Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX8509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
342230 / HA ZA 09-3206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure beperking aansprakelijkheid; wrakkenfonds; aanvaring; verhaal op eigenaar schuldige schip door belanghebbenden bij lading in aangevaren schip van de kosten van opruiming van gezonken schip en lading die door de Staat na plaatsing onder de Wrakkenwet zijn gemaakt; regresvordering in wrakkenfonds; opruimingskosten; gebruik eigen materieel/personeel door de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 342230 / HA ZA 09-3206

VONNIS van 5 september 2012

in de zaak van:

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ELG HANIEL TRADING GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

HENRIC FERROCHROME (PTY) LTD,

gevestigd te Brits, Zuid-Afrika,

3. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ALLIANZ INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Johannesburg, Zuid-Afrika,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY AG,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseressen tot verificatie,

advocaat mr O.E. Meijer,

- en -

1. de vennootschap onder firma RIAD V.O.F.,

gevestigd te Maasbracht,

2. [A],

wonende te Maasbracht,

3. [B],

wonende te Maasbracht,

4. de onderlinge waarborgmaatschappij

EFM ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.

gevestigd te Meppel,

gevoegde partijen aan de zijde van eiseressen tot verificatie,

advocaat mr T. Roos,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHEEPVAARTBEDRIJF MS. AMASUS 2 B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

2. de commanditaire vennootschap

SCHEEPVAARTBEDRIJF MS. AMASUS 2 C.V.

gevestigd te Farmsum,

verweersters,

advocaat mr E.A. Bik.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk "ELG c.s.", "Riad c.s." en

"Amasus c.s.".

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken waarvan de rechtbank heeft kennisgenomen:

- proces-verbaal van de op 7 oktober 2009 gehouden verificatievergadering in de procedure

tot beperking van de aansprakelijkheid van Amasus c.s. (zaak-/rekestnummer 320568/

HA RK 08-294), waar ELG c.s. en Amasus c.s. terzake van enige geschilpunten zijn

verwezen naar de terechtzitting van deze rechtbank;

- conclusie van eis van ELG c.s., met producties;

- conclusie van antwoord van Amasus c.s., met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 4 augustus 2010, waarbij een comparitie van

partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 november 2010;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door ELG c.s. overgelegde

aantekeningen en de door Amasus c.s. overgelegde opmerkingen;

- incidenteel vonnis van deze rechtbank d.d. 16 maart 2011, waarbij aan Riad c.s. is

toegestaan zich te voegen aan de zijde van ELG c.s. en de daaraan ten grondslag liggende

stukken;

- conclusie van repliek van ELG c.s., met producties;

- conclusie van repliek van Riad c.s., met producties;

- conclusie van dupliek van Amasus c.s., met producties;

- akte overlegging producties tevens akte houdende wijziging van eis van ELG c.s., met

producties;

- akte van Amasus c.s.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen de partijen - voorzover van belang - het navolgende vast.

2.2 Op 13 oktober 2008 omstreeks 3:42 uur is het aan Amasus c.s. in eigendom toebehorende Nederlandse zeeschip Wisdom op de Oude Maas bij de voormalige Barendrechtse brug in aanvaring gekomen met het aan Riad v.o.f. in eigendom toebehorende Nederlandse binnenschip Riad.

Ten gevolge van deze aanvaring is de Riad met haar lading ferrochroom gezonken.

De opvarenden konden tijdig worden gered.

2.3 Na de aanvaring heeft de Staat als beheerder van het vaarwater Riad v.o.f. verzocht de Riad en haar lading te bergen gezien het gevaar dat het wrak van de Riad opleverde voor de scheepvaart. Nadat Riad c.s. had geweigerd tot berging over te gaan, heeft de Staat de Riad en haar lading bij beschikking van 14 oktober 2008 onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst.

In opdracht van de Staat heeft bergingsbedrijf GPS Marine Service B.V. de Riad en haar lading geborgen. De Riad werd als totaal verloren beschouwd en het schip is aan een sloopbedrijf verkocht. De lading is afgevoerd naar een terrein van Rijkswaterstaat.

De Staat heeft Riad c.s. - als belanghebbende bij de Riad - en ELG c.s. - als belanghebbende bij de lading ferrochroom - verzocht de bergingskosten te vergoeden dan wel voor die kosten zekerheid te stellen. ELG c.s. heeft zekerheid doen stellen door middel van een afroepgarantie van ING Bank N.V. ten bedrage van € 600.000,-. Op 7 april 2009 heeft de Staat onder deze garantie betaling verkregen van € 560.790,72.

2.4 ELG c.s. heeft Amasus c.s. en Riad c.s. aansprakelijk gesteld voor de kosten van de berging en alle andere kosten die zij lijdt als gevolg van de aanvaring.

Amasus c.s. heeft daarop bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot beperking van haar aansprakelijkheid ter zake van wrakopruimingskosten. De rechtbank heeft in die procedure (zaak-/rekestnummer 320568/HA RK 08-294) bij beschikking van 6 maart 2009 het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid van Amasus c.s. ter zake van wrakopruimings-kosten bepaald op 612.361 SDR. Vervolgens is een wrakkenfonds gesteld (in een aparte procedure is tevens een zakenfonds gesteld).

2.5 ELG c.s. heeft in die beperkingsprocedure vorderingen ingediend bij de vereffenaar tot een bedrag van voorlopig € 697.131,61 (excl. rente).

Op de verificatievergadering van 7 oktober 2009 heeft de rechter-commissaris ELG c.s. als eiseressen en Amasus c.s. als verweersters verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure ter zake van (1) de vraag of de vorderingen van ELG c.s. in het wrakkenfonds thuishoren, (2) de vraag of en in hoeverre Amasus c.s. aansprakelijk is voor de aanvaring, (3) de geldelijke omvang van de aansprakelijkheid en (4) de betwisting van het recht tot beperking van aansprakelijkheid.

3. De vordering van ELG c.s.

3.1 De gewijzigde vordering luidt, verkort weergegeven, om te oordelen dat ELG c.s. gezamenlijk, althans ieder voor zich, tot een bedrag voorlopig begroot op € 697.131,61 als schuldeiser in het wrakkenfonds zal worden toegelaten, met veroordeling van Amasus c.s. in de proceskosten.

3.2 ELG c.s. heeft aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

a. de vordering die ELG c.s. heeft ingediend in het wrakkenfonds betreft wrakopruimingskosten als bedoeld in art. 8:752 lid 1 sub d en/of e BW; er is geen sprake van vorderingen uit hulpverlening of avarij-grosse als bedoeld in art. 8:753 lid 1 sub a BW;

b. de aanvaring is (grotendeels) veroorzaakt door het verkeerd varen van de Wisdom, al dan niet als gevolg van overmatig alcoholgebruik door de kapitein van de Wisdom; de Wisdom had schuld aan de aanvaring; Amasus c.s. is jegens de Staat en jegens ELG c.s. aansprakelijk voor de schade uit hoofde van aanvaring en/of onrechtmatige daad en/of

art. 10 Wrakkenwet; de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd was het gevolg van het verkeerd varen van de Wisdom; in geval van medeschuld van de Riad, is Amasus c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor de opruimingskosten;

c. de lading ferrochroom aan boord van de Riad was door Henric Ferrochrome (Pty) Ltd (hierna: Henric) verkocht en aan ELG Haniel Trading GmbH (hierna: ELG); de eiseressen sub 3, 4 en 5 (hierna samen: Allianz) zijn de verzekeraars van Henric en ELG; ELG c.s. was eigenaar van de lading en is vorderingsgerechtigd; bovendien is ELG c.s. gesubrogeerd in de rechten van de Staat (art. 6:150 BW);

d. de vordering van ELG c.s. bedraagt - voorlopig begroot - € 697.131,61.

4. Het verweer van Amasus c.s.

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering van ELG c.s. in het wrakkenfonds, subsidiair tot het hooguit toewijzen daarvan tot een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling van ELG c.s. in de kosten van het geding.

4.2 Amasus c.s. heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

a. de vordering van ELG c.s. betreft geen wrakopruimingskosten als bedoeld in art. 8:752

lid 1 sub d en e / art. 8:1062 lid 1 sub d en e BW; er was geen sprake van wrakopruiming maar van hulpverlening of avarij-grosse, in elk geval waar het gaat om de lading van de Riad; dat het schip total loss was stond bij de aanvang van de berging nog niet vast; kosten van hulpverlening en avarij-grosse vallen buiten het wrakkenfonds (art. 8:753 lid 1 sub a /

art. 8:1063 lid 1 sub a BW);

b. nu sprake is van een regresvordering van betaalde kosten van hulpverlening en avarij-grosse of eventueel van betaalde kosten van wrakopruiming, gaat het niet meer om wrakopruimingskosten maar om zaakschade, die niet in een wrakkenfonds geldend kan worden gemaakt;

c. ingevolge de aanvaringsregels komt alleen materiële schade aan de lading voor vergoeding in aanmerking; de lading zelf was niet beschadigd; het verhalen van opruimingskosten is financiële schade; ELG c.s. vordert slechts vergoeding van financiële schade;

d. onder wrakopruimingskosten vallen alleen de kosten van de eigenlijke wrakopruiming, dus de kosten van de berging van het gezonken schip, t.w. hoogstens € 297.400 met BTW; het scheepsaandeel in de bergingskosten bedraagt ca. € 1.500,-; als de berging van het schip onder wrakopruiming valt, kan met betrekking tot die berging € 1.500,- onder het wrakkenfonds worden gebracht; de andere door ELG c.s. gevorderde kosten vallen daarbuiten; de andere kosten van Rijkswaterstaat (zoals eigen personeel en kosten Aannemingsbedrijf [X]) zouden toch zijn gemaakt en kunnen niet gelden als schade;

de hoogte van de diverse kostenposten wordt betwist;

e. er is onvoldoende causaal verband tussen het gestelde verkeerd varen van de Wisdom en de gestelde schade van ELG c.s.; niet is voldaan aan het vereiste van relativiteit; ELG c.s. had haar schade dienen te beperken door zelf de lading uit het schip te halen en door het lichten van het schip en lading zelf ter hand te nemen of door de eigenaar van de Riad daartoe aan te spreken;

f. de vordering van ELG c.s. kan niet worden gebaseerd op onrechtmatige daad;

g. de vorderingsgerechtigdheid (eigendom van de lading, verzekering) van ELG c.s. staat niet vast;

h. ELG c.s. heeft haar vordering bij repliek vermeerderd met een nieuwe grondslag (subrogatie in de rechten van de Staat); deze vermeerdering van eis is in strijd met de eisen van een goede procesorde;

i. het beroep op subrogatie in de rechten van de Staat moet worden verworpen.

5. Het standpunt van Riad c.s.

5.1 Riad c.s. concludeert - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank de vorderingen van ELG c.s. zal toewijzen en zal bepalen dat deze geverifieerd kunnen worden in het wrakkenfonds, met veroordeling van Amasus c.s. in de kosten van de renvooiprocedure.

5.2 Riad c.s. heeft daartoe - samengevat - aangevoerd:

a. de aanvaring is alleen veroorzaakt door schuld van de Wisdom; Amasus c.s. is daarom als eigenaar van de Wisdom op grond van zowel de aanvaringsbepalingen (art. 8:544 BW) als onrechtmatige daad (artt. 6:162 en 6:170 BW) aansprakelijk voor de schade, onder meer voor de schade geleden door de Staat en ELG c.s.; Amasus c.s. is hoofdelijk aansprakelijk, in elk geval jegens de Staat;

b. de Staat had voor de opruimingskosten van de Riad en haar lading een vordering op Amasus c.s. ad € 560.790,72; deze vordering is betaald door ELG c.s. om uitwinning van de lading door de Staat te voorkomen; daardoor is ELG c.s. gesubrogeerd in die vordering van de Staat;

c. de opruimingskosten zijn het direct gevolg van de aanvaring of dienen daaraan in redelijkheid te worden toegerekend;

d. de gehele vordering van ELG c.s. is een vordering als bedoeld in art. 8:752 lid 1 sub d en e BW en valt dus in het wrakkenfonds;

e. er was geen sprake van hulpverlening of avarij-grosse handelingen; ook staat het bepaalde in art. 8:753 lid 1 sub a BW niet in de weg aan het indienen door ELG c.s. van haar vordering in het wrakkenfonds; een regresvordering van ELG c.s. ter zake van wrakopruimingskosten valt in het wrakkenfonds en niet in het zakenfonds;

f. de diverse onderdelen van de vordering van de Staat waarin ELG c.s. is gesubrogeerd vallen onder de omschrijving van wrakopruimingskosten; het bedrag van € 560.790,72 is met stukken gespecificeerd en gedocumenteerd;

g. de lading ferrochroom aan boord van de Riad was eigendom van althans verzekerd bij ELG c.s.

6. De beoordeling

wijziging van eis

6.1 Het verzet van Amasus c.s. bij conclusie van dupliek tegen wijziging van de grondslag van de vordering van ELG c.s. wordt van de hand gewezen. ELG c.s. heeft reeds in haar 'aantekeningen ter comparitie', die vóór de comparitie van partijen aan Amasus c.s. en de rechtbank waren toegezonden, deze grondslag - subrogatie in de rechten van de Staat op grond van art. 6:150 BW - genoemd en ELG c.s. heeft dit later bij repliek uitgewerkt. Amasus c.s. heeft de gelegenheid gehad daarop de reageren en heeft dat ook gedaan. Deze gang van zaken is niet in strijd met de goede procesorde.

6.2 Bij akte van 12 oktober 2011 heeft ELG c.s. haar eis gewijzigd. Daartegen heeft Amasus c.s. geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal de zaak beoordelen op basis van deze gewijzigde eis.

toepasselijke regels

6.3 Nu de Wisdom een zeeschip is, zijn op de beperking van de aansprakelijkheid van Amasus c.s. ter zake van - kort gezegd - wrakopruimingskosten de artt. 8:750 ev. BW van toepassing zoals deze luidden vóór 1 januari 2011. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de toepassing van art. 2, eerste lid, onder (d) en (e) van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976 (Londen, 19 november 1976, Trb. 1980, 23; hierna: het Beperkingsverdrag 1976) uit te sluiten, zoals voorzien in art. 18 van dit verdrag. Daarom geldt voor vorderingen ter zake van wrakopruimingskosten niet dit verdrag maar de interne Nederlandse regeling die voorziet in een apart wrakkenfonds.

Op de aansprakelijkheid van Amasus c.s. uit aanvaring (een Nederlands zeeschip is in Nederland in aanvaring gekomen met een Nederlands binnenschip) zijn de artt. 8:540 ev. BW toepasselijk. Ter plaatse van de aanvaring gold het Binnenvaartpolitiereglement (versie 2004).

aansprakelijkheid van Amasus c.s.

6.4 De aansprakelijkheid van Amasus c.s. voor de aanvaring van de Wisdom met de Riad is in deze renvooiprocedure niet weersproken. De schuld van de Wisdom aan de aanvaring blijkt ook uit de overgelegde producties, in het bijzonder het proces-verbaal van de waterpolitie van het KLPD met bijlagen. Zeer in het kort komt de toedracht erop neer dat 's nachts op de Oude Maas de afvarende Wisdom bij een voor haar naar stuurboord verlopende bocht niet deze bocht heeft gevolgd doch rechtdoor is gevaren en in aanvaring is gekomen met de goed haar stuurboordzijde houdende en opvarende Riad, waarbij de Wisdom de Riad in het midden heeft aangevaren en heeft overvaren.

Dat de aanvaring mede is veroorzaakt door de schuld van de Riad is in deze procedure niet gemotiveerd gesteld en van rechtens relevante eigen schuld van de Riad is ook niet gebleken.

Dat betekent dat Amasus c.s. op grond van aanvaring jegens de belanghebbenden bij de Riad als enige aansprakelijk is voor de schade die daarvan het gevolg was.

vorderingsgerechtigdheid van ELG c.s.

6.5 De vraag of ELG c.s. gerechtigd was om Amasus c.s. aan te spreken tot schadevergoeding is kennelijk in de beperkingsprocedure niet aan de orde gesteld. Bij de verwijzing naar de renvooiprocedure is deze vraag niet genoemd. Bij conclusie van dupliek heeft Amasus c.s. alsnog deze vorderingsgerechtigdheid betwist.

6.6 ELG c.s. heeft daaromtrent gesteld dat de lading ferrochroom door Henric was verkocht aan ELG, dat ELG op 13 oktober 2008 eigenaar was van de lading en dat Allianz de verzekeraar was van Henric en ELG.

ELG c.s. heeft ter onderbouwing hiervan een aantal producties in het geding gebracht.

Uit een 'provisional commercial invoice' d.d. 25 augustus 2008 (prod. 6 van ELG c.s.) blijkt dat Henric aan ELG de koopprijs in rekening bracht voor 3.000 ton ferrochroom onder het beding 'DDU Selgen' of 'DDU Seigen' (delivered duty unpaid in Selgen of Seigen, kennelijk in Duitsland) en dat deze zending zou worden vervoerd met het ms. Syriotissa.

In een naamcognossement voor het vervoer van deze zending met de Syriotissa van Richards Bay (Zuid-Afrika) naar Rotterdam (prod. 14 van ELG c.s.) staat Henric vermeld als afzender en ELG als geadresseerde.

Uit een e-mailwisseling en een bevrachtingsovereenkomst kan worden afgeleid dat voor het vervoer van een gedeelte van 800 ton van de zending van 3.000 ton uit de Syrotissa van Rotterdam naar Meiderich (Duisburg, Duitsland) de Riad werd bevracht (laadgereedtijd 12 oktober 2008 18:01 uur; prod. 15 en 16 van ELG c.s.).

Uit een polisblad en een Cargo Insurance Certificate (prod. 18 en 19 van ELG c.s.) volgt dat Allianz een zending van 3.000 ton ferrochroom had verzekerd voor het vervoer vanaf Richards Bay met de Syriotissa naar Rotterdam en vandaar naar Duisburg ten behoeve van Henric en/of ELG.

ING Bank N.V. heeft ten gunste van de Staat een afroepgarantie gesteld voor € 600.000,- voor de kosten in verband met de berging van de Riad en haar lading, dit ten behoeve van EGL, Henric en hun verzekeraar Allianz. De Staat heeft onder deze garantie betaling gevraagd en verkregen van € 560.790,72. (prod. 3 - bijlagen 2 en 3; prod. 17 van ELG c.s.).

6.7 Uit het voorgaande, één en ander in onderling verband bezien, kan worden afgeleid dat de lading ferrochroom in de Riad eigendom was van ELG of Henric en dat deze was verzekerd bij Allianz. Nu al deze partijen samen optreden als eiseressen tot verificatie, kan - zonder nader onderzoek - worden vastgesteld dat één of meer van deze eiseressen gerechtigd zijn om als eigenaar van de lading dan wel als diens rechtsopvolger Amasus c.s. aan te spreken uit aanvaring.

berging in opdracht van de Staat en betaling bergingskosten; subrogatie

6.8 De Staat heeft de Riad en haar lading op 14 oktober 2008 onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst. In opdracht van de Staat zijn de Riad en haar lading geborgen.

De lading is overgebracht naar een terrein van Rijkswaterstaat. Krachtens de Wrakkenwet (artt. 5 en 6) had de Staat het recht om de geborgen lading niet eerder af te geven dan nadat de gemaakte opruimingskosten waren vergoed of daarvoor zekerheid was gesteld en was de Staat bij gebreke van betaling of zekerheidstelling bevoegd het geborgene te verkopen.

Als onweersproken staat vast dat de Staat ELG c.s. heeft verzocht om de volledige bergingskosten te voldoen dan wel daarvoor zekerheid aan te bieden en dat de Staat

ELG c.s. heeft meegedeeld dat hij anders niet bereid was de lading vrij te geven.

In een tussen ELG en Henric tegen de Staat gevoerd kort geding heeft de voorzieningen-rechter van de rechtbank 's-Gravenhage bij vonnis van 29 januari 2009 (LJN BH 2912) beslist dat de Staat gerechtigd was van ELG en Henric vergoeding van of zekerheidstelling voor de volledige opruimingskosten te verlangen en niet alleen voor de bergingskosten van de lading ferrochroom (die werden begroot op € 34.000,-).

Gelet hierop zag ELG c.s. zich genoodzaakt, teneinde de beschikking over haar lading te verkrijgen en verkoop door de Staat te voorkomen, de verlangde afroepgarantie te doen stellen door ING Bank N.V. De Staat heeft vervolgens onder die garantie betaling verkregen van € 560.790,72. Aangenomen kan worden dat ING Bank N.V. het onder de garantie betaalde bedrag heeft doorbelast aan haar opdrachtgever ELG c.s. In het midden kan worden gelaten of de betaling van de vordering onder de garantie ten laste is gekomen van ELG of Henric - de rechthebbende op de lading - dan wel - ingevolge de verzekering - van Allianz, zoals hiervoor vermeld onder 6.7.

6.9 Gelet ook op wat hierna wordt overwogen, kan de door ELG c.s. aan haar vordering mede ten grondslag gelegde subrogatie in de rechten van de Staat onbesproken blijven.

causaal verband

6.10 Als direct gevolg van de aanvaring van de Riad door de Wisdom, waarbij de Wisdom dwars over de Riad heen is gevaren, is de Riad met haar lading gezonken in het vaarwater van de Oude Maas. Schip en lading moesten vervolgens worden geborgen. Dat is gebeurd. De kosten daarvan zijn veroorzaakt door de aanvaring en daarvan wordt door

ELG c.s. vergoeding gevorderd van Amasus c.s. als degene die aansprakelijk is voor de aanvaring en voor de schade die daarvan het gevolg was. Aan het vereiste causaal verband doet niet af dat de berging niet is verricht door of in opdracht van ELG c.s. maar in opdracht van de Staat, waarna ELG c.s. zich genoodzaakt zag om de totale bergingskosten aan de Staat te voldoen. Behalve de kosten die door de Staat zijn gemaakt en door ELG c.s. zijn voldaan, vordert ELG c.s. ten laste van het wrakkenfonds nog een aantal andere, door haarzelf gemaakte kosten. Daarop wordt verderop in dit vonnis ingegaan.

financiële schade en relativiteit

6.11 De rechtbank verwerpt de stellingen van Amasus c.s. dat de vordering van

ELG c.s. tot vergoeding van kosten die verband houden met de berging van de Riad en haar lading niet kan slagen omdat het daarbij zou gaan om louter financiële schade of omdat de door de aanvaring met de Riad en de onrechtmatige handelwijze van de Wisdom overtreden norm niet zou strekken tot bescherming tegen deze schade (art. 6:163 BW). Deze stellingen vinden geen steun in het recht.

hulpverlening of avarij-grosse

6.12 In art. 8:753 lid 1 aanhef en onder a BW zijn (in overeenstemming met art. 3 van het Beperkingsverdrag 1976) vorderingen uit hoofde van hulpverlening en bijdrage in avarij-grosse uitgesloten van beperking. Deze uitzondering geldt slechts voor vorderingen van de hulpverlener op de reder van het schip waaraan hulp is verleend of de eigenaar van de andere zaken waarop de hulpverlening betrekking had, respectievelijk voor vorderingen van degene die een bijdrage in avarij-grosse verlangt wegens uitgaven om schip en lading voor een gemeenschappelijk gevaar te behoeden of daaruit te redden op de eigenaar van dat schip of die lading, en telkens slechts voor het geval dat deze eigenaars hun aansprakelijkheid willen beperken. Het zijn hier echter niet de eigenaar van de aangevaren Riad of die van de lading ferrochroom die hun aansprakelijkheid wensen te beperken tegenover schuldeisers uit hoofde van hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse.

Het is Amasus c.s., de eigenaar van de Wisdom, het schip dat de Riad heeft aangevaren, die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden en die haar aansprakelijkheid ter zake wil beperken.

Een regresvordering ingesteld door een belanghebbende bij het aangevaren schip of bij zijn lading, die (een deel van) het hulploon of een avarij-grosse bijdrage heeft betaald, tegen de eigenaar van het schuldige schip valt niet onder deze uitsluiting. De vordering van ELG c.s. is niet een vordering van de hulpverlener of van degene die een bijdrag in avarij-grosse vordert als bedoeld in genoemde bepaling.

vordering wegens wrakopruiming en het verwijderen van de lading

6.13 De vordering van ELG c.s. ter zake van door haar aan de Staat betaalde opruimingskosten is een vordering als bedoeld in art. 8:752 lid 1 sub d en e BW, zowel voor zover het daarbij gaat om het opruimen van de Riad als voor zover het gaat om het verwijderen van de lading ferrochroom. Er is geen reden om deze vordering te splitsen in een ladingdeel en een scheepsdeel, al dan niet op basis van de respectievelijke waarde van geborgen schip en lading. De gehele vordering kan worden ingediend in het wrakkenfonds.

6.14 Niet valt in te zien waarom de vordering ter zake van het verwijderen van een gezonken schip en haar lading alleen zouden kunnen gelden als vordering bedoeld in

art. 8:752 lid 1 sub d en e BW indien deze vordering in het wrakkenfonds wordt ingediend door degene die zelf het gezonken schip en haar lading uit het water verwijdert (de berger) en niet door degene op wie de kosten daarvan zijn verhaald, op grond van welke rechtsverhouding dan ook (de opdrachtgever van de berger of degene die de berger of deze opdrachtgever de bergingskosten heeft vergoed en deze betaalde kosten als schade wil verhalen). Beslissend is dat het gaat om een vordering tot vergoeding van opruimingskosten. Ook een regresvordering valt onder de vorderingen als bedoeld in genoemde bepalingen en hoort thuis in het wrakkenfonds en niet in een zakenfonds. Of alle kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn te beschouwen als opruimingskosten, zal hieronder aan de orde komen.

beperking van de schade

6.15 De rechtbank verwerpt het verweer dat ELG c.s. niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht door niet meteen na de aanvaring en voordat schip en lading onder de werking van de Wrakkenwet werden geplaatst, de lading (en de Riad ?) zelf te bergen of te laten bergen dan wel door de eigenaar van de Riad in rechte aan te spreken tot aflevering van de lading. Niet kan worden aangenomen dat ELG c.s. jegens Amasus c.s. - op straffe van vermindering van de vergoedingsplicht van Amasus c.s. - in redelijkheid was gehouden de genoemde acties te ondernemen, reeds omdat Amasus c.s. niet heeft aangegeven welke kosten ELG c.s. daardoor had kunnen en moeten voorkomen.

recht tot beperking van aansprakelijkheid

6.16 ELG c.s. had in de beperkingsprocedure met een beroep op art. 8:754 BW betwist dat Amasus c.s. gerechtigd was haar aansprakelijkheid ter zake van wrakopruimingskosten te beperken (zie prod. 3 van ELG c.s.). Dit geschilpunt is verwezen naar de renvooi-procedure. De betwisting van het recht te beperken is echter in deze renvooiprocedure niet gehandhaafd. Derhalve kan van dat recht tot beperking als vaststaand worden uitgegaan.

kosten van de Staat

6.17 Deze kosten zijn gespecificeerd met de stukken overgelegd bij productie 5 van ELG c.s. als volgt:

GPS Marine Services voor de berging (incl. meerwerk: duikonderzoek,

lossen auto etc., afvoerkosten bilge, oilbooms, ontvetter,

transport VOS 10 Dordrecht - Vulcaanhaven, havengeld, huur extra

dagen VOS 10, schoonmaken duwbak, transport luiken etc. R'dam

naar Ponton Zeevang, huur extra dagen Ponton Zeevang) € 408.399,67

Vulcaanhaven B.V. voor overslag, weging en opslag lading ferrochroom € 7.237,08

Aannemingsbedrijf [X] en Zoon Beesd B.V. voor transport wrak-

beseiningsvaartuig, treffen van milieubeschermende maatregelen,

reinigen vervuilde oevers, vervangen absorberende middelen € 93.952,76

[Y] voor advisering en ondersteuning gehele

bergingsproces (inclusief ijking bak [Z]) € 22.825,69

Vaarwegmarkeringsdienst RWS-DNZ voor uitleggen, markeren en

opnemen van drijvende betonning

€ 9.918,00

Meetdienst RWS ZH voor opsporen gezonken auto, verwerking

lodinggegevens, zoeken van luiken en roeiboot, assistentie inspecteurs,

nacontrole bodem € 5.842,50

RWS-DZH voor markering met wrakbeseiningsvaartuig, inzet

coördinator, assistent en inspecteur met reiskosten € 17.665,02

totaal kosten € 565.840,72

af: opbrengst verkoop casco Riad

€ 5.050,00

totaal vordering Staat € 560.790,72

6.18 Amasus c.s. heeft betwist dat deze kosten alle onder de omschrijving vallen van de vorderingen genoemd in art. 8:752 lid 1 sub d en e BW.

In die bepalingen worden deze vorderingen omschreven als "vorderingen terzake van" - kort gezegd - "het verwijderen" van het betreffende schip en haar lading (overeenkomstig

art. 2 lid 1 sub (d) en (e) van het Beperkingsverdrag 1976: "claims in respect of the removal"). Dat betekent dat daartoe ook kunnen worden gerekend de kosten die verband houden met het verwijderen van schip en lading.

6.19 ELG c.s. heeft een toelichting gegeven op de verschillende posten van de vordering van de Staat en heeft deze onderbouwd met producties (prod. 5 en 7-11 van ELG c.s.).

Op grond daarvan - een en ander in onderling verband bezien - kan het navolgende worden overwogen.

Het ging bij de opruimingskosten ten eerste om de kosten van de eigenlijke bergingswerk-zaamheden, niet alleen van schip en lading, maar ook van andere zaken die bij de aanvaring en het zinken van de Riad in de Oude Maas waren terechtgekomen (auto, luiken, roeiboot). Tot de berging behoorde voorts het voorbereiden daarvan: localiseren van gezonken zaken, onderzoek door duikers, aanvoer van het benodigde materieel.

Onderdeel van de berging was, behalve het boven water brengen van de zaken, ook het afvoeren, overslaan etc. van de geborgen lading, het afvoeren van de andere zaken en het op een ponton plaatsen en verplaatsen van het gelichte schip.

Verder werden begeleidende maatregelen genomen die noodzakelijk en dus redelijk waren om de berging veilig te laten verlopen - aanbrengen van extra markering rond de plaats waar het bergingswerk in het vaarwater van de Oude Maas werd uitgevoerd, verplaatsing van de normale betonning, waarschuwen scheepvaart met een wrakbeseiningsvaartuig - alsmede maatregelen om milieuschade bij de berging te voorkomen of ongedaan te maken - aanbrengen van oilbooms, verwijderen van olie, schoonmaken van besmeurde zaken, water en oevers (de kosten van preventieve maatregelen worden ingevolge art. 8:752 lid 1 sub f BW op gelijke wijze behandeld als die van de opruimingskosten zelf).

Voor het uitvoeren van een dergelijke omvangrijke bergingsoperatie kunnen tevens planning, contacten met (potentiële) bergers en andere opdrachtnemers, coördinatie, toezicht op het werk, controle achteraf , publieke kennisgevingen en administratieve behandeling en afhandeling redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht.

6.20 Aan het in rekening kunnen brengen van diverse kosten staat niet in de weg dat de Staat mede eigen materieel inzette en gebruik maakte van eigen personeel, respectievelijk gebruik maakte van de diensten van Aannemingsbedrijf [X] en Zoon Beesd B.V. op basis van een langlopend contract. Naar vaste jurisprudentie komen de redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht (art. 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW) ook voor vergoeding in aanmerking indien het daarbij gaat om intern - eventueel vooraf - gemaakte bedrijfskosten, door het inzetten van eigen personeel en materieel. Naar van algemene bekendheid is, beschikt de Staat, wegens zijn taken en verantwoordelijkheden als beheerder van openbare wateren, over een organisatie met personeel en materieel waarmee gevaarlijke en schadelijke situaties, zoals die kunnen ontstaan door het in een openbaar vaarwater zinken van een geladen schip, kunnen worden voorkomen of zo snel mogelijk kunnen worden verholpen. Kennelijk was daartoe tevens een langlopend contract afgesloten met het genoemde aannemingsbedrijf. De met één en ander gemoeide kosten kunnen in een concreet geval - voor zover het gaat om redelijke en in redelijkheid in verband met de betreffende gebeurtenis gemaakte kosten - worden verhaald op de voor die gebeurtenis aansprakelijke persoon.

6.21 De rechtbank acht de door de Staat opgevoerde kosten voldoende aannemelijk gemaakt en ook redelijk en in zodanig verband staand met de aanvaring, dat deze kosten aan Amasus c.s. als gevolg daarvan kunnen worden toegerekend. De bezwaren daartegen van Amasus c.s. worden van de hand gewezen. Slechts op enkele punten is nadere opheldering nodig. De rechtbank wenst nader te worden geïnformeerd wat er op welk moment is gebeurd met de geborgen lading ferrochroom, het scheepswrak en de andere zaken en welke kosten daarmee waren gemoeid, dit in verband met de vraag in hoeverre die kosten nog redelijkerwijs als opruimingskosten kunnen worden aangemerkt. Ook is een toelichting nodig op de door [Y] in rekening gebrachte werkzaamheden.

overige kosten van ELG c.s.

6.22 De vordering van ELG c.s. is als volgt gespecificeerd:

Aan de Staat is betaald € 560.790,72

Daarnaast heeft ELG c.s. nog een aantal aanvullende vorderingen

ingediend in het wrakkenfonds:

kosten voor het stellen van de garantie

€ 28.997,72

Vulcaanhaven B.V. voor de overslag van de lading € 1.893,03

RC Inspection B.V.voor de supervisie van de belading € 450,-

Global Bulk Logistic GmbH voor transport van de lading naar Duisburg € 5.906,16

Advocaatkosten AKD Prinsen Van Wijmen N.V. € 84.094,42

Expertisekosten Interlloyd Averij B.V. / [D] € 19.724,25

totaal exclusief rente € 701.855,86

Gevorderd wordt € 697.131,61, welk bedrag kennelijk is gebaseerd op € 15.000 aan geschatte expertisekosten.

6.23 Ten aanzien van al deze aanvullende kosten is het vooralsnog niet of onvoldoende duidelijk dat deze verband houden met de opruiming van schip en lading, dat deze kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt en dat deze daarom thuishoren in het wrakkenfonds. Ook hierover wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht door ELG c.s., evenals over de hoogte van de te verifiëren vordering.

6.24 De rechtbank zal een comparitie van partijen bevelen teneinde de hiervoor onder 6.21 en 6.23 bedoelde informatie te verkrijgen en daarover met partijen te overleggen.

ELG c.s. dient met het oog daarop uiterlijk vier weken voor de dag van de comparitie een schriftelijke toelichting op de aangegeven punten, zoveel mogelijk onderbouwd met producties, per brief toe te zenden aan de raadslieden van Amasus c.s. en Riad c.s. en aan de rechtbank. De twee laatstgenoemde partijen kunnen daarop schriftelijk reageren door middel van een uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie aan de raadslieden van de andere partijen en de rechtbank toe te zenden brief.

7. De beslissing

De rechtbank,

1. beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd, eventueel alleen door hun raadslieden, met deze te verschijnen voor de rechter mr A.N. van Zelm van Eldik in het gebouw van deze rechtbank aan het Wilhelminaplein 100 - 125 te Rotterdam op

dinsdag 4 december 2012 van 9.30 tot 11.00 uur;

2. bepaalt dat de partij die op genoemde dag en tijd niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam (faxnr. 010 - 2972518) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen, onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek;

3. bepaalt dat partijen de hiervoor onder 6.23 bedoelde brieven uiterlijk vier, respectievelijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en de wederpartijen zullen toezenden;

4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik en uitgesproken in het openbaar op

5 september 2012.

10/1928