Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY1779

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
1366122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De grondslag in de dagvaarding onjuist, maar het feitencomplex biedt een deugdelijke grondslag voor de vordering en wordt erkend. Geen verrekening, tekortkoming van een te geringe betekenis om ontbinding te rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Brielle

vonnis

in de zaak van

[eiser],

woonplaats: [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: Rijnland Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde],

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

in persoon.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

• het exploot van dagvaarding van 10 juli 2012 met producties;

• het schrijven van [gedaagde], ter griffie ontvangen op 13 augustus 2012, als zijnde de conclusie van antwoord in conventie en voorwaardelijke eis in reconventie, met één productie, en

• het tussenvonnis van 28 augustus 2012, waarin door de kantonrechter een comparitie van partijen is gelast.

1.2 De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Boiten. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3 De datum voor de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1 Tussen partijen is op 5 oktober 1995 een overeenkomst tot stand gekomen tot stalling van de caravan van [gedaagde] (merk Kip, type T510).

2.2 In die overeenkomst is het volgende overeen gekomen:

‘Lengte 6,5 a ƒ 70,-- per meter per jaar incl. 17,5% BTW.’

Condities:

‘2. Bij opzegging van de stallingsplaats zal er geen restitutie plaatsvinden.’

2.3 [gedaagde] heeft de caravan tussen 5 en 7 april 2012 weggehaald.

3. De vordering en het verweer in conventie

de vordering

3.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 416,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 340,00 gerekend vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

De vordering is opgebouwd uit € 340,00 aan hoofdsom, € 75,00 aan buitengerechtelijke kosten en € 1,65 aan verschenen rente.

3.2 Aan haar vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] ondanks diverse aanmaningen in gebreke is gebleven met volledige (tijdige) voldoening van de - ingevolge tussenpartijen bestaande caravanstallingsovereenkomst - aan hem verschuldigde bedragen.

het verweer

3.3 [gedaagde] betwist de vordering. Hij erkent dat hij de gevorderde hoofdsom aan [eiser] verschuldigd is in verband met een door [eiser] aan zijn caravan uitgevoerde reparatie. Echter, hij beroept zich op verrekening met de door hem reeds volledig betaalde stallingskosten voor het jaar 2012 op grond van een afspraak die tussen partijen is gemaakt. Die afspraak houdt in dat [eiser] een reparatie aan de caravan van [gedaagde] zou uitvoeren en [gedaagde] de caravan daarna zou weghalen en de teveel betaalde stallingskosten zouden worden verrekend met de factuur voor de reparatiekosten.

4. De vordering en het verweer in (voorwaardelijke) reconventie

de vordering

4.1 Toen [gedaagde] begin april 2012 zag dat zijn caravan buiten stond, in tegenstelling tot waarvoor hij had betaald (binnen), heeft hij de caravan meteen (in de eerste week van april 2012) weggehaald, zodat hij vanaf dat moment geen stallingskosten meer aan [eiser] verschuldigd is.

het verweer

4.2 [eiser] stelt dat de caravan alleen op 5, 6 en 7 april 2012 buiten heeft gestaan, met droog weer, in verband met bezigheden in de schuur. Op de avond van 7 april 2012, toen [eiser] de caravan weer terug wilde zetten, bleek dat de caravan weg was. Uit camerabeelden bleek dat [gedaagde] de caravan zelf had meegenomen.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie

5.1 De kantonrechter overweegt allereerst dat [eiser] in zijn dagvaarding heeft gesteld dat [gedaagde] de hoofdsom verschuldigd is uit hoofde van de caravanstallingsovereenkomst. Echter, de onderhavige vordering betreft een factuur ter zake van een reparatie aan de caravan van [gedaagde] door [eiser]. Door [gedaagde] is niet betwist dat die reparatie in zijn opdracht is uitgevoerd door [eiser] en dat hij derhalve in beginsel aansprakelijk is voor de betaling daarvan. Het feitencomplex zoals door [eiser] aangevoerd en door [gedaagde] is erkend, biedt een deugdelijke grondslag voor de vordering.

5.2 Huisman beroept zich primair op verrekening van de reparatiefactuur met de door hem reeds betaalde stallingskosten tot oktober 2012 (uit de stukken en de stellingen van partijen blijkt dat een stallingsjaar loopt van oktober tot oktober). Niet duidelijk is vanaf wanneer [gedaagde] stelt de stallingskosten te mogen verrekenen. [gedaagde] heeft niet gesteld noch is gebleken dat hij (of [eiser]) de stallingsovereenkomst heeft opgezegd, zodat die in beginsel (in ieder geval, ondanks het weghalen van de caravan door [gedaagde]) tot 1 oktober 2012 loopt en [gedaagde] ook betalingsplichtig is tot die maand. In dat geval zou er geen aanleiding bestaan om de onderhavige factuur te verrekenen, omdat er geen sprake is van een door [gedaagde] teveel betaald bedrag.

5.3 [gedaagde] voert aan dat hij een afspraak met [eiser] heeft gemaakt inhoudende dat hij de caravan na de reparatie op zou halen en daarna geen stallingskosten meer verschuldigd zou zijn. [eiser] betwist dat tussen partijen een dergelijke afspraak bestaat. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling op dit punt een schriftelijke verklaring van [A] d.d. 13 augustus 2012 (de kantonrechter neemt aan dat dit de echtgenote is van [gedaagde]) in het geding gebracht, waarin zij verklaart dat tussen [eiser] en [gedaagde] is afgesproken dat [eiser] de kosten van reparatie aan de caravan van [gedaagde] zou verrekenen met de door [gedaagde] betaalde stallingskosten. De kantonrechter overweegt dat (ook) uit deze verklaring niet blijkt vanaf welke maand de door [gedaagde] betaalde kosten dienden te worden verrekend. Bij de waardering van de verklaring van [A] houdt de kantonrechter bovendien rekening met haar relatie tot [gedaagde]. Een en ander leidt ertoe dat naar het oordeel van de kantonrechter niet is vast komen te staan dat, laat staan welke, afspraak er tussen partijen is gemaakt met betrekking tot kosten van reparatie en stalling. [gedaagde] heeft geen nader, voldoende concreet, bewijs aangeboden, zodat bij de verdere beoordeling geen rekening zal worden gehouden met de door [gedaagde] gestelde afspraak.

in reconventie

5.4 De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat hij voorts een voorwaardelijke eis in reconventie instelt, inhoudende dat hij de caravan in verband met een tekortkoming zijdens [eiser] (de caravan buiten plaatsen in plaats van binnen) reeds begin april 2012 heeft weggehaald en op grond van die tekortkoming zijdens [eiser] (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst vordert. Nu het verweer zoals onder 5.3 besproken niet is geslaagd, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van deze voorwaardelijke eis.

5.5 De kantonrechter overweegt dat uit de stallingsovereenkomst blijkt dat tussen partijen is overeengekomen dat de caravan binnen gestald zou worden. Immers, onder 4 is bepaald dat ‘het alleen met toestemming van de stallinggever is toegestaan zich in de stallingsruimte te begeven.’ [eiser] heeft bovendien niet betwist dat de caravan op grond van de overeenkomst binnen gestald diende te worden. [eiser] erkent dat de caravan buiten heeft gestaan. De kantonrechter oordeelt dat daarmee een tekortkoming zijdens [eiser] is vast komen te staan.

5.6 Uit de reactie op het verweer van [gedaagde] door [eiser] begrijpt de kantonrechter dat hij een beroep doet op de geringe betekenis van die tekortkoming, mede gelet op de omstandigheden (droog weer) waaronder die tekortkoming is begaan. [gedaagde] voert aan dat het juist bij zijn caravan belangrijk was dat die binnen stond, omdat in verband met de schade bij regen het water in de caravan zou komen. [eiser] voert aan dat de caravan maar drie dagen buiten heeft gestaan in verband met werkzaamheden in de schuur en dat hij er rekening mee heeft gehouden dat de caravan niet in de regen mocht staan door vooraf te kijken op welke dagen er droog weer werd verwacht. De dagen dat de caravan buiten heeft gestaan was het droog weer, zodat er geen risico was op regenschade. [gedaagde] heeft niet gesteld noch is gebleken van enige regenschade aan de caravan (dit is overigens geen vereiste voor toewijsbaarheid van (gedeeltelijke ontbinding).

[gedaagde] heeft de caravan weggehaald omdat hij hem buiten zag staan. Hij heeft niet gesteld dat de caravan langer dan de door [eiser] erkende drie (droge) dagen heeft buiten gestaan.

Gelet op alle omstandigheden van het geval acht de kantonrechter de door [gedaagde] gestelde tekortkoming van een te geringe betekenis om een ontbinding te kunnen rechtvaardigen. De vordering in reconventie van [gedaagde] wordt derhalve afgewezen.

conclusie in conventie

5.7 Een en ander leidt ertoe dat de in conventie gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.

5.8 De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten, alsmede de gevorderde rente worden als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen.

proceskosten

5.9 [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 416,65, vermeerderd met de wettelijke rente ex. artikel 6:119 BW over € 340,00 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

in reconventie

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 156,17 aan verschotten en € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.