Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BY0667

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
382577 / HA ZA 11-1635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen vorderen allebei verklaring voor recht dat een gedeelte van het aan eiser toebehorende kadastrale perceel, dat sinds 1945 bij gedaagde als kantoor in gebruik is, hun eigendom is. Gedaagde, die het kantoor vanaf 1945 voor de bepaalde tijd van tien jaar van eiser heeft gehuurd, stelt dat hij sinds 1955 bezitter van het kantoor is en beroept zich op verjaring. Eiser stelt zich, met een beroep op het interversieverbod (artikel 591 (oud) BW), op het standpunt dat gedaagde steeds houder voor eiser is gebleven. Aangezien tussen partijen vaststaat dat de huurovereenkomst in 1955 is geëindigd en ook eiser zich nadrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het kantoor door gedaagde vanaf dat moment onrechtmatig was, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat er vanaf 1955 geen sprake was van enige titel krachtens welke gedaagde het kantoor voor eiser hield. De rechtbank merkt het gebruik van het kantoor door gedaagde vanaf 1955 aan als bezit. De verjaring van de rechtsvordering van eiser tot beëindiging van het bezit is in 1985 voltooid (artikel 2004 (oud) BW). Op grond van artikel 3:105 BW (verkrijgende verjaring), moet gedaagde thans als eigenaar worden aangemerkt.

Partijen twisten tevens over de vraag wie de eigenaar is van het gedeelte van het dakterras van gedaagde dat boven de aan eiser toebehorende 'poort/garage' is gelegen. Op dit punt wordt eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de bij antwoordakte door gedaagde opgeworpen verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2013/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 382577 / HA ZA 11-1635

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

[eiseres 1],

wonende te [woonplaats 1],

[eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

[eiseres 3],

wonende te [woonplaats 3],

[eiseres 4],

wonende te [woonplaats 2],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A. Kouwenaar-de Coninck,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 4],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers.

Partijen zullen hierna de [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 november 2011;

- de conclusie van antwoord in reconventie van de [eisers] van 25 januari 2012;

- het proces-verbaal van descente en van comparitie van 17 februari 2012, waaraan de brief van mr. Kouwenaar-de Coninck van 12 maart 2012 is gehecht;

- de akte eisvermeerdering van de [eisers] van 18 april 2012;

- de antwoordakte vermeerdering van eis in conventie tevens akte voorwaardelijke vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde] van 2 mei 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, aanvankelijk op 27 juni 2012.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het navolgende vast.

2.2. De [eisers] staan in het kadaster vermeld als gezamenlijke eigenaars van het perceel aan de [perceel] te [woonplaats 2], [kadastraal bekend]. Van dit perceel maakt deel uit een zogenoemde poort/garage, hierna te noemen: ‘de poort’. De poort betreft het gearceerde gedeelte van de als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde en hieronder gedeeltelijk weergegeven kadastertekening.

2.3. [gedaagde] is eigenaar van het woon-/winkelpand aan de [adres 2] te [woonplaats 2] (perceel 602 op de hierboven weergegeven kadastertekening), dat direct naast de poort gelegen is. Voordat [gedaagde] eigenaar werd, behoorde het pand toe aan de vader van [gedaagde].

2.4. Aan de achterzijde van de winkel van [gedaagde] aan de [adres 2] te [woonplaats 2] bevindt zich een ruimte die thans bij [gedaagde] in gebruik is als kantoor. Deze ruimte, die verder zal worden aangeduid als ‘het kantoor’, betreft het zwart gemaakte gedeelte van de hiervoor gedeeltelijk weergegeven kadastertekening. Het kantoor maakt, net als de aangrenzende poort, deel uit van het perceel dat [kadastraal bekend].

2.5. Op 20 februari 1945 hebben de vader van [gedaagde] als huurder, en [persoon 1] (rechtsvoorgangster van de [eisers]) als verhuurder, een huurovereenkomst voor de duur van tien jaar gesloten betreffende de poort en het kantoor.

2.6. De aanhef van de huurovereenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

‘De ondergeteekende, [persoon 1], (…) verklaart bij deze, handelende als eigenaresse, te hebben verhuurd aan mede-ondergeteekende [persoon 2] (…), die ook bij deze verklaart van eerstgemelde in huur genomen te hebben de poort, toeganggevende tot de garage, bekent onder den naam T.O.D. met het daaraan grenzende kantoor aan den [adres 1], - het gedeelte aangewezen op de kaart “ plan voor het uitbreiden van een garage ”, zooals dit door het gemeentebestuur van Hillegersberg is goedgekeurd en waarvan huurder geen nadere beschrijving begeert, en geen groter gedeelte zal uitmaken dan het boven het kantoor gelegen plat, in eigendom toebehoorende aan huurder, en waarvan huurder geen nadere omschrijving begeert.’

2.7. De huurovereenkomst is in 1955 van rechtswege geëindigd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Na wijziging van eis ter comparitie vorderen de [eisers], zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat de [eisers] eigenaar zijn van het door [gedaagde] onrechtmatig in gebruik dan wel in bezit genomen kantoor;

2. [gedaagde] zal veroordelen om binnen één week, althans een in goede justitie te bepalen redelijke termijn, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, het onrechtmatig in gebruik dan wel bezit genomen kantoor te (doen) ontruimen en te verlaten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 750.000,-;

3. de [eisers] zal machtigen om bij gebreke van tijdige ontruiming de ontruiming zelf te doen uitvoeren op kosten van gedaagde en zo nodig met behulp van de sterke arm;

4. [gedaagde] zal verbieden gebruik te maken van het perceel van de [eisers] zonder hun voorafgaande schriftelijke toestemming;

5. zal verklaren voor recht dat de [eisers] eigenaar zijn van het door [gedaagde] onrechtmatig in gebruik dan wel in bezit genomen gedeelte boven de poort;

6. [gedaagde] zal veroordelen om binnen één week, althans een in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, het onrechtmatig gebruik dan wel bezit genomen terras boven de poort, te (doen) afbreken, in oude staat te (doen) herstellen, te ontruimen en te verlaten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 750.000,-;

7. de [eisers] te machtigen om bij gebreke van tijdige afbraak en/of herstel in oude staat en/of ontruiming, de afbraak en/of herstel in oude staat en/of ontruiming zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde] en zo nodig met behulp van de sterke arm;

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van de [eisers]. Voor zover de vordering van de [eisers] mocht worden toegewezen, verzoekt [gedaagde] de rechtbank de termijn voor de ontruiming te stellen op één jaar na betekening van het te wijzen vonnis en de gevorderde dwangsom af te wijzen dan wel te matigen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert, zakelijk weergegeven en na voorwaardelijke vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] eigenaar is geworden van het kantoor;

2. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van het plat/dakterras dat zich uitstrekt boven de poort;

met veroordeling van de [eisers] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie alsook in de nakosten.

3.5. Het verweer van de [eisers] strekt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde].

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

4.1. Gelet op hun onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2. Hierna zullen eerst de over en weer ingestelde vorderingen met betrekking tot het kantoor worden besproken. Daarna zullen de vorderingen betreffende het dakterras aan de orde komen.

Vorderingen met betrekking tot het kantoor

4.3. In deze zaak staat centraal de vraag of [gedaagde] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de [eisers] door zonder toestemming en tegen hun wil het kantoor voor zichzelf te (blijven) gebruiken.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen het volgende niet in geschil is:

- het kantoor is een afgesloten ruimte die door muren en door een vanuit het kantoor afsluitbare deur is afgescheiden van de rest van het perceel van de [eisers];

- het kantoor heeft een directe verbinding met de woning van [gedaagde];

- het kantoor is (in ieder geval) vanaf 1945 bij (de vader van) [gedaagde] onafgebroken in gebruik als kantoorruimte;

- (de vader van) [gedaagde] heeft (in ieder geval) vanaf 1955 het onderhoud van het kantoor verzorgd.

4.5. [gedaagde] betwist het eigendomsrecht van de [eisers] op zichzelf niet, maar beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de [eisers] strekkende tot beëindiging van het bezit per 1985, althans per 1997, althans per 2002. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op deze verjaring, op grond van artikel 3:105 BW eigenaar van het kantoor is geworden. Ter onderbouwing van de gestelde verjaring heeft [gedaagde] onder meer het volgende naar voren gebracht.

Na het eindigen van de huurovereenkomst in 1955 betreffende de poort en het kantoor is het kantoor door de vader van [gedaagde] zonder recht of titel in bezit genomen. Vanaf dat moment is er geen huur of andere vergoeding ter zake van het kantoor meer aan de [eisers] betaald. De vader van [gedaagde] en later [gedaagde] zelf hebben sindsdien onafgebroken het bezit van het kantoor genoten en het onderhoud daarvan verzorgd.

4.6. De [eisers] hebben betwist dat sprake is van verkrijging door verjaring. Op hun stellingen ter zake wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt.

4.8. De juistheid van de stelling van [gedaagde] dat de vordering van de [eisers] tot beëindiging van het bezit in 1985 is verjaard, moet naar oud burgerlijk recht worden beoordeeld. De rechtbank merkt op dat de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast met betrekking tot het beroep op verjaring op [gedaagde] rusten.

4.9. Onder het oude burgerlijke recht had de eigenaar op grond van artikel 629 (oud) BW het recht de aan hem toebehorende zaak van iedere houder terug te vorderen.

De rechtbank gaat er van uit dat [gedaagde], zoals hij heeft gesteld, na het aflopen van de huurovereenkomst steeds houder van het kantoor is gebleven.

Weliswaar hebben de [eisers] de ingebruikname van het kantoor in 1955 door de vader van [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist (dagvaarding, punt 12), maar voor zover daarmee bedoeld mocht zijn te weerspreken dat [gedaagde] na het eindigen van de huur¬overeenkomst steeds de feitelijke macht over het kantoor heeft behouden, acht de rechtbank deze betwisting onvoldoende gemotiveerd.

4.10. Tussen partijen is in geschil of (de vader van) [gedaagde] na het aflopen van de huurovereenkomst in 1955 behalve houder van het kantoor (ook) bezitter daarvan was.

De [eisers] hebben het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is. Zij hebben zich beroepen op het – thans in artikel 3:111 BW vastgelegde, maar ook onder het oude recht geldende – interversie¬verbod. Volgens hen heeft (de vader van) [gedaagde] het kantoor ook na het eindigen van de huur¬overeenkomst steeds voor de [eisers] gehouden, zodat het interversieverbod er aan in de weg staat dat [gedaagde] als bezitter van het kantoor wordt aangemerkt.

4.11. Het interversieverbod was in het oude burgerlijke wetboek opgenomen in artikel 591 (oud) BW. Dit artikel luidt als volgt:

‘Art. 591. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd verondersteld het bezit onder denzelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is.’

Krachtens dit artikel wordt [gedaagde], die het kantoor oorspronkelijk krachtens huurovereenkomst voor de [eisers] hield, vermoed het kantoor steeds voor de [eisers] te hebben gehouden. Echter, door het eindigen van de huur¬overeenkomst in 1955, waarover tussen partijen geen geschil bestaat, kwam deze titel aan het houderschap van [gedaagde] te ontvallen. Het ‘tegendeel’ als bedoeld in artikel 591 (oud) BW staat daarmee in zoverre vast, dat er niet van kan worden uitgegaan dat (de vader van) [gedaagde] het kantoor krachtens de huurovereenkomst voor de [eisers] is blijven houden.

4.12. Het voorgaande brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat het beroep op het interversieverbod niet kan slagen. Indien immers zou moeten worden aangenomen dat het voortgezette gebruik van het kantoor door (de vader van) [gedaagde] berustte op (impliciete) toestemming van (de rechtsvoorganger(s) van) de [eisers], dient er – behoudens bewijs van het tegendeel door [gedaagde] – van uitgegaan te worden dat (de vader van) [gedaagde] tot 2006 steeds houder van het kantoor (voor de [eisers]) is gebleven. Aldus kan van bezit, en daarmee van verkrijging door verjaring, geen sprake zijn.

Hierbij is het volgende van belang. Beide partijen hebben verklaard dat er in 1955 een vriendschappelijke relatie tussen de [familie 1] en de [[gedaagde] bestond. Tijdens de comparitie van partijen heeft [persoon 3] (eiser sub 2) in dat kader opgemerkt dat het, toen de huurovereenkomst in 1955 van rechtswege afliep, niet nodig werd gevonden om het kantoor te verhuren: “[gedaagde] zat erin, dus het was wel goed”. Deze feitelijke stellingname, die kan duiden op impliciete toestemming, is in strijd met het consequente betoog van de [eisers] dat het gebruik van het kantoor door (de vader van) [gedaagde] vanaf 1955 onrechtmatig was. Tijdens de comparitie van partijen heeft de advocaat van de [eisers] dit standpunt onderstreept door nadrukkelijk te stellen dat destijds aan de vader van [gedaagde] geen toestemming is gegeven om het kantoor na afloop van de huurovereenkomst te blijven gebruiken. Gelet hierop moet het oordeel van de rechtbank luiden dat het voortgezette gebruik vanaf 1955 niet op toestemming – al dan niet impliciet – van (de rechtsvoor¬ganger(s) van) de [eisers] heeft berust. Nu beide partijen zich op het standpunt hebben gesteld dat dit voortgezette gebruik vanaf het begin onrechtmatig was, moet het er voor gehouden worden dat er na het einde van de huurovereenkomst evenmin sprake is geweest van enige andere titel krachtens welke (de vader van) [gedaagde] het kantoor voor de [eisers] hield. Dit betekent, mede gelet op hetgeen hiervoor in punt 4.4 is overwogen, dat het gebruik van het kantoor door (de vader van) [gedaagde] vanaf 1955, noodzakelijker¬wijs moet worden aangemerkt als bezit.

4.13. Het oordeel dat (de vader van) [gedaagde] vanaf 1955 als bezitter van het kantoor moet worden aangemerkt, impliceert dat in dat jaar de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is gaan lopen.

De omstandigheid dat de [eisers] tot 2006 niet op de hoogte waren van het bestaan van hun vorderingsrecht tot beëindiging van het bezit, leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.14. De [eisers] hebben gesteld dat zij niet wisten, en gelet op de ligging van het kantoor voor de buitenwereld ook niet kenbaar was, dat [gedaagde] het kantoor (voor zichzelf) hield, althans dat het kantoor onderdeel was van hun perceel. Volgens de [eisers] is pas in 2006 voldaan aan het vereiste van een kenbare inbezitneming van het kantoor door (de vader van) [gedaagde], zodat de verjaring niet vóór 2006 is gaan lopen.

Voor het ontstaan van de vordering tot beëindiging van het bezit is echter, zowel naar oud als nieuw burgerlijke recht, voldoende dat [gedaagde] de feitelijke macht over het kantoor uitoefende en dat uit de uiterlijke (in die zin kenbare, niet uitsluitend de innerlijke wil van de houder betreffende) omstandigheden van het geval zijn eigendoms¬pretentie blijkt. Niet noodzakelijk vereist is dat de [eisers] die omstandigheden kenden of redelijkerwijs hadden kunnen kennen. Het gaat er om of zich op enig moment een zodanige situatie voordeed dat de [eisers], als zij van de bestaande omstandigheden op de hoogte waren geweest, daaruit hadden moeten afleiden dat (de vader van) [gedaagde] pretendeerde eigenaar te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank luidt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het antwoord op deze vraag bevestigend.

4.15. Krachtens artikel 2004 (oud) BW bedraagt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit 30 jaar. Aangezien de verjaring in 1955 is gaan lopen, is deze op enig moment in 1985 voltooid.

De invoering van het nieuwe burgerlijke recht heeft in de rechtsgevolgen van deze verjaring geen verandering gebracht. Wel komt [gedaagde] sindsdien op grond van artikel 3:105 BW een beroep op verkrijgende verjaring toe. [gedaagde] moet derhalve thans als eigenaar van het kantoor worden aangemerkt.

4.16. Het bovenstaande voert tot de slotsom dat in conventie de vorderingen van de [eisers] weergegeven in punt 3.1 sub 1 tot en met 3 zullen worden afgewezen.

Hetzelfde geldt voor de vordering vermeld in punt 3.1 sub 4, betreffende een verbod zonder toestemming gebruik te maken van het perceel van de [eisers]. Nu de [eisers] niet nader hebben gespecificeerd welk concreet belang zij bij deze vordering hebben en/of in welke zin [gedaagde] thans, anders dan het gebruik van het kantoor, gebruik maakt van het perceel van de [eisers], gaat de rechtbank ervan uit dat de [eisers] met deze vordering het oog hebben op het kantoor. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet ook deze vordering worden afgewezen.

4.17. Uit het voorgaande volgt tevens dat de vordering in reconventie, inhoudend dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] eigenaar is geworden van het kantoor, zal worden toegewezen.

Vorderingen met betrekking tot het dakterras

4.18. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging aan de zijde van de [eisers] voor zover dit de eisvermeerdering betreft. Het gaat om de vordering ten aanzien van het terras boven de poort. Volgens [gedaagde] brengt deze een geheel nieuwe discussie tussen partijen teweeg, die de procedure onnodig zal vertragen.

4.19. De rechtbank acht de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook recht doen op basis van de gewijzigde eis. Zoals de [eisers] onweersproken hebben gesteld, zijn zij er pas tijdens de descente van 17 februari 2012 van op de hoogte geraakt dat [gedaagde] een dakterras in gebruik heeft dat deels boven de poort is gesitueerd. De vordering kon derhalve niet eerder dan na die descente worden ingesteld. Van een onredelijke vertraging van de procedure is geen sprake.

Nu aan de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is gewijzigd – namelijk dat de rechtbank de vermeerdering van eis aan de zijde van de [eisers] toestaat – is voldaan, en deze wijziging evenmin in strijd is met de eisen van een goede procesorde, geldt hetzelfde ten aanzien van de vordering in reconventie.

4.20. De [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens hen. Ter feitelijke onderbouwing daarvan hebben de [eisers] gesteld dat [gedaagde] inbreuk maakt op hun eigendomsrecht door zonder toestemming en tegen hun wil het dakterras (voor zover boven de poort gesitueerd) voor zichzelf te (blijven) gebruiken.

4.21. [gedaagde] heeft primair betwist dat het dakterras voor zover boven de poort gelegen eigendom van de [eisers] is. Volgens [gedaagde] blijkt uit de huurovereenkomst van 20 februari 1945 dat [gedaagde] toen al eigenaar was van het dakterras.

Het subsidiaire betoog van [gedaagde] komt er op neer dat hij door verjaring eigenaar is geworden van het dakterras, althans dat het dakterras door horizontale natrekking eigendom is geworden van [gedaagde]. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] in dat verband aldus, dat [gedaagde] onder meer betoogt dat de rechtsvordering van de [eisers] strekkende tot beëindiging van de onrechtmatige toestand (de inbreuk die het dakterras maakt op het op zichzelf onbetwiste eigendomsrecht van de [eisers] ten aanzien van de poort) is verjaard, nu [gedaagde] in ieder geval sinds februari 1945 aldaar een dakterras heeft.

4.22. Gelet op het beginsel van hoor en wederhoor zal de rechtbank de [eisers] in de gelegenheid stellen bij akte op deze verweren van [gedaagde] te reageren.

4.23. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 oktober 2012 voor het nemen van een akte door de [eisers] zoals overwogen in punt 4.22, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2012.?

2171/2148