Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY1820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
1251193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering m.b.t. tot overeenkomst tot verrichten juridische werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: gerechtsdeurwaarders H.P.A. van Beest,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

• het exploot van dagvaarding van 14 juni 2011, met producties;

• de conclusie van antwoord;

• het tussenvonnis van 9 september 2011 waarin de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast;

• de voorafgaand aan de comparitie van partijen door [eiseres] in het geding gebrachte stukken;

• het proces-verbaal van de op 4 oktober 2011 gehouden comparitie van partijen

• de conclusie van repliek, met producties;

• de conclusie van dupliek, met producties.

1.2 De uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1 Op 15 januari 2008 is tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen.

2.2 Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing.

2.3 [eiseres] heeft [gedaagde] juridische bijstand verleend in een procedure bij de sector civiel recht van de Rechtbank Rotterdam inzake [X] B.V. en [gedaagde].

2.4 [eiseres] heeft [gedaagde] de volgende facturen verzonden:

- 7 mei 2010, € 487,92;

- 2 juni 2010, € 1.341,75;

- 2 juli 2010, € 609,90;

- 3 augustus 2010, € 121,98;

- 3 september 2010, € 40,66;

- 3 november 2010, € 40,66;

- 16 november 2010, € 887,15;

- 7 december 2010, € 203,29.

2.5 [gedaagde] heeft de onder 2.4 genoemde facturen onbetaald gelaten.

3. De vordering

3.1 [eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 3.733,31 aan hoofdsom, € 450,00 aan buitengerechtelijke kosten en € 143,30 aan verschenen rente.

3.2 Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] de kosten terzake van de door [eiseres] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] verrichte juridische werkzaamheden in de onder 2.3 genoemde procedure onbetaald heeft gelaten.

3.3 De onder 2.4 genoemde facturen hebben betrekking op de door [eiseres] verrichte juridische werkzaamheden. [gedaagde] heeft, ondanks herhaalde aanmaning daartoe, de facturen onbetaald gelaten.

3.4 Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij [eiseres] geen opdracht heeft gegeven om voor zijn rekening juridische werkzaamheden te verrichten, is [gedaagde] onterecht en ongerechtvaardigd verrijkt door de prestatie van [eiseres].

4. Het verweer

4.1 [gedaagde] heeft de vordering van [eiseres] betwist. [gedaagde] heeft aangevoerd dat, hoewel het klopt dat er tussen partijen en overeenkomst is gesloten op 15 januari 2008, hij [eiseres] geen concrete opdracht heeft gegeven om de gedeclareerde juridische werkzaamheden voor hem te verrichten.

4.2 Op 4 maart 2010 heeft [gedaagde] [eiseres] per email te kennen gegeven dat werkzaamheden pas verricht mogen worden na een concrete opdracht van [gedaagde].

[eiseres] heeft hierop gereageerd bij email van 20 april 2010, waarmee zij te kennen heeft gegeven dat zij vanaf 4 maart 2010 volgens deze afspraak zal handelen.

4.3 Alle werkzaamheden die [eiseres] heeft verricht in de periode vanaf 4 maart 2010 moeten getoetst worden aan de onder 4.2 genoemde afspraak.

4.4 [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] onvoldoende inzage heeft gegeven in de gedeclareerde uren/verrichtte werkzaamheden over de periode 4 maart 2010 tot en met 21 december 2010.

4.5 [gedaagde] ontkent dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. [eiseres] is verwijtbaar dat zij gedurende de procedure op cruciale momenten haar werkzaamheden heeft verzaakt en niet heeft uitgevoerd.

5. De beoordeling van de vordering

5.1 Tussen partijen is in geschil of de door [eiseres] verrichte en gedeclareerde juridische werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [gedaagde] zijn verricht, danwel dat [gedaagde] daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt en of [gedaagde] zodoende hiervoor betaling, respectievelijk vergoeding, verschuldigd is.

5.2 [eiseres] heeft aan haar vordering het contract en de daarin gemaakte afspraken zoals partijen die zijn overeengekomen op 15 januari 2008 ten grondslag gelegd. Vast staat dat partijen onder meer zijn overeengekomen dat [eiseres], in opdracht en voor rekening van [gedaagde], juridische werkzaamheden zou verrichten. Dit is immers door [eiseres] gesteld en tevens onderbouwd aan de hand van de opdrachtbevestiging van 15 januari 2008, en door [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Verder blijkt uit de stellingen van beide partijen ook dat [eiseres] juridische werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten dan wel heeft verricht in een procedure ([X] B.V. tegen [gedaagde]) bij de sector civiel recht van de Rechtbank Rotterdam.

5.3 [gedaagde] heeft aangevoerd dat partijen, naast hetgeen is opgenomen in de opdrachtbevestiging van 15 januari 2009, zijn overeengekomen dat [eiseres] slechts juridische werkzaamheden zou verrichten na uitdrukkelijke instructie van [gedaagde] daartoe. Dit betreft een van de schriftelijke overeenkomst afwijkende afspraak, nu hierin niet is opgenomen dat [eiseres], voordat zij enig juridisch werk verricht voor [gedaagde], steeds vooraf en afzonderlijk fiat van [gedaagde] diende te verkrijgen.

5.4 Op [gedaagde] rust, als gevolg van de hoofdregel van artikel 150 Rv, de bewijslast van zijn stelling dat hij met [eiseres] – in afwijking van de schriftelijke overeenkomst – is overeengekomen dat zij enkel werkzaamheden mocht verrichten na een concrete opdracht van [gedaagde]. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer op dit punt diverse e-mails tussen hem en [eiseres] in het geding gebracht. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij [eiseres] per e-mail van 4 maart 2010 heeft verzocht om hem steeds toestemming te vragen voorafgaand aan het opstellen van conclusies/aktes. [gedaagde] heeft echter nagelaten een kopie van deze e-mail in het geding te brengen, zodat de kantonrechter de inhoud van dit stuk niet kan verifiëren. Niettemin zijn de reacties van [eiseres] van 25 maart, 9 april en 20 april 2010 overgelegd.

In haar brief van 25 maart 2010 schrijft [eiseres] onder meer:

“(..) In bovengenoemde aangelegenheid bericht ik u dat de rechtbank Rotterdam de zaak heeft verwezen naar 21 april 2010, waarbij er door u een antwoordakte na tussenvonnis dient te worden genomen. Aangezien u meerdere malen een probleem heeft gemaakt van door mij verrichte werkzaamheden verzoek ik u mij schriftelijk te bevestigen dat u mij toestemming verleend een dergelijke antwoordakte op te stellen.(..)”

De brieven van 9 april en 14 april zijn van gelijke strekking als de brief van 25 maart. De inhoud van de brieven impliceert voldoende dat [eiseres] akkoord is gegaan met de door [gedaagde] gestelde afspraak dat [eiseres] steeds vooraf toestemming moest hebben van [gedaagde], of zoals [gedaagde] het noemt ‘een concrete opdracht’. Hier handelt [eiseres] ook naar door [gedaagde] in haar brief van respectievelijk 25 maart, 9 april, 14 april en 20 april uitdrukkelijk om toestemming te vragen en aan te geven dat zij – kort gezegd – geen werkzaamheden zal verrichten, in dit geval een antwoordakte opstellen, zonder uitdrukkelijke toestemming van [gedaagde].

5.5 Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat partijen, in afwijking van de schriftelijke overeenkomst van 15 januari 2008, zijn overeengekomen dat [eiseres] – alvorens over te gaan tot het uitvoeren van juridische werkzaamheden voor [gedaagde] – steeds toestemming diende te verkrijgen van [gedaagde]. Nu de e-mail van [gedaagde] terzake deze afspraak dateert van 4 maart 2010 en [eiseres] hiermee akkoord is gegaan, wordt [eiseres] geacht vanaf dit moment steeds toestemming te moeten verkrijgen van [gedaagde] voor het verrichten van juridische werkzaamheden.

5.6 De door [eiseres] verrichte en gedeclareerde werkzaamheden hebben betrekking op onder meer het opstellen van een antwoordakte in de procedure tussen [X] en [gedaagde] en het onderhouden van contact met [gedaagde], de wederpartij van [gedaagde] en de Rechtbank. [gedaagde] heeft betwist dat hij [eiseres] uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven deze werkzaamheden te verrichten. [eiseres] heeft het verweer van [gedaagde] op dit punt gemotiveerd weersproken en in haar conclusie van repliek onder meer verwezen naar e-mails van 10 juni en 22 juni 2010. [eiseres] heeft gesteld dat deze e-mails betrekking hebben op een door haar ingediende antwoordakte in de procedure tussen [X] en [gedaagde], hetgeen [gedaagde] niet gemotiveerd heeft weersproken.

5.7 In haar email van 10 juni 2010 heeft [eiseres] [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“(..) Bij e-mail van 14 mei en brief van 27 mei jl. heeft mevrouw [A] u een door haar aangepaste antwoord-akte gestuurd. Zij verzoekt u nogmaals vriendelijk of u per omgaande aan haar kenbaar wil maken of zij tot indiening van de gecorrigeerde akte mag overgaan. (..)”

In de email van 22 juni 2010 schrijft [gedaagde] onder meer het volgende:

“(..) Ik kom tot de ontdekking, dat de inhoud van productie 2, hetzelfde is als de inhoud van productie 1. Ik heb van de griffier van de Rechtbank begrepen, dat deze alsnog gefaxt kan worden, zodat die aan het dossier kan worden toegevoegd. Ik verzoek u hierbij dit voor mij te laten doen. (..)”

5.7 De hierboven geciteerde passages geven tezamen bezien, er voldoende blijk van dat [gedaagde] [eiseres] expliciet opdracht heeft gegeven een antwoordakte in de procedure tussen [X] en [gedaagde] in te dienen bij de Rechtbank Rotterdam. Bovendien heeft [gedaagde] in zijn conclusie van dupliek niet uitdrukkelijk betwist dat zijn e-mail van 22 juni 2010 betrekking heeft gehad op de door [eiseres] opgestelde antwoordakte. [gedaagde] heeft voorts volstaan met het in algemene bewoordingen betwisten dat hij [eiseres] opdracht heeft gegeven “werkzaamheden” voor hem te verrichten, zonder daarbij specifiek in te gaan op hetgeen [eiseres] in haar conclusie van antwoord heeft gesteld ten aanzien van de procedure tussen [X] en [gedaagde]. Het voorgaande leidt ertoe dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven tot het opstellen en indienen van een antwoordakte in de procedure [X] tegen [gedaagde].

5.8 Ten aanzien van de overige in rekening gebrachte werkzaamheden overweegt de kantonrechter als volgt. Gelet op het feit dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven tot het opstellen en indienen van een antwoordakte, kan in alle redelijkheid niet van [eiseres] gevergd worden dat zij telkens afzonderlijk toestemming aan [gedaagde] vraagt voor summiere werkzaamheden zoals het telefoneren met [gedaagde], zijn wederpartij dan wel met de Rechtbank. Bovendien houden de voornoemde telefonische contacten zodanig nauw verband met de te verrichten juridische werkzaamheden waar [gedaagde] expliciet opdracht voor heeft gegeven dat deze onder de opdracht te begrijpen zijn. Op dit punt komt de kantonrechter dan ook tot de conclusie dat de door [eiseres] verrichte en gedeclareerde werkzaamheden vallen onder de opdracht die [gedaagde] aan [eiseres] heeft verstrekt terzake het opstellen en indienen van een antwoordakte.

5.9 [gedaagde] verwijt [eiseres] dat zij gedurende de bewuste procedure op cruciale momenten haar werkzaamheden heeft verzaakt en niet heeft uitgevoerd, hetgeen erop duidt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiseres] in de nakoming van de overeenkomst met [gedaagde] toerekenbaar tekort zou zijn geschoten. Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt echter. Immers, op [eiseres] rust een inspanningsverbintenis. [eiseres] dient de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en daarbij de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dat [eiseres] in strijd met deze norm heeft gehandeld, heeft [gedaagde] – hoewel het op zijn weg had gelegen – op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

5.10 De slotsom is dan ook dat [gedaagde] de kosten van de werkzaamheden zoals het opstellen van de antwoordakte en alle werkzaamheden die daarmee samenhangen aan [eiseres] dient te voldoen. Het opstellen van de antwoordakte alsook de overige werkzaamheden die [eiseres] heeft gedeclareerd waaronder de correspondentie met [gedaagde], de wederpartij van [gedaagde] en de rechtbank, zijn voldoende gespecificeerd in de urenspecificaties die [eiseres] bij de facturen heeft gevoegd. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] de gedeclareerde uren onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt gaat dan ook niet op.

5.11 Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] (een deel van) de gevorderde facturen heeft voldaan, ligt het bedrag ad € 3.733,31 voor toewijzing gereed.

5.12 Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

5.13 Onvoldoende is gebleken dat de werkzaamheden die door (de gemachtigde van) [eiseres] zijn verricht, meer hebben omvat dan het versturen van een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een procedure is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

5.14 De wettelijke rente, ten aanzien waarvan geen afzonderlijk en gemotiveerd verweer is gevoerd, is op de wet gestoeld en toewijsbaar.

5.15 [gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 3.876,61, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 3.733,31 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander een bedrag van € 5.000,00 niet te boven gaande;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 232,81 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.