Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY2868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
AWB 12/406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vragen of de kosten van het door eiser in bezwaar overgelegde taxatierapport voor vergoeding in aanmerking komen en (bij bevestigende beantwoording van voorgaande vraag) tot welk bedrag de kosten voor het taxatierapport voor vergoeding in aanmerking komen. Met betrekking tot de vraag of de taxateur voldoende objectief is stelt de Rb. vast dat de taxatie WOZ-conform is verricht en de waarde van de onroerende zaak is verlaagd tot het bedrag dat in het door de taxateur opgemaakte taxatierapport is genoemd. Ook overigens biedt de inhoud van het taxatierapport geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de objectiviteit van de taxateur. Verweerder heeft voorts gewezen op de verwevenheid van de gemachtigde en de taxateur en betoogd dat het daaruit voortvloeiende gezamenlijke belang dat dezen hebben bij de uitkomst van het geschil, de schijn van partijdigheid van de taxateur oproept. De Rb. volgt verweerder hierin niet. Niet valt in te zien hoe een eventuele verwevenheid tussen de taxateur en de gemachtigde mee zou kunnen brengen dat de taxateur ten opzichte van eiser zijn taak niet onpartijdig zou kunnen uitoefenen (onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juli 2012, LJN: BX0729 en Gerechtshof Amsterdam 12 april 2012, LJN: BW3726). De stelling van verweerder, dat de taxateur en de gemachtigde voor hetzelfde concern werkzaam zijn geweest, stuit op het voorgaande af.

Verweerder meent dat voor vergoeding van de taxatiekosten geen plaats is, omdat niet is voldaan aan het uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb.) dat aantoonbaar en daadwerkelijk taxatiekosten in rekening zijn gebracht en dat de taxatiekosten niet op eiser drukken. De Rb. is van mening dat eiser en zijn gemachtigde zijn overeengekomen dat aan eiser taxatiekosten worden berekend tot het beloop van de door de taxateur gefactureerde kosten, met dien verstande dat eiser, bij een succesvol verloop van de procedure, slechts is gehouden tot betaling van de aan hem in rechte toegekende proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde. Deze afspraak is voldoende concreet en rechtvaardigt niet de conclusie dat geen sprake is van aantoonbaar en daadwerkelijk in rekening gebrachte taxatiekosten. Met betrekking tot de vraag tot welk bedrag deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zoekt de Rb. aansluiting bij hetgeen dienaangaande is overwogen door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juli 2012, LJN: BX0904.

De werkzaamheden van een taxateur zijn in het algemeen niet wetenschappelijk van aard, maar behoren wel te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van art. 6 van het Bts 2003. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Met de mate van deskundigheid van de taxateur, het in rekening gebrachte tarief of het in de markt gangbare tarief wordt geen rekening gehouden. De Rb. stelt het in aanmerking te nemen tarief vast op € 50 per uur (exclusief omzetbelasting).

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2442
VNT 2013/11t.7
V-N 2013/11.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/406

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

gemachtigde A. Oosters,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. M.C. Groeneveld.

Procesverloop

Verweerder heeft in één aanslagbiljet, gedagtekend 18 maart 2011, verenigd een beschikking op grond van de Wet WOZ, waarin de waarde van de onroerende zaak [adres] (onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2010 is vastgesteld op

€ 235.000,--, een naar deze heffingsmaatstaf berekende aanslag in de onroerende-zaakbelastingen en een aanslag in de rioolheffing (2011).

Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder - voor zover hier van belang -

€ 218,-- toegekend voor de door eiser gemaakte kosten van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Eiser heeft bij brief van 27 januari 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Aanwezig was namens eiser [...] alsmede de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. B.J. Klein, mr. S. van der Vlegel en mr. M. Kintou.

Overwegingen

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1) komen de kosten van het door eiser in bezwaar overgelegde taxatierapport voor vergoeding in aanmerking?

2) (bij bevestigende beantwoording van voorgaande vraag:) tot welk bedrag komen de kosten voor het taxatierapport voor vergoeding in aanmerking?

De onafhankelijkheid van de taxateur

1. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven niet de deskundigheid van de door eiser ingeschakelde taxateur te betwisten en evenmin te betwisten dat deze over de noodzakelijke diploma’s en/of certificaten beschikt. Toch is er volgens verweerder geen sprake van een deskundige. Artikel 8:34 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hier volgens hem leidend, zodat de deskundige is verplicht zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen. De door eiser ingeschakelde taxateur kan volgens verweerder niet worden gekenschetst als onafhankelijk.

2. De verwijzing door verweerder naar artikel 8:34 van de Awb kan hem niet baten. Deze bepaling ziet uitsluitend op deskundigen die door de rechtbank worden benoemd en is niet van toepassing op door partijen zelf (op grond van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb) opgeroepen of meegebrachte deskundigen, waarvan hier sprake is. De rechtbank ziet geen aanleiding de in de jurisprudentie van de Rechtbank Dordrecht tot uitdrukking komende lijn te volgen, welke lijn afwijkt van de heersende opvatting (o.a. Gerechtshof Arnhem 11 april 2012, LJN: BW4248 en Gerechtshof Amsterdam 17 november 2011, LJN: BV0077).

3. Met betrekking tot de vraag of de taxateur voldoende objectief is stelt de rechtbank vast dat de taxatie WOZ-conform is verricht en de waarde van de onroerende zaak is verlaagd tot het bedrag dat in het door de taxateur opgemaakte taxatierapport is genoemd. Ook overigens biedt de inhoud van het taxatierapport geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de objectiviteit van de taxateur.

4. Verweerder heeft voorts gewezen op de verwevenheid van de gemachtigde en de taxateur en betoogd dat het daaruit voortvloeiende gezamenlijke belang dat dezen hebben bij de uitkomst van het geschil, de schijn van partijdigheid van de taxateur oproept. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Niet valt in te zien hoe een eventuele verwevenheid tussen de taxateur en de gemachtigde mee zou kunnen brengen dat de taxateur ten opzichte van eiser zijn taak niet onpartijdig zou kunnen uitoefenen (onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juli 2012, LJN: BX0729 en Gerechtshof Amsterdam 12 april 2012, LJN: BW3726). De stelling van verweerder, dat de taxateur en de gemachtigde voor hetzelfde concern werkzaam zijn geweest, stuit op het voorgaande af.

5. Verweerder heeft daarnaast ter zitting gesteld dat de taxateur per definitie een lagere waarde verdedigt dan de door verweerder vastgestelde. Deze stelling wordt verworpen omdat zij in beroep nu eenmaal per definitie op gaat. Het staat een partij bovendien vrij ter ondersteuning van zijn standpunt aan te voeren al hetgeen hij dienstig acht. De rechtbank vermag niet in te zien, dat het taxatierapport van een gemeentelijke taxateur meer objectief is dan dat van een door eiser ingeschakelde taxateur. Het taxatierapport van een gemeentelijke taxateur is een door een werknemer of een opdrachtnemer van verweerder opgestelde (nadere) onderbouwing van de door verweerder vastgestelde waarde, evenals een in opdracht van eiser opgemaakt taxatierapport een nadere onderbouwing van eisers standpunt is.

Aantoonbare en daadwerkelijk gemaakte kosten

6. Verweerder heeft betoogd dat voor vergoeding van de taxatiekosten geen plaats is, omdat niet is voldaan aan het uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb.) dat aantoonbaar en daadwerkelijk taxatiekosten in rekening zijn gebracht. De aan eiser in rekening te brengen taxatiekosten worden namelijk, al dan niet met een creditfactuur, aangepast aan het bedrag dat uiteindelijk in rechte als vergoeding wordt toegekend. In dat geval is er geen sprake van een op eiser rustende bepaalbare betalingsverplichting ter zake van de kosten van de deskundige. Niet duidelijk is immers welk bedrag eiser uiteindelijk ter zake van het uitbrengen van het rapport zal moeten betalen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2012 (LJN: BW3801).

7. De rechtbank kan verweerder - en het Gerechtshof - hierin niet volgen. Een redelijke uitleg van de tussen eiser en zijn gemachtigde gesloten overeenkomst leidt tot het oordeel dat zij zijn overeengekomen dat aan eiser taxatiekosten worden berekend tot het beloop van de door de taxateur gefactureerde kosten, met dien verstande dat eiser, bij een succesvol verloop van de procedure, slechts is gehouden tot betaling van de aan hem in rechte toegekende proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde zodat derhalve de gemachtigde, althans de taxateur, het financiële risico draagt dat in rechte slechts een gedeeltelijke vergoeding van die gefactureerde kosten wordt toegekend. Deze afspraak is voldoende concreet en rechtvaardigt niet de conclusie dat geen sprake is van aantoonbaar en daadwerkelijk in rekening gebrachte taxatiekosten.

De stelling van verweerder dat de taxatiekosten niet op eiser drukken, wordt evenmin gevolgd. Op eiser rust immers de verplichting tot betaling van de aan hem in rechte toegekende proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde. Dat eiser daarnaast niet tevens in eigen beurs hoeft te tasten ter voldoening van kosten van zijn gemachtigde of de taxateur, doet aan deze verplichting niet af. Voor zover verweerder betoogt dat door de gemaakte circulaire afspraken (hetgeen per saldo aan taxatiekosten verschuldigd is, hangt af van de in rechte toegekende vergoeding, terwijl deze laatste weer afhangt van hetgeen aan taxatiekosten verschuldigd is) geen bedrag aan kosten kan worden bepaald, berust op een al te letterlijke lezing van de gemaakte afspraken, terwijl overigens bij een dergelijke lezing, integendeel, elk bedrag met juistheid kan worden bepaald.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de kosten van het door eiser in bezwaar overgelegde taxatierapport voor vergoeding in aanmerking komen.

9. Met betrekking tot de vraag tot welk bedrag deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen dienaangaande is overwogen door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juli 2012, LJN: BX0904.

10. In een geval als het onderhavige wordt de vergoeding volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en letter b, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en letter b, van het Bpb vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts 2003). Daarmee geldt een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn. In artikel 15 van het Bts is bepaald dat deze bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

11. In een geval als het onderhavige, waarin op verzoek van eiser een taxatierapport door een deskundige is opgesteld in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure over de waardering van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ, moet worden vooropgesteld dat de werkzaamheden van de taxateur in het algemeen niet wetenschappelijk van aard zijn. De stukken van het geding bieden geen aanwijzingen voor het tegendeel.

12. Wel behoren de werkzaamheden van de taxateur te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Bts 2003. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is.

13. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de desbetreffende regeling in het Bts 2003 moet worden aanvaard dat ter bepaling van de mate waarin de werkzaamheden van een taxateur van bijzondere aard zijn uitsluitend de aard van de onroerende zaak als maatstaf in aanmerking wordt genomen en dat geen rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur.

14. Volgens het samenstel van de hiervoor vermelde bepalingen is niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden, die, zoals hiervoor is overwogen, wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het staat de rechtbank vrij zelf een tarief vast te stellen voor de vergoeding van de kosten van het taxatierapport. De rechtbank is daarbij niet gehouden slechts marginaal te toetsen of de nota van de deskundige in redelijkheid tot die omvang had kunnen komen.

15. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de aard van het getaxeerde object - een tussenwoning van het bouwjaar 1912 -,stelt de rechtbank het in aanmerking te nemen tarief vast op € 50,-- per uur (exclusief omzetbelasting).

16. De rechtbank acht het aannemelijk en redelijk dat voor het taxeren van een onroerende zaak als onderhavige, het opvragen van de benodigde informatie en het opstellen van het taxatierapport, vier uren benodigd zijn, zoals ter zitting door eiser gespecificeerd. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, geen reden de reistijd van 1 uur ten behoeve van de opname ter plaatse door de taxateur buiten aanmerking te laten bij het bepalen van het aantal uren waarvoor een vergoeding kan worden toegekend (in dezelfde zin: Gerechtshof Amsterdam 9 februari 2012, LJN: BV6313). Op grond van het bepaalde in het Bts 2003 bedraagt de vergoeding voor de kosten van het taxatierapport dus € 200,-- (4 x € 50,--), te vermeerderen met de omzetbelasting overeenkomstig artikel 15 van het Bts 2003, derhalve totaal € 200,-- x 1,19 is € 238,--.

17. Verweerder heeft in beroep erkend dat in de uitspraak op het bezwaar ten onrechte geen punt voor het verschijnen ter hoorzitting is toegekend, zodat verweerder hierna alsnog wordt veroordeeld tot het vergoeden daarvan (derhalve in bezwaar totaal 2 punten à

€ 218,--).

18. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en dat de uitspraken op bezwaar wat betreft de daarin opgenomen kostenvergoeding vernietigd dienen te worden.

19. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, gevallen aan de zijde van eiser en vastgesteld op (2 punten à € 437,-- x 1 voor gewicht)

€ 874,-- aan kosten van door een derde in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het gewicht van de zaak volgt reeds uit de omvang van het debat van partijen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, wat betreft de daarin opgenomen kostenvergoeding,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.584,--,

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,-- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Franken, voorzitter, mr. dr. P.G.J. van den Berg en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. F.R. Lader, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).