden moeten worden voldaan namens [eisers]

2.6.5. De rechtbank overweegt als volgt. [eisers] hebben terecht opgemerkt dat de Kredietbank als redelijk handelend en redelijk bekwaam budgetbeheerder diende zorg te dragen voor de betaling van de maandelijkse zorgverzekeringspremies. Dat wordt door de Kredietbank ook niet betwist. Dat ligt anders voor andere bedragen die [eisers] mogelijk verschuldigd zijn geworden aan het Zilveren Kruis, zoals bijvoorbeeld eigen bijdragen. Van de verschuldigdheid van die bedragen kon de Kredietbank eerst op de hoogte zijn nadat [eisers] haar daarover had ingelicht. Het uitblijven van de betaling daarvan betekent dan ook niet zonder meer dat de Kredietbank tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot budgetbeheer.

Uit de door [eisers] overgelegde brieven van de deurwaarder, waarin de vorderingen van het Zilveren Kruis op [eisers] worden gespecificeerd (productie 16 en 17 conclusie na comparitie van partijen), volgt dat in juli 2009 onder meer (premie)bedragen werden ingevorderd die verschuldigd zijn geworden tijdens het budgetbeheer door de Kredietbank (juli 2008 tot en met augustus 2009). Voor zover het om premiebedragen gaat, duidt dat erop dat de Kredietbank heeft verzaakt naar behoren te zorgen voor de maandelijkse betaling daarvan. De Kredietbank heeft dat evenwel weerlegd, stellende dat zij wel steeds de zorgpremies heeft voldaan. De Kredietbank heeft dat onderbouwd met een bij antwoordakte overgelegd overzicht van de betalingen die zij tijdens het budgetbeheer aan het Zilveren Kruis heeft gedaan (productie 79). Uitgaande van een zorgpremie van € 92,-, volgt hieruit dat volgens de Kredietbank in ieder geval 27 maal zorgpremie is voldaan. De rechtbank gaat er van uit dat tijdens de periode van budgetbeheer, die 14 maanden heeft geduurd, in ieder geval 28 keer (14 keer voor [eiser 2] en 14 keer voor [eiser 1]) zorgpremie betaald diende te worden. Dat zou betekenen dat de zorgverzekeringspremie slechts één keer niet is voldaan tijdens het budgetbeheer. De Kredietbank heeft naast de premiebetalingen, volgens haar betalingsoverzicht, nog nadere betalingen verricht aan het Zilveren Kruis. Gezien deze onderbouwde betwisting van de Kredietbank, staat vooralsnog niet vast dat de Kredietbank de betaling van de zorgverzekeringspremies tijdens het budgetbeheer heeft verzaakt, mede gezien de toelichting van de Kredietbank over het moment waarop zij de tijdens het budgetbeheer door [eiser 1] verschuldigd geworden premies heeft voldaan (onder 18 van de antwoordakte na comparitie van partijen). Daarenboven geldt dat niet is gebleken dat [eisers] schade hebben geleden door het gestelde gebrekkige betalingsgedrag van de Kredietbank. Volgens [eisers] bestaat hun schade uit de buitengerechtelijke kosten, rente en registratiekosten waarop de deurwaarder in de hiervoor genoemde brieven aanspraak maakt (productie 16 en 17 bij de akte na comparitie). Deze rente en kosten zijn evenwel niet uitsluitend en ook niet voornamelijk het gevolg van tijdens het budgetbeheer onbetaald gelaten bedragen. De vorderingen van de deurwaarder zien voor een groot deel op bedragen die [eisers] verschuldigd zijn geworden aan het Zilveren Kruis voordat hun budget werd beheerd door Kredietbank. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, wordt er dan ook van uit gegaan dat de rente en kosten hoe dan ook verschuldigd waren geweest omdat reeds sprake was van een (aanzienlijke) betalingsachterstand. Herhaald wordt tenslotte nog dat voor zover de door de deurwaarder genoemde bedragen niet de premie betreffen, de Kredietbank niet zonder meer verantwoordelijk was voor betaling.

2.7 WBR, [Y] Deurwaarders ([A]/T-Mobile), BSR Deurwaarders (Intrum Justitia/Orange), IB Groep

2.7.1 [eisers] hebben gesteld dat hun schulden aan de hierboven genoemde schuldeisers tijdens de schuldhulp door de Kredietbank zijn opgelopen. Zo is de schuld aan het WBR wegens de (bij aanvang van de schuldhulp reeds beëindigde) huur van een winkelruimte opgelopen van € 2.385,18 tot € 3.813,77, de schuld aan [Y] Deurwaarders van

€ 742,84 tot € 1.478,79, de schuld aan BSR Deurwaarders van € 842,67 tot € 1.650,- en de schuld aan de IB Groep van

€ 453,60 en € 738,98 tot respectievelijk € 687,87 en € 1.011,90. Het verschil tussen deze bedragen betreft volgens [eisers] de door de gebrekkige schuldhulp van de Kredietbank opgelopen incasso- en executiekosten en is daarmee volgens hen aan te merken als schade. De Kredietbank heeft betwist dat sprake is van toerekenbaar tekortschieten aan haar zijde. Zij heeft er op gewezen dat sprake is van voor aanvang van de schuldhulp reeds bestaande schulden. Voor het oplopen van deze schuld is zij niet aansprakelijk, aldus de Kredietbank, die aanvoert dat het niet aan haar verweten kan worden als geen schuldregeling tot stand komt en de schuldeisers hun incasso voortzetten.

2.7.2 De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het hier gaat om voor de schuldhulp reeds bestaande schulden. Kennelijk - de Kredietbank heeft dat op zichzelf niet betwist - zijn de wegens deze schulden door de schuldeisers gevorderde kosten en rente gedurende de periode van schuldhulp opgelopen. Dat enkele feit is evenwel onvoldoende om aan te nemen dat de Kredietbank de overeenkomst tot schuldregeling en/of budgetbeheer niet deugdelijk is nagekomen. Ten aanzien van de overeenkomst tot budgetbeheer geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze schulden in het “budgetplan” zijn opgenomen. Het betrof hier ook geen “vaste lasten” in de normale zin van het woord, maar afbetalingsregelingen. Niet valt dan ook in te zien dat de Kredietbank voor aflossing van deze schulden diende zorg te dragen op grond van de overeenkomst tot budgetbeheer, zo daartoe al financiële ruimte bestond. In zoverre is van wanprestatie dan ook geen sprake.

2.7.3 Op grond van de overeenkomst tot schuldregeling rustte op de Kredietbank wel de verplichting om zich in te spannen om, met medewerking van [eisers], een regeling met de schuldeisers tot stand te brengen. Beoordeeld dient derhalve te worden of de Kredietbank zich daartoe voldoende heeft ingespannen. [eisers] hebben de Kredietbank in dit kader verweten dat zij niet alle schuldeisers (tijdig) heeft meegedeeld dat een schuldhulpverleningstraject was gestart. Daardoor hebben bepaalde schuldeisers hun incasso voortgezet, aldus [eisers], waardoor de schulden zijn opgelopen. De Kredietbank heeft gemotiveerd betwist dat zij zich op dit punt onvoldoende heeft ingespannen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de Kredietbank een groot aantal brieven overgelegd d.d. 29 september 2008 gericht aan de schuldeisers van [eisers] Bij deze brieven heeft de Kredietbank meegedeeld dat een schuldregelingsovereenkomst is gesloten met [eisers] en worden de schuldeisers verzocht opgave te doen van hun vordering en eventuele invorderingsmaatregelen op te schorten. Een dergelijke brief heeft de Kredietbank ook aan WBR, [Y] Deurwaarders, Intrum Justitia en de IB-Groep gestuurd. Bij gebreke van andersluidende stellingen neemt de rechtbank aan dat deze brieven zijn verstuurd met het oog op de in deze paragraaf bedoelde schulden. [eisers] hebben in het licht hiervan hun stelling dat niet alle schuldeisers zijn geïnformeerd c.q. de Kredietbank zich onvoldoende heeft ingespannen voor een regeling onvoldoende onderbouwd. Uit de door de Kredietbank in het geding gebrachte stukken (productie 17 tot en met 19 conclusie van antwoord) volgt voorts dat de Kredietbank in april 2008 ook reeds een aantal schuldeisers heeft benaderd met het verzoek om de invordering van hun vordering op te schorten, onder meer vanwege een dreigende ontruiming en een ten laste van [eiser 2] gelegd loonbeslag. [eisers] hebben dat niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de Kredietbank de schulden van [eisers] heeft geïnventariseerd en contact heeft opgenomen met de haar bekende schuldeisers met het oog op een eventueel te treffen regeling. Hiermee heeft de Kredietbank zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende van haar uit de overeenkomst tot schuldregeling voortvloeiende inspanningsverplichting gekweten. De omstandigheid dat bepaalde deurwaarders hun incassomaatregelen na de mededeling van de Kredietbank dat een schuldregelingstraject was gestart desalniettemin hebben voortgezet, maakt dat niet anders. De Kredietbank heeft terecht opgemerkt dat schuldeisers niet verplicht zijn om in afwachting van een mogelijke schuldregeling hun invorderingsmaatregelen op te schorten. De deelname aan een buitengerechtelijke schuldregeling is immers vrijwillig en kan niet door de Kredietbank worden afgedwongen. Om die reden kan de Kredietbank dan ook niet zonder meer worden verweten dat het uiteindelijk niet tot een schuldregeling is gekomen. Bovendien volgt uit de door de Kredietbank overgelegde stukken (onder meer productie 46 tot en met 49) dat het inkomen van [eisers] relatief laag en bovendien niet stabiel was. De mogelijkheden tot het treffen van een regeling waren dan ook beperkt.

2.7.4 Nu niet is gebleken dat de Kredietbank op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot schuldregeling, is zij niet schadeplichtig jegens [eisers] Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten en rente door de Kredietbank is dan ook geen plaats.

2.8 Tuinhuis

[eisers] hebben gesteld dat zij voor aanvang van de schuldhulp een huurschuld hadden wegens een door hen gehuurd tuinhuisje. Voor deze schuld hadden [eisers] reeds een regeling, maar de Kredietbank heeft die regeling niet voortgezet, aldus [eisers] Daardoor is het tot verkoop van de inboedel gekomen, hetgeen volgens [eisers] tot schade heeft geleid tot een bedrag van € 3.144,27. De Kredietbank heeft dat betwist.

De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat [eisers] deze schuld en de getroffen regeling hebben gemeld bij de Kredietbank in het kader van het budgetbeheer. Niet vast staat dan ook dat de Kredietbank daarvan op de hoogte was. Daarmee staat voorts niet vast dat de Kredietbank kan worden verweten dat de regeling niet is nagekomen. Voor schadevergoeding is reeds om die reden geen plaats. Daarnaast geldt dat [eisers] het gestelde schadebedrag niet hebben onderbouwd met stukken, ondanks de ter comparitie van partijen uitdrukkelijk gegeven instructie daartoe (zie proces-verbaal van die comparitie van partijen). De door [eisers] overgelegde stukken onderbouwen de schade niet. De stellingen van [eisers] terzake het schadebedrag zijn bovendien niet concludent. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom de verkoopopbrengst van de inboedel, na aftrek van de hier bedoelde huurschuld, schade betreft. De inboedel had wellicht behouden kunnen worden, maar dan had de huurschuld op andere wijze ingelost moeten worden. Of de verkoopopbrengst de reële waarde weerspiegelt is in het geheel niet onderbouwd.

2.9 ABN AMRO

[eisers] hebben brieven overgelegd waaruit volgt dat ABN AMRO hen in het eerste kwartaal van 2009 heeft verzocht een negatief saldo op hun bankrekening aan te zuiveren. Omdat de debetstand niet is aangezuiverd, is een deurwaarder (Solveon) ingeschakeld door ABN AMRO, hetgeen kosten met zich meebracht voor [eisers] De Kredietbank heeft betwist dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade.

De rechtbank overweegt dat [eisers] niet hebben onderbouwd op welke grond de Kredietbank aansprakelijk is voor deze tijdens het budgetbeheer ontstane schuld en/of de kosten die [eisers] vanwege het niet inlossen daarvan verschuldigd zijn geworden. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] de Kredietbank hebben verzocht om betaling van ABN AMRO, zo daartoe al financiële ruimte bestond. Evenmin is gebleken dat [eisers] de Kredietbank hebben verzocht deze schuld mee te nemen in de schuldregeling. Reeds om die laatste reden is de Kredietbank terzake niet schadeplichtig.

2.10 Hoogheemraadschap

[eisers] hebben gesteld dat de aanslag van het Hoogheemraadschap voor waterschapsbelastingen over het jaar 2008 niet tijdig is betaald en dat terzake evenmin een regeling is getroffen, waardoor invorderingskosten bij [eisers] in rekening worden gebracht. Deze invorderingskosten ad € 64,- merken [eisers] aan als schade. De Kredietbank heeft betwist dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade.

De rechtbank overweegt dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat de Kredietbank een verwijt treft van het onbetaald blijven van de vordering van het Hoogheemraadschap. De omstandigheid dat een tijdens het budgetbeheer verschuldigd gebleken bedrag niet is voldaan en terzake evenmin een regeling is getroffen, betekent nog niet dat de Kredietbank tekort is geschoten in haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst tot budgetbeheer en/of schuldregeling. Zoals onder 2.6 reeds is overwogen vloeiden uit de overeenkomsten ook verplichtingen voor [eisers] voort, waaronder het compleet en deugdelijk informeren van de Kredietbank over hun schulden en financiële verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] de Kredietbank op de hoogte hebben gesteld van de vordering van het Hoogheemraadschap. Weliswaar gaat het hier om een uit de wet voortvloeiende jaarlijkse verplichting, maar blijkens het door [eisers] zelf overgelegde stuk had die schuld al op 26 februari 2008, dus voor aanvang van het budgetbeheer, voldaan moeten zijn. Dat dit bedrag nog openstond hadden [eisers] moeten melden. Bij gebreke daarvan kan de Kredietbank niet worden verweten dat de onderhavige schuld niet is voldaan. Van een schadevergoedingsplicht terzake is dus geen sprake.

2.11 Eneco

Naast de hiervoor besproken schadeposten hebben [eisers] gesteld dat zij schade hebben geleden tot een bedrag van circa € 1.500,- doordat de Kredietbank bepaalde vorderingen te laat en niet juist heeft voldaan. [eisers] verwijzen in dit verband naar de bij faxbericht van 25 januari 2012 overgelegde “schadestatus”. In deze schadestatus hebben [eisers] gesteld dat het Zilveren Kruis, PWS en Eneco niet tijdig en niet juist zijn betaald. Voor wat betreft het Zilveren Kruis en PWS verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen, waaruit volgt dat voor schadevergoeding geen plaats is. Ten aanzien van de voorschotnota’s van Eneco heeft de Kredietbank ter comparitie erkend dat deze twee keer niet op tijd zijn voldaan door haar, waardoor volgens haar een bedrag van

€ 30,- aan kosten in rekening is gebracht door Eneco bij [eisers] De rechtbank overweegt dat de Kredietbank op grond van de overeenkomst tot budgetbeheer gehouden was de opgegeven vaste lasten tijdig en correct te voldoen, voor zover het inkomen van [eisers] dat toeliet. Gesteld noch gebleken is dat het van [eisers] ontvangen inkomen in de weg stond aan tijdige betaling van Eneco. Bij gebreke van een andere deugdelijke grond voor het te laat betalen van Eneco, moet dat de Kredietbank worden aangerekend. De schade, die kennelijk € 30,- bedraagt - [eisers] hebben dat niet betwist - dient dan ook door de Kredietbank te worden vergoed. De hoogte van deze schade kan bij dit vonnis worden vastgesteld. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is daarom geen plaats. Toegewezen zal worden een bedrag van € 30,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 september 2009, nu aangenomen moet worden dat het hier bedoelde bedrag in ieder geval op 1 september 2009 verschuldigd was door [eisers] Immers, de hier bedoelde kosten zijn door Eneco in rekening gebracht tijdens het budgetbeheer door de Kredietbank, terwijl het budgetbeheer omstreeks 1 september 2009 feitelijk is beëindigd door de Kredietbank.

2.12 SoZaWe

Voorts hebben [eisers] de Kredietbank verweten dat zij bepaalde schuldeisers hebben laten prevaleren boven andere. Zo heeft de Kredietbank een vordering van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) ad € 996,34 volledig voldaan, terwijl andere schuldeisers geen betaling hebben ontvangen en met incassomaatregelen dreigden, aldus [eisers] De verklaring van de Kredietbank hiervoor is dat de schuld aan SoZaWe, die volgens de Kredietbank het gevolg is van door [eisers] gepleegde fraude, een contra-indicatie voor schuldregeling vormde en om die reden zo snel mogelijk diende te worden voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de Kredietbank voor het met voorrang boven alle andere schulden, volledig voldoen van de vordering van één specifieke, nauw aan de Kredietbank gelieerde overheidsinstelling onvoldoende. Relevant bij dat oordeel is dat uit artikel 4.3 van de (toelichting op de) Gedragscode schuldregeling (productie 57 conclusie van antwoord) volgt dat het uitgangspunt bij de schuldregeling is de gelijkberechtiging van alle schuldeisers. Uit de Gedragscode volgt niet dat bepaalde vorderingen, vanwege een contra-indicatie, met voorrang mogen worden voldaan. Mogelijk staat een schuld als hier aan de orde (aan het SoZaWe verband houdend met door de schuldenaar kennelijk gepleegde fraude) in de weg aan schuldregeling, maar dat rechtvaardigt niet zonder meer de integrale betaling daarvan. Het had op de weg van de Kredietbank gelegen om deze kwestie met [eisers] te bespreken alvorens tot betaling over te gaan. Dat geldt zeker nu sprake is van een ongerechtvaardigd gebleken onderscheid tussen de schuldeisers. Ook volgens de eigen stellingen van de Kredietbank was immers sprake van nog een schuld met een contra-indicatie, te weten de schuld aan het CJIB. [eisers] hebben aangevoerd dat zij een groot belang hadden bij de aflossing van deze schuld omdat [eiser 1] bij het uitblijven van betaling zijn rijbewijs dreigde te verliezen en hij van dat rijbewijs afhankelijk was voor zijn inkomen. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener had dit besproken met de klant en de klant tenminste deugdelijk geïnformeerd maar in beginsel ook laten meebeslissen over de wijze waarop met deze schulden in het kader van de schuldregeling zou worden omgegaan. Dit geldt temeer nu het de Kredietbank als professioneel schuldhulpverlener in een vroeg stadium duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het waarschijnlijk in het geheel niet tot schuldregeling zou komen vanwege de beperkte inkomsten van [eisers] In die wetenschap hadden [eisers] het door de Kredietbank aan SoZaWe betaalde bedrag mogelijk (mede) voor de aflossing van (een) andere schuld(en) willen inzetten dan wel andere afwegingen willen maken (bijvoorbeeld ten aanzien van de reserves en de kennelijk buiten de budgethulpverlening gebleven andere inkomsten). Gesteld noch gebleken is dat de Kredietbank [eisers] deugdelijk heeft geïnformeerd. De Kredietbank heeft hiermee niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener gehandeld. Onduidelijk is evenwel of [eisers] door deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tot schuldregeling schade hebben geleden. [eisers] hebben niet onderbouwd waaruit hun eventuele schade terzake bestaat. Zij hebben bij gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat zij de vordering van het CJIB uiteindelijk zelf hebben betaald.

2.13 Communicatie

2.13.1 [eisers] verwijten de Kredietbank tevens dat zeer gebrekkig met hen is gecommuniceerd over de (voortgang van de) schuldhulpverlening. De Kredietbank heeft dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. Relevant voor dat oordeel is dat de Kredietbank heeft erkend dat pas in maart 2009 voor het eerst een overzicht is verstrekt aan [eisers] van de door haar namens [eisers] verrichte betalingen. Dit terwijl de Kredietbank met ingang van (in ieder geval) juli 2008 de inkomsten van [eisers] heeft beheerd. De Kredietbank heeft hiervoor geen geldige reden gegeven. De omstandigheid dat de Kredietbank haar technische systeem niet op orde had en daardoor niet eerder betalingsoverzichten kon verstrekken aan [eisers], komt voor rekening en risico van de Kredietbank. Hiermee heeft de Kredietbank een essentiële, uit de schuldregelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting verzaakt. Door het niet verschaffen van deze informatie is [eisers] immers het zicht op hun financiën en de wijze waarop hun inkomsten werden besteed gedurende lange tijd ontnomen.

2.13.2 Voorts heeft de Kredietbank naar het oordeel van de rechtbank de uitvoering van het budgetbeheer en de schuldhulp onvoldoende op elkaar afgestemd. Vast staat dat de Kredietbank in afwachting van een mogelijke schuldregeling een reserve heeft aangehouden van circa € 3.000,- à € 5.000,-. Dat is een relatief hoog bedrag, terwijl het voor de Kredietbank, zoals hiervoor reeds is overwogen, vrij snel duidelijk heeft moeten zijn dat schuldregeling vermoedelijk niet mogelijk zou zijn vanwege het beperkte inkomen van [eisers] Het aanhouden van een reserve tot het hier genoemde bedrag was dan ook redelijkerwijs niet in het belang van [eisers] en hun gezamenlijke schuldeisers te achten. Ter comparitie heeft de Kredietbank ook erkend dat het oog op schadebeperking eventueel wel wat betaald had kunnen worden uit het reservebedrag, maar dat niet is gebeurd. Het afstemmen van budgetbeheer en schuldregeling mocht [eisers] redelijkerwijs verwachten. Gebreken daarin (van organisatorische, administratieve of technische aard) komen voor risico van de Kredietbank. Zij kan die niet aan [eisers] tegenwerpen. De rechtbank oordeelt dat de Kredietbank in zoverre niet heeft gehandeld zoals van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener mocht worden verwacht.

2.13.4 Vast staat voorts dat het tot september 2009 heeft geduurd voordat [eisers] weer over hun inkomen konden beschikken, hoewel de overeenkomst tot budgetbeheer in ieder geval begin juli 2009 was beëindigd; volgens [eisers] dateert de beëindiging zelfs van eind maart 2009. Ook daarmee heeft de Kredietbank niet de zorgvuldigheid betracht die van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener mocht worden verwacht. Aannemelijk is dat [eisers] door de hiervoor bedoelde tekortkomingen van de Kredietbank zekere schade hebben geleden. In zoverre zullen de vorderingen dan ook worden toegewezen.

2.13.5 Tenslotte treft de Kredietbank een verwijt van de gebrekkige communicatie rond de mededeling van mevrouw [eisers] in maart 2009 dat [eise[eisers] uit de woning was vertrokken. De Kredietbank heeft niet onderbouwd dat of waarom zij hieruit in redelijkheid mocht begrijpen dat [eiser 1] de woning voorgoed had verlaten en de samenwoning met [eiser 2] definitief had beëindigd. Daarbij is meegewogen dat uit de opstelling van [eisers] duidelijk moet zijn geweest, dat [eisers] meende dat nog steeds sprake was van gezinsverband en dat [eisers] verwachtte dat ook nota’s van meneer [eisers] betaald zouden worden. De Kredietbank heeft ook nooit aan [eisers] nadere informatie gevraagd over of schriftelijke bevestiging van de door haar veronderstelde “scheiding”. Door daar toch van uit te gaan heeft de Kredietbank voor onnodige onduidelijkheid bij [eisers] gezorgd over de voortzetting van de schuldhulp, terwijl het gehele traject van de schuldhulp toch al erg onoverzichtelijk en ondoorzichtig verliep. Dat moet de Kredietbank worden toerekend.

2.13.6 Voldoende aannemelijk geworden is dat [eisers] door de hiervoor onder 2.12 en 2.13.1 tot en met 2.13.5 bedoelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomsten tot budgetbeheer en schuldregeling schade heeft geleden. De rechtbank begroot deze schade op basis van de thans beschikbare stukken op tenminste € 3.000,- die voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat dan om de gevolgen van het uitblijven van het schadebeperkend handelen, in het bijzonder het niet tijdig en goed informeren, het te lang aanhouden van een te hoog reserveringsbedrag en het te laat vrijgeven daarvan. Dat bedrag zal bij dit vonnis worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 september 2009, met ingang van welk moment de schade geacht wordt te zijn geleden door [eisers]

Dat meer schade is geleden is aannemelijk, doch de vaststelling daarvan zal nader debat en vermoedelijk bewijslevering vergen. De rechtbank zal de zaak daarom in zoverre naar de schadestaat verwijzen en geeft partijen in overweging daaromtrent in overleg te treden. Dat betekent dat de vordering van [eisers] tot het bepalen dat de Kredietbank jegens hen aansprakelijk is en tot veroordeling van de Kredietbank in de als gevolg daarvan door [eisers] geleden schade op te maken bij staat toewijsbaar is, en wel op de wijze als in het dictum weergegeven.

2.14 De Kredietbank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- in debet gestelde explootkosten € 87,93

- salaris advocaat € 1.582,00

- griffierecht € 70,00

Totaal € 1.739,93

Aangezien aan [eiser 1] een toevoeging is verleend dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Rotterdam.

2.15 Mitsdien wordt als volgt beslist.

3. De beslissing

De rechtbank,

3.1 veroordeelt de Kredietbank tot betaling van € 3.030,- (zegge: drieduizend en dertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2009;

3.2 verklaart voor recht dat de Kredietbank aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden dan wel nog te lijden schade als gevolg van de onder 2.13 bedoelde tekortkomingen van de Kredietbank in de nakoming van de overeenkomsten tot budgetbeheer c.q. schuldregeling;

3.3 veroordeelt de Kredietbank tot vergoeding van de schade aan [eisers] als bedoeld onder 3.2 van deze beslissing, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, waarin begrepen de wettelijke rente over het schadebedrag, voor zover deze schade het onder 3.1 van deze beslissing toegewezen bedrag overschrijdt;

3.4 veroordeelt de Kredietbank in de aan de zijde van [eisers] gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.739,93, waarvan een bedrag van € 87,93 te voldoen aan de griffier van deze rechtbank (bankrekeningnummer 56.99.90.688 ten name van MvJ arrondissement Rotterdam [545], onder vermelding van het zaak- en rolnummer);

3.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2012.

1861/106/801